Bijna dadelijk toen de beide broers, nu weer naast elkaar aanstappend
door de avond-duisternis--de windvlagen waren minder krachtig geworden;
slechts was er nu en dan een waarschuwend geritsel in de boomen en
struiken, en dan wat wapperende koelte, in-ééns overal, met een
dof-brommend gerucht om de huizen-daken en boven-langs de donkere
gevels,--bijna dadelijk toen zij, doordat ze weer net zoo naast elkander
gingen, en door het geluid van hun stappen, aan hun samen-aankomen van
een paar uur geleden herinnerd werden, begreep Paul, met een in de
leegte tastende ontnuchtering, en ergernis over zijn onnadenkendheid,
dat er natuurlijk van rustig tot-zich-zelf-komen en overpeinzen van het
doorleefde geen sprake kon zijn. Want straks zou Louis vragen, hoe hij
ze vond, zijn meisje en haar familie..., hij zou het dadelijk vragen,
hun zwijgen werd al zwaar..., en dan zou hij over haar moeten
praten..., en ook zou Louis nu willen weten, wat dat was geweest, waar
hij over wou beginnen, toen ze van-avond den Mauritsweg opgingen, en hij
zou er zich niet af kunnen maken....
Paul had, bij z'n eerste naar-buiten-komen, de avondkoelte met een ril
van verraste verkwikking teruggevonden; hij hield er tóch altijd van te
loopen in de herfstavonden, tusschen het kille geritsel der droge
bladen, maar nu vooral had hij 't met reikhalzend verlangen vóór zich
gevoeld als een genotvolle rust, een wellust voor z'n gloeiende
slapen.... En daar waren dadelijk die gedachten weer, die hem opnieuw
warm en gejaagd maakten, niet-in-staat tot genieten.... Beklemd, bijna
angstig, wachtte hij 't oogenblik af dat Louis zou beginnen met z'n
vragen. Hij wist heelemaal niet wat hij antwoorden zou, hij kon zijn
gedachten niet verzamelen, en het kwam niet eens bij hem op in z'n
verward hoofd naar iets anders te zoeken om alvast een gesprek over te
beginnen. Hij schrok, toen hij werklijk de stem van Louis hoorde; maar
die zei alleen: "We moesten nog maar ergens een grog gaan drinken, vindt
je niet?" "O!... ja zeker, dat 's best!" zei Paul verwonderd, en
herademend, doordat zijn broer over zoo iets heel anders sprak. Maar
Louis, die het gesprak alleen maar over iets onverschilligs was begonnen
om niet zoo erg begeerig naar Pauls complimenten te schijnen, vroeg toen
toch dadelijk: "En...? Wat zeg je nu van haar...? Is ze niet
charmant...?"
Daar was 't nu.... De vraag was gedaan. Er moest op geantwoord worden.
Iedere seconde wachtens maakte 't moeilijker. Maar in Pauls hoofd woelde
een warreling van gedachte-beginsels, niet te vatten van ijlheid, en
tezamen toch een wattige massa, die verdoofde.... Dit alleen voelde hij
vrij duidelijk, dat hij het niet zeggen mocht, en 't ook niet zeggen
kon, zooals het was.
Dus kwam er een stilte, die dadelijk groeide ... groeide ... ondraaglijk
werd.... Hun stappen gingen geregeld voort over de schoon geregende
klinkertjes.... Er was een metalige klank in.... Vér af belde een tram,
óp uit rumoerig zoemen van Zaterdagavond-op-den-Binnenweg.... En dan
hing nog in de lucht het tot een roepen aanzwellend geluid van die stem,
die gevraagd had....
"Nou?" drong Louis..., verbaasd....
"Ja, God..., kerel ... wat zal ik je zeggen," hoorde Paul zich toen
antwoorden op matten toon, "ik krijg zoo gauw geen vaststaanden indruk
van iemand, zie je.... 't Is zeker een mooi meisje ... een heel mooi
meisje...."
Hij voelde dat Louis hem met wrevele verwondering aankeek van terzij,
dat hij wel dadelijk iets zeggen zou, iets onaangenaams uit ergernis
over zijn lauwheid; hij besefte dat het zoo niet ging, onmogelijk!...
