V.

Bijna dadelijk toen de beide broers, nu weer naast elkaar aanstappend

door de avond-duisternis--de windvlagen waren minder krachtig geworden;

slechts was er nu en dan een waarschuwend geritsel in de boomen en

struiken, en dan wat wapperende koelte, in-ééns overal, met een

dof-brommend gerucht om de huizen-daken en boven-langs de donkere

gevels,--bijna dadelijk toen zij, doordat ze weer net zoo naast elkander

gingen, en door het geluid van hun stappen, aan hun samen-aankomen van

een paar uur geleden herinnerd werden, begreep Paul, met een in de

leegte tastende ontnuchtering, en ergernis over zijn onnadenkendheid,

dat er natuurlijk van rustig tot-zich-zelf-komen en overpeinzen van het

doorleefde geen sprake kon zijn. Want straks zou Louis vragen, hoe hij

ze vond, zijn meisje en haar familie..., hij zou het dadelijk vragen,

hun zwijgen werd al zwaar..., en dan zou hij over haar moeten

praten..., en ook zou Louis nu willen weten, wat dat was geweest, waar

hij over wou beginnen, toen ze van-avond den Mauritsweg opgingen, en hij

zou er zich niet af kunnen maken....

Paul had, bij z'n eerste naar-buiten-komen, de avondkoelte met een ril

van verraste verkwikking teruggevonden; hij hield er tóch altijd van te

loopen in de herfstavonden, tusschen het kille geritsel der droge

bladen, maar nu vooral had hij 't met reikhalzend verlangen vóór zich

gevoeld als een genotvolle rust, een wellust voor z'n gloeiende

slapen.... En daar waren dadelijk die gedachten weer, die hem opnieuw

warm en gejaagd maakten, niet-in-staat tot genieten.... Beklemd, bijna

angstig, wachtte hij 't oogenblik af dat Louis zou beginnen met z'n

vragen. Hij wist heelemaal niet wat hij antwoorden zou, hij kon zijn

gedachten niet verzamelen, en het kwam niet eens bij hem op in z'n

verward hoofd naar iets anders te zoeken om alvast een gesprek over te

beginnen. Hij schrok, toen hij werklijk de stem van Louis hoorde; maar

die zei alleen: "We moesten nog maar ergens een grog gaan drinken, vindt

je niet?" "O!... ja zeker, dat 's best!" zei Paul verwonderd, en

herademend, doordat zijn broer over zoo iets heel anders sprak. Maar

Louis, die het gesprak alleen maar over iets onverschilligs was begonnen

om niet zoo erg begeerig naar Pauls complimenten te schijnen, vroeg toen

toch dadelijk: "En...? Wat zeg je nu van haar...? Is ze niet

charmant...?"

Daar was 't nu.... De vraag was gedaan. Er moest op geantwoord worden.

Iedere seconde wachtens maakte 't moeilijker. Maar in Pauls hoofd woelde

een warreling van gedachte-beginsels, niet te vatten van ijlheid, en

tezamen toch een wattige massa, die verdoofde.... Dit alleen voelde hij

vrij duidelijk, dat hij het niet zeggen mocht, en 't ook niet zeggen

kon, zooals het was.

Dus kwam er een stilte, die dadelijk groeide ... groeide ... ondraaglijk

werd.... Hun stappen gingen geregeld voort over de schoon geregende

klinkertjes.... Er was een metalige klank in.... Vér af belde een tram,

óp uit rumoerig zoemen van Zaterdagavond-op-den-Binnenweg.... En dan

hing nog in de lucht het tot een roepen aanzwellend geluid van die stem,

die gevraagd had....

"Nou?" drong Louis..., verbaasd....

"Ja, God..., kerel ... wat zal ik je zeggen," hoorde Paul zich toen

antwoorden op matten toon, "ik krijg zoo gauw geen vaststaanden indruk

van iemand, zie je.... 't Is zeker een mooi meisje ... een heel mooi

meisje...."

Hij voelde dat Louis hem met wrevele verwondering aankeek van terzij,

dat hij wel dadelijk iets zeggen zou, iets onaangenaams uit ergernis

over zijn lauwheid; hij besefte dat het zoo niet ging, onmogelijk!...

Toen in-eens, terwijl hij zijn lichaam krachtig recht-op zette, wist hij

't verwarren van z'n denken te ontkomen--het was als iemand die door

eigen wil ontwaakt uit een benauwenden droom--en zich te dwingen tot een

strak-gespannen verstandelijkheid; 't was natuurlijk noodig dadelijk

iets te zeggen waar Louis mee voldaan was. Hij lachte even, zenuwachtig,

zei toen met vaste en luide stem: "Nee, waarachtig hoor! Ze is

allerliefst! Wat 'n mooie oogen! Je bent een benijdbaar man, kerel!...