Toen in-eens, terwijl hij zijn lichaam krachtig recht-op zette, wist hij
't verwarren van z'n denken te ontkomen--het was als iemand die door
eigen wil ontwaakt uit een benauwenden droom--en zich te dwingen tot een
strak-gespannen verstandelijkheid; 't was natuurlijk noodig dadelijk
iets te zeggen waar Louis mee voldaan was. Hij lachte even, zenuwachtig,
zei toen met vaste en luide stem: "Nee, waarachtig hoor! Ze is
allerliefst! Wat 'n mooie oogen! Je bent een benijdbaar man, kerel!...
Je moogt je geluk wel waardeeren...."
Mooi, dat was de juiste toon. Dien maar volhouden, dan kon hij op alle
vragen antwoorden.... Zóó, buiten zich-zelf om kon hij best over haar
praten.... Want er moest natuurlijk gepraat worden over haar en de
familie....
Maar van dat andere, intieme gesprek met Louis, waar hij plan op gehad
had, daar was heelemaal geen kwestie van, dat kon niet, 't was een
illusie geweest; zij leefden mijlen ver van elkaar af.... Trouwens, hoe
had hij kunnen denken dat het mogelijk was, werklijk intiem met een
anderen man te praten over liefde....
"Ik wist wel, dat ze jou ook zou bevallen," zei Louis, weer kalm,
blij-gevleid, in zijn pedante zelfgenoegzaamheid, "ze heeft ook net een
kopje voor schilders.... Vindt je niet dat ze wat lijkt op de
vrouwenfiguren in die oude schilderijen van Raphaël en zoo.... Net zoo'n
Italiaansche madonna, waarachtig, dat denk ik zoo dikwijls...."
"Zeker!... daar heb-je gelijk in...; ik had mijn indruk nog niet zoo
onder woorden weten te brengen..., maar nu je 't zegt, is me dat ook
opgevallen.... Waar wou je gaan, moeten we den Binnenweg op?"
"Ja!... ik dacht, laten we maar naar onze soos gaan..., je weet, dat 's
op de Korte Hoogstraat..., daar boven...."
"Uitstekend!"
Ze sloegen den hoek om en liepen den viezigen Binnenweg op, de
leelijk-kleinburgerlijke straat, luguber-donker, vooral het eerste
gedeelte,--verderop lichter, door de winkels die nog open waren, met den
Zaterdagavond, de komenijen, de bakkers, de kruideniers. Hel glimmerden
daar de beslijkte keien.... Ook stonden er nog wagens met koopwaar,
onder den rossigen walm van olielampjes, en joden-mannen en -vrouwen er
bij, heesch uitstootend hun onverstaanbare roepen, 't Was nog
herrie-achtig vol op straat: burger- en werkmansvrouwen, op boodschappen
uit, gillende meiden en groepjes stenterige jonge kerels die hun
weekgeld binnen hadden....
Voor Paul had al dat geroes iets onwezenlijks...; hij voelde er zich
niet in; hij zag het als door een stereoscoop....
"En wat vindt-je van de anderen," vroeg Louis, "van Papa en Mama?..."
"Nou ... wat vindt-je zelf?"
"Hm!... och!... ze zijn zoo kwaad niet.... Hij kan wel aardig
kletsen.... Mama is wat stijfjes. Maar dat zal wel wennen...."
"O, wel zeker, dat dunkt me ook.... Je moet de menschen maar nemen
zooals ze zijn.... Iedereen heeft z'n gebreken, niet waar?..."
Ze schenen Louis nu te bevallen, Pauls antwoorden. Hij raakte erg op
dreef, en zijn toon klonk opgewekt en meedeelzaam. Hij ging loopen
praten over de familie De Boogh, hoe bekend en gezien die was, en nog
eens precies vertellen--in 't kort had hij 't Paul al geschreven--hoe
hij aan 't meisje was gekomen. Hij had haar dikwijls op straat gezien,
in 't park en den Doel, en was een beetje ... nou ja, verliefd
geworden.... Hij placht haar dan te fixeeren, soms even na te loopen,
als hij tijd had.... 't Was kinderachtig van 'm geweest, maar ze had ook
zoo'n eeuwig mooi snuitje, niet waar? Wonder was 't niet.... Maar zoo
met fixeeren en naloopen was hij niet verder gekomen.... Toen had hij
eens goed geïnformeerd naar de familie, die hij trouwens al kende van
naam.... Nou, dat was allemaal best in orde natuurlijk..., er zat zelfs
nog al heel wat geld, had hij dadelijk gehoord..., en toen had hij zich
laten voorstellen aan haar broer, Jan, den advocaat--een heel
geschikten vent, ze zouden hem straks wel ontmoeten, hij kwam geregeld
op de soos 's avonds.--Met hem had hij 't toen maar wat druk aangelegd;
hij had juist een aardig zaakje voor 'm gehad..., en door hem was hij
dan ook voorgehangen op de societeit.... Jan speelde daar nog al een
eerste viool.... En zoo was hij ter gelegenheid van een soireetje bij De
Boogh aan huis gekomen....
Zoo in huis had hij Annie nog veel aardiger gevonden, zoo gedienstig, en
zoo zacht in den omgang ook, zoo echt vol toewijding, weet-je..., zoodat
hij meer en meer was gaan begrijpen dat ze 'n uitstekende vrouw voor hem
zijn zou.....
Hij had ook al gauw weten op te merken wat voor soort van meisje ze was,
hoe ze aangevat moest worden.... "Zoo'n meisje als zij is, zie je"--hier
kreeg zijn stem iets onderrichtends--"die moet je volstrekt je hof niet
maken, zoo op de gewone manier, met komplimentjes, plagerijtjes,
coquetterietjes--o nee! Met zoo'n meisje moet je een degelijk gesprek
voeren, een beetje ... ernstig, vertrouwelijk doen ... en vooral erg
gewoon, zoo gewoon-hartelijk, zie je! 't Zit 'm wel 't meest in je oogen
en in den toon van je stem...." Enfin, hij kon dat nu niet precies
uitleggen, Louis; trouwens zijn broer zei dat hij 't wel ongeveer
begreep.... Vreemd was dit: Louis had altijd gedacht dat hij veel meer
hield van die heel andere soort van meisjes, coquette, mooie, bijdehand
op 't kattige af. Daar lijkt zooveel meer eer aan te behalen, 't Eene
oogenblik schijnen ze gecharmeerd van je, en 't andere zijn ze
ongenaakbaar. Je moet ze stormenderhand of met list en bij verrassing
veroveren.... Ja!... dat was dan ook wel aardig!... Marietje de Boogh
zou zoo iets worden; die was eigenlijk al ongeveer zoo, een leuk
kind.... Maar God!... Annie was totaal anders!... Ernstig..., ja soms
haast al te melancoliek!... Gek, hè? dat zou je niet aan haar zeggen! 't
Wás toch zoo.... Ze was nadenkend, voorzichtig.... Ze had hem dan ook
een week bedenktijd gevraagd!... Nu, hij was er geen oogenblik bang voor
geweest.... "Maar typisch, hè? net iets voor haar!... Enfin, om mee te
trouwen is zoo'n meisje juist je ware!..."
Paul liet zijn broer zooveel mogelijk aan het woord blijven. Hij knikte
maar, en beaamde nu en dan met een enkel woord. Soms deed hem de
ongedistingeerde naïveteit van 't verhaal licht pijnlijk aan, soms
proefde hij even de fatale commis-voyageurs-doortraptheid. Maar geheel
tot hem doordringen deed 't niet. Hij werd weer soezig abstract in de
drukke straten; hij was moe, had een langen dag achter den rug....
Onwezenlijk was 't alles. Dat een broer van hem dat daar liep te
vertellen en dat hij 't had over dat meisje van van-avond. Hoe kon
iemand zoo oneerbiedig spreken over háár!--Aldoor zag hij Annie voor
zich met haar oogen van één-en-al ziel, met haar weemoedig-onschuldigen
mond.--En hij liep daar maar vriendelijk naar te luisteren, en knikte,
en beaamde. Hij vleide zijn broer eigenlijk, huichelde, hield 'm voor
den gek.... En toch kón dat allemaal niet anders..., was zijn houding de
eenige mogelijke!... Want hoe zou hij zich verstaanbaar kunnen maken?...
Louis leefde blijkbaar in zoo'n geheel andere sfeer van gedachten en
gevoelens.... Bij geen enkel woord van hem voelde hij iets als
sympathie.... Hij moest het opgeven met zijn broer in eenige diepere
betrekking te komen....