Je moogt je geluk wel waardeeren...."

Mooi, dat was de juiste toon. Dien maar volhouden, dan kon hij op alle

vragen antwoorden.... Zóó, buiten zich-zelf om kon hij best over haar

praten.... Want er moest natuurlijk gepraat worden over haar en de

familie....

Maar van dat andere, intieme gesprek met Louis, waar hij plan op gehad

had, daar was heelemaal geen kwestie van, dat kon niet, 't was een

illusie geweest; zij leefden mijlen ver van elkaar af.... Trouwens, hoe

had hij kunnen denken dat het mogelijk was, werklijk intiem met een

anderen man te praten over liefde....

"Ik wist wel, dat ze jou ook zou bevallen," zei Louis, weer kalm,

blij-gevleid, in zijn pedante zelfgenoegzaamheid, "ze heeft ook net een

kopje voor schilders.... Vindt je niet dat ze wat lijkt op de

vrouwenfiguren in die oude schilderijen van Raphaël en zoo.... Net zoo'n

Italiaansche madonna, waarachtig, dat denk ik zoo dikwijls...."

"Zeker!... daar heb-je gelijk in...; ik had mijn indruk nog niet zoo

onder woorden weten te brengen..., maar nu je 't zegt, is me dat ook

opgevallen.... Waar wou je gaan, moeten we den Binnenweg op?"

"Ja!... ik dacht, laten we maar naar onze soos gaan..., je weet, dat 's

op de Korte Hoogstraat..., daar boven...."

"Uitstekend!"

Ze sloegen den hoek om en liepen den viezigen Binnenweg op, de

leelijk-kleinburgerlijke straat, luguber-donker, vooral het eerste

gedeelte,--verderop lichter, door de winkels die nog open waren, met den

Zaterdagavond, de komenijen, de bakkers, de kruideniers. Hel glimmerden

daar de beslijkte keien.... Ook stonden er nog wagens met koopwaar,

onder den rossigen walm van olielampjes, en joden-mannen en -vrouwen er

bij, heesch uitstootend hun onverstaanbare roepen, 't Was nog

herrie-achtig vol op straat: burger- en werkmansvrouwen, op boodschappen

uit, gillende meiden en groepjes stenterige jonge kerels die hun

weekgeld binnen hadden....

Voor Paul had al dat geroes iets onwezenlijks...; hij voelde er zich

niet in; hij zag het als door een stereoscoop....

"En wat vindt-je van de anderen," vroeg Louis, "van Papa en Mama?..."

"Nou ... wat vindt-je zelf?"

"Hm!... och!... ze zijn zoo kwaad niet.... Hij kan wel aardig

kletsen.... Mama is wat stijfjes. Maar dat zal wel wennen...."

"O, wel zeker, dat dunkt me ook.... Je moet de menschen maar nemen

zooals ze zijn.... Iedereen heeft z'n gebreken, niet waar?..."

Ze schenen Louis nu te bevallen, Pauls antwoorden. Hij raakte erg op

dreef, en zijn toon klonk opgewekt en meedeelzaam. Hij ging loopen

praten over de familie De Boogh, hoe bekend en gezien die was, en nog

eens precies vertellen--in 't kort had hij 't Paul al geschreven--hoe

hij aan 't meisje was gekomen. Hij had haar dikwijls op straat gezien,

in 't park en den Doel, en was een beetje ... nou ja, verliefd

geworden.... Hij placht haar dan te fixeeren, soms even na te loopen,

als hij tijd had.... 't Was kinderachtig van 'm geweest, maar ze had ook

zoo'n eeuwig mooi snuitje, niet waar? Wonder was 't niet.... Maar zoo

met fixeeren en naloopen was hij niet verder gekomen.... Toen had hij

eens goed geïnformeerd naar de familie, die hij trouwens al kende van

naam.... Nou, dat was allemaal best in orde natuurlijk..., er zat zelfs

nog al heel wat geld, had hij dadelijk gehoord..., en toen had hij zich

laten voorstellen aan haar broer, Jan, den advocaat--een heel

geschikten vent, ze zouden hem straks wel ontmoeten, hij kwam geregeld

op de soos 's avonds.--Met hem had hij 't toen maar wat druk aangelegd;

hij had juist een aardig zaakje voor 'm gehad..., en door hem was hij

dan ook voorgehangen op de societeit.... Jan speelde daar nog al een

eerste viool.... En zoo was hij ter gelegenheid van een soireetje bij De

Boogh aan huis gekomen....