Hij voelde nu pas hoe bitter dat hem tegenviel. Hij had nooit gedacht
dat het zóó groot kon zijn, het verschil tusschen hen.... Tóch: was 't
niet altijd zoo geweest?... Was 't sterker geworden in de laatste jaren,
of alleen maar meer bewust?... Zeker waren ze beiden wel gebleven die ze
waren, maar had ieders wezen zich ontwikkeld, ieders neigingen zich
geaccentueerd.... Het kon ook niet anders in zóó contrasteerende
omgeving.... Louis had drukken omgang gehad met koffiehuisvrienden en
Beurskennissen; hij had geleefd op z'n kantoor en in de societeit, in
geldzaken en fuiverij.... Paul was meestal alleen geweest..., alleen
tusschen bosschen en velden.... Hij had ook wel wat omgang gehad met
andere artiesten..., en van hen ook wel geleerd en overgenomen..., maar
een druk verkeer was dat nooit geweest.... En dagelijks zag hij het
stugge landvolk leven hun stoere levens van plicht-doen en berusten....
Hij zag nu duidelijk dat er maar twee wegen voor hem openstonden:
teruggaan, morgen, naar Brabant en zijn werk, of hier blijven en
meedoen, comedie-spelen, lief en aardig, de dankbare rol van den eenigen
en ongetrouwden broer van den bruigom!... O! hij zou gefêteerd worden!
Papa's van dochters zouden hem aanklampen, mama's hem toegrijnzen en
flikflooien.... Hij kreeg sterke neiging tot weggaan, dadelijk.... Maar
Annie stond hem weer voor den geest.... En hij was besloten te
blijven....
Voor zich-zelf wou hij 't niet weten dat het was om haar alleen; hij
ging zich voorhouden dat het toch ál te egoïstisch zou zijn, en te
onhartelijk jegens zijn broer en zijn moeder, als hij zoo maar in-eens
wegging. Ze zouden er ook mee verlegen zitten natuurlijk.... En zoo
verschrikkelijk was 't nu toch ook weer niet! Het duurde niet lang....
Dan: Annie was er, die het interessant maakte te blijven.... Hij zou met
haar kunnen praten..., haar in de oogen kijken, wat zoo'n heerlijk-diepe
ontroering gaf.... Hij had ál den tijd; hij had vacantie; werken kon hij
hier toch niet.... En Louis moest iedren dag op kantoor zijn.... Hij zou
misschien wel eens met haar kunnen wandelen, alleen met haar, zij aan
zij met haar, en dan praten, vertrouwelijk.... Hij zou dan ook van-zelf
te weten komen, 't zou hem klaar worden, welken indruk zij eigenlijk op
hem gemaakt had, wat dat was geweest, van-avond, die opgewondenheid....
Interessant, zoo'n meisje, zoo'n bruidje.... Prachtig, zoo'n pure
meisjesziel!... Wat was hij toch altijd dom-verslaafd geweest aan zijn
kunst, aan het zoeken ... zoeken.... Blind en doof voor al het
andere!... Kunst-maniac!...
Intusschen bleven ze praten, de broers, over en weer. Paul gaf tenminste
antwoord, Louis was 't die vertelde en vroeg, aldoor
opgewekt-vriendschaplijk van toon. Ze waren nu al gauw in die societeit,
een paar ruime zalen boven een winkel op de Korte Hoogstraat. Het was er
vrij leeg. Ze groetten een paar lui die stonden te biljarten, maar
gingen met z'n beiden, over elkaar, aan een tafeltje zitten. De warm
gelende schijn van het avondlicht stond koesterend om hun hoofden....
Toen ze ieder een grog voor zich hadden, vroeg Louis in-eens, zich wat
heenbuigend over de tafel, met animeerende vroolijkheid: "En wat was
dat nou wat je met me wou bespreken? Waar je over begon, weet je wel,
even voor we 'r waren van avond?..."
Paul had er heelemaal niet meer op gerekend dat zijn broer daar nog op
terug zou komen.... Wat ondoordacht, hoe stom ook, dat hij er over
begonnen was!... Hij kreeg een kleur, hakkelde wat van "och nee!...
niets bizonders...." Maar de ander drong aan met 'n goedig beschermende
meerderheid: "Wel nee!... kom, gekheid! Vooruit er mee!... Er is wel
wat!... Geldt het jou zelf?..."