Zoo in huis had hij Annie nog veel aardiger gevonden, zoo gedienstig, en

zoo zacht in den omgang ook, zoo echt vol toewijding, weet-je..., zoodat

hij meer en meer was gaan begrijpen dat ze 'n uitstekende vrouw voor hem

zijn zou.....

Hij had ook al gauw weten op te merken wat voor soort van meisje ze was,

hoe ze aangevat moest worden.... "Zoo'n meisje als zij is, zie je"--hier

kreeg zijn stem iets onderrichtends--"die moet je volstrekt je hof niet

maken, zoo op de gewone manier, met komplimentjes, plagerijtjes,

coquetterietjes--o nee! Met zoo'n meisje moet je een degelijk gesprek

voeren, een beetje ... ernstig, vertrouwelijk doen ... en vooral erg

gewoon, zoo gewoon-hartelijk, zie je! 't Zit 'm wel 't meest in je oogen

en in den toon van je stem...." Enfin, hij kon dat nu niet precies

uitleggen, Louis; trouwens zijn broer zei dat hij 't wel ongeveer

begreep.... Vreemd was dit: Louis had altijd gedacht dat hij veel meer

hield van die heel andere soort van meisjes, coquette, mooie, bijdehand

op 't kattige af. Daar lijkt zooveel meer eer aan te behalen, 't Eene

oogenblik schijnen ze gecharmeerd van je, en 't andere zijn ze

ongenaakbaar. Je moet ze stormenderhand of met list en bij verrassing

veroveren.... Ja!... dat was dan ook wel aardig!... Marietje de Boogh

zou zoo iets worden; die was eigenlijk al ongeveer zoo, een leuk

kind.... Maar God!... Annie was totaal anders!... Ernstig..., ja soms

haast al te melancoliek!... Gek, hè? dat zou je niet aan haar zeggen! 't

Wás toch zoo.... Ze was nadenkend, voorzichtig.... Ze had hem dan ook

een week bedenktijd gevraagd!... Nu, hij was er geen oogenblik bang voor

geweest.... "Maar typisch, hè? net iets voor haar!... Enfin, om mee te

trouwen is zoo'n meisje juist je ware!..."

Paul liet zijn broer zooveel mogelijk aan het woord blijven. Hij knikte

maar, en beaamde nu en dan met een enkel woord. Soms deed hem de

ongedistingeerde naïveteit van 't verhaal licht pijnlijk aan, soms

proefde hij even de fatale commis-voyageurs-doortraptheid. Maar geheel

tot hem doordringen deed 't niet. Hij werd weer soezig abstract in de

drukke straten; hij was moe, had een langen dag achter den rug....

Onwezenlijk was 't alles. Dat een broer van hem dat daar liep te

vertellen en dat hij 't had over dat meisje van van-avond. Hoe kon

iemand zoo oneerbiedig spreken over háár!--Aldoor zag hij Annie voor

zich met haar oogen van één-en-al ziel, met haar weemoedig-onschuldigen

mond.--En hij liep daar maar vriendelijk naar te luisteren, en knikte,

en beaamde. Hij vleide zijn broer eigenlijk, huichelde, hield 'm voor

den gek.... En toch kón dat allemaal niet anders..., was zijn houding de

eenige mogelijke!... Want hoe zou hij zich verstaanbaar kunnen maken?...

Louis leefde blijkbaar in zoo'n geheel andere sfeer van gedachten en

gevoelens.... Bij geen enkel woord van hem voelde hij iets als

sympathie.... Hij moest het opgeven met zijn broer in eenige diepere

betrekking te komen....

Hij voelde nu pas hoe bitter dat hem tegenviel. Hij had nooit gedacht

dat het zóó groot kon zijn, het verschil tusschen hen.... Tóch: was 't

niet altijd zoo geweest?... Was 't sterker geworden in de laatste jaren,

of alleen maar meer bewust?... Zeker waren ze beiden wel gebleven die ze

waren, maar had ieders wezen zich ontwikkeld, ieders neigingen zich

geaccentueerd.... Het kon ook niet anders in zóó contrasteerende

omgeving.... Louis had drukken omgang gehad met koffiehuisvrienden en

Beurskennissen; hij had geleefd op z'n kantoor en in de societeit, in

geldzaken en fuiverij.... Paul was meestal alleen geweest..., alleen

tusschen bosschen en velden.... Hij had ook wel wat omgang gehad met

andere artiesten..., en van hen ook wel geleerd en overgenomen..., maar

een druk verkeer was dat nooit geweest.... En dagelijks zag hij het

stugge landvolk leven hun stoere levens van plicht-doen en berusten....