Paul merkte dat er geen ontsnappen aan was. Hij dacht er een oogenblik
over brutaalweg te liegen, te zeggen dat hij naar de familie De Boogh
had willen vragen of zoo iets, maar daartegen kwam dadelijk verzet in
hem op. Dat zou toch te laf zijn. En dus begon hij in-eens maar,
blindweg: "Nou!... och, zie je, we hebben elkaar in zoo'n tijd weer niet
gesproken ... en ... nou had ik je 's willen vragen: hoe denk jij
eigenlijk over trouwen en liefde.... Ik bedoel dit: geloof je dat je
werkelijk zooveel van Annie houdt, dat je denkt altijd ... gelukkig met
haar te zullen zijn..., dat je haar eenvoudig nooit zult kunnen
missen..., dat is het toch eigenlijk!... dat je haar noodig hebt.... Ik
druk me belabberd uit, maar je zult me misschien wel begrijpen...."
Louis lachte, eenigszins verbijsterd, licht kleurend: "Zoo!... God! is
't zoo iets?" zei hij, weifelend, "ik had gedacht dat er een
ontboezeming van jou zou komen.... Hoe kom je daar zoo aan?... Twijfel
je of ik wel genoeg van Annie houd?..."
"Ik twijfel volstrekt niet," ging Paul door, vaster van toon, nu hij
eenmaal begonnen was, "ik weet er immers niets van!... Wat weten wij
tegenwoordig van elkaar?... In 't algemeen zou ik willen vragen: hoe
denk jij over die kwestie, vindt je 't nóódig dat man en vrouw zoo'n
overwegende behoefte aan elkaar hebben?... of vindt je dat eigenlijk
niet zoo noodig,... andere dingen de hoofdzaak...."
"Wel nee!... Waarachtig niet!... Wie zal dat nou vinden?... De affectie
is bij mij wel degelijk 't voornaamste."
"En bij jou trouwen van weerszijden de eenige drijfveer? Ben je daar
zeker van?"
Met een verlegen lachje stak Louis een nieuwe sigaret aan. "God, God,
kerel!" zei hij, schijnbaar vol aandacht voor die sigaret, "ik wist
niet, dat je zoo zwaar op de hand was geworden!... Wat een gewichtig
geklets!... Wat dacht je dan eigenlijk anders?... Je houdt me, geloof
ik, voor een soort geldwolf of zoo iets.... Omdat ik nou niet vies ben
van een paar dubbeltjes als dat er nou toevallig zoo bijkomt!... Stel je
voor, dat je zoudt trouwen met een vrouw waar je niet van houdt!..."
Maar Paul liet zich nu niet van z'n stuk brengen: "Ja!... dat 's nu ook
weer een ander uiterste!... De vraag is maar: Voel je dat jelie
wederzijdsche sympathie..., wat eigenlijk alleen is dat je elkaar
begrijpt!... zoo sterk geworden is en je behoefte aan elkaar zoo ...
intens, dat het je is alsof je op geen andere manier meer zoudt kunnen
leven dan met haar, voor haar!..."
"Hoor 's," zei Louis, terwijl hij zijn broer even vast aankeek, "eerlijk
gezegd: dat weet ik nou niet!... En dat kan toch ook eigenlijk niemand
zeggen, gekheid!... Hoe kom je daar toch in vredesnaam aan, ouwe
vrijer!... Ik houd verduiveld veel van 't meisje.... Ik ben zelfs een
beetje belachelijk verliefd op 'r geweest.... Ik geloof dat ik met haar
gelukkig zal zijn..., zooals het dan heet!... Ik hoop ook haar het leven
aangenaam te maken.... En ... en ik verzoek je daar niet aan te
twijfelen, asjeblieft!" voegde hij er een beetje wrevelig bij.
Paul gevoelde iets van schaamte. Wát Louis zei, hoorde hij niet
dadelijk,--doordat het zoo precies was hetgeen hij verwacht had--maar
wel een zekere eenvoud en directheid in 't zeggen van zijn broer, en een
zuiverheid van toon, die hem éven raakte met sympathie.... Een oogenblik
had hij 't verlangen hem in hartelijkheid de hand toe te steken..., maar
hij deed het niet.... Toen hij de woorden, door 't naklinken, geheel
verstond, proefde hij er ook weer het ordinaire van, en viel zijn broer
hem toch weer opnieuw tegen.... Er was geen beginnen aan; 't was 't best
er maar dadelijk mee uit te scheiden.... Jammer dat hij toch maar niet
wat anders gevraagd had. Hij zei nu alleen nog: "God, kerel!... ik
twijfelde waarachtig aan niets.... Het kwam alleen maar even in me op,
van-avond, je daar zoo 's op den man af naar te vragen.... Als broer mag
dat toch wel, niet waar?.... Als jij er niet op terug gekomen was, had
ik er niet over gesproken...."