Hij zag nu duidelijk dat er maar twee wegen voor hem openstonden:

teruggaan, morgen, naar Brabant en zijn werk, of hier blijven en

meedoen, comedie-spelen, lief en aardig, de dankbare rol van den eenigen

en ongetrouwden broer van den bruigom!... O! hij zou gefêteerd worden!

Papa's van dochters zouden hem aanklampen, mama's hem toegrijnzen en

flikflooien.... Hij kreeg sterke neiging tot weggaan, dadelijk.... Maar

Annie stond hem weer voor den geest.... En hij was besloten te

blijven....

Voor zich-zelf wou hij 't niet weten dat het was om haar alleen; hij

ging zich voorhouden dat het toch ál te egoïstisch zou zijn, en te

onhartelijk jegens zijn broer en zijn moeder, als hij zoo maar in-eens

wegging. Ze zouden er ook mee verlegen zitten natuurlijk.... En zoo

verschrikkelijk was 't nu toch ook weer niet! Het duurde niet lang....

Dan: Annie was er, die het interessant maakte te blijven.... Hij zou met

haar kunnen praten..., haar in de oogen kijken, wat zoo'n heerlijk-diepe

ontroering gaf.... Hij had ál den tijd; hij had vacantie; werken kon hij

hier toch niet.... En Louis moest iedren dag op kantoor zijn.... Hij zou

misschien wel eens met haar kunnen wandelen, alleen met haar, zij aan

zij met haar, en dan praten, vertrouwelijk.... Hij zou dan ook van-zelf

te weten komen, 't zou hem klaar worden, welken indruk zij eigenlijk op

hem gemaakt had, wat dat was geweest, van-avond, die opgewondenheid....

Interessant, zoo'n meisje, zoo'n bruidje.... Prachtig, zoo'n pure

meisjesziel!... Wat was hij toch altijd dom-verslaafd geweest aan zijn

kunst, aan het zoeken ... zoeken.... Blind en doof voor al het

andere!... Kunst-maniac!...

Intusschen bleven ze praten, de broers, over en weer. Paul gaf tenminste

antwoord, Louis was 't die vertelde en vroeg, aldoor

opgewekt-vriendschaplijk van toon. Ze waren nu al gauw in die societeit,

een paar ruime zalen boven een winkel op de Korte Hoogstraat. Het was er

vrij leeg. Ze groetten een paar lui die stonden te biljarten, maar

gingen met z'n beiden, over elkaar, aan een tafeltje zitten. De warm

gelende schijn van het avondlicht stond koesterend om hun hoofden....

Toen ze ieder een grog voor zich hadden, vroeg Louis in-eens, zich wat

heenbuigend over de tafel, met animeerende vroolijkheid: "En wat was

dat nou wat je met me wou bespreken? Waar je over begon, weet je wel,

even voor we 'r waren van avond?..."

Paul had er heelemaal niet meer op gerekend dat zijn broer daar nog op

terug zou komen.... Wat ondoordacht, hoe stom ook, dat hij er over

begonnen was!... Hij kreeg een kleur, hakkelde wat van "och nee!...

niets bizonders...." Maar de ander drong aan met 'n goedig beschermende

meerderheid: "Wel nee!... kom, gekheid! Vooruit er mee!... Er is wel

wat!... Geldt het jou zelf?..."

Paul merkte dat er geen ontsnappen aan was. Hij dacht er een oogenblik

over brutaalweg te liegen, te zeggen dat hij naar de familie De Boogh

had willen vragen of zoo iets, maar daartegen kwam dadelijk verzet in

hem op. Dat zou toch te laf zijn. En dus begon hij in-eens maar,

blindweg: "Nou!... och, zie je, we hebben elkaar in zoo'n tijd weer niet

gesproken ... en ... nou had ik je 's willen vragen: hoe denk jij

eigenlijk over trouwen en liefde.... Ik bedoel dit: geloof je dat je

werkelijk zooveel van Annie houdt, dat je denkt altijd ... gelukkig met

haar te zullen zijn..., dat je haar eenvoudig nooit zult kunnen

missen..., dat is het toch eigenlijk!... dat je haar noodig hebt.... Ik

druk me belabberd uit, maar je zult me misschien wel begrijpen...."

Louis lachte, eenigszins verbijsterd, licht kleurend: "Zoo!... God! is

't zoo iets?" zei hij, weifelend, "ik had gedacht dat er een

ontboezeming van jou zou komen.... Hoe kom je daar zoo aan?... Twijfel

je of ik wel genoeg van Annie houd?..."

"Ik twijfel volstrekt niet," ging Paul door, vaster van toon, nu hij

eenmaal