Dat was waar, Paul wist het. Toch had hij weer 't ellendige gevoel dat
zijn broer oprechter was geweest dan hij.... Ook dat kende hij van
vroeger.... Louis kon zoo gemakkelijk en brutaal oprecht zijn: hij niet,
hij had bijna altijd het bewustzijn dat hij onmogelijk precies kon
zeggen, wat hij dacht..., veel minder wat hij voelde....
* * * * *
Zij rookten en dronken wat, zwijgend. Er kwamen meer en meer menschen
binnen en Paul begon maar eens te vragen naar dezen en genen, dien hij
zag zitten: "Is dat niet die?..." Het was hem nu een aangename
gewaarwording dat de grog hem wat begon te benevelen en warm te maken;
hij kreeg er de neiging door alleen nog maar een beetje gekheid te
verkoopen, onzin te kletsen.... Eerst die wijn van-avond, en nu grog,
hij was er niet aan gewoon in den laatsten tijd.... Maar het was wel
lekker zoo, en gemakkelijk; hij wist, hij had altijd een vroolijken
dronk, en het was toch maar het eenige zich in een roes te brengen, zich
desnoods maar wat dronken te drinken, als hij dan wou blijven en
meedoen.... Hij nam nog een grog, ging er lui en behaaglijk bij zitten,
en langs z'n neus-weg moppen tappen, leuke verhalen doen, zoodat Louis
dacht: Wat een rare vent toch! maar hij vond hem zeer genietbaar zoo.
Er kwamen een paar vrinden van Louis binnen, die hij wenkte aan hun
tafel te komen en voorstelde aan Paul, die hen amicaal begroette. Eén
van hen kende hij van vroeger. Ook Jan de Boogh, de advocaat, kwam er
bij, en het werd een troepje luidruchtige heeren, dertigers allen. De
Boogh en de andere vrienden hadden blozende bon-vivant gezichten en
waren opvallend gekleed. Ze dronken veel, spraken over pikante
geschiedenissen--in één waarvan Louis betrokken scheen te zijn--ze
lachten schetterig om schuine moppen, maar "de bruigom" mocht daar niet
naar luisteren, zeiden ze.
Er was nog een andere reden waarom Paul zich maar liever een beetje
dronken maakte. Hij zou dan, meende hij, niet meer zoo voortdurend
denken aan Annie en de onrust van dien avond.... Want 't vervolgde hem
afmattend, het verwarrende zien-zitten van haar met dien in de toekomst
starenden blik.... Toch was het er telkens weer, in zijn verhitte
hoofd..., zelfs nog scherper dan zooeven op straat....
Toen ze eindelijk samen naar huis gingen, scheen Paul soms dwaze dingen
te zeggen, want Louis liep telkens te grinniken, hem van terzij
aankijkend; hij geloofde, zei hij, dat Paul er niet best meer tegen kon.
Maar toen hij in zijn kamer kwam--die sinds lang onbewoonde, kille
logeerkamer--waar het stil was en al de oude dingen in zoo'n
vreemd-eigen sfeer schenen te staan, toen werd hij weer in-eens heel
helder, verwonderlijk strak-helder....
Er was iets met hem gebeurd sinds hij van deze kamer was weggegaan....
Het was of al zijn denken was omgewoeld..., het vroeger onderste nu
boven.... Hij was veranderd.... Maar dit voelde hij ook.... 't Was beter
zich van dat alles nu geen rekenschap te geven....
Dus zei hij maar aldoor tot zich zelf: "je bent dronken, ga naar je
bed..., gauw ... slapen ... gauw ... morgen denken ... nu niet.... Maar
hij kon toch nog langen tijd den slaap niet vatten. Vreemd, hij was toch
zoo moe. Koortsig draaide hij zich om en om, zoekend vergeefs naar koele
plekjes voor zijn hoofd. En heel de dag herleefde weer in feller schijn;
al die gezichten; en telkens het hare..., het hare!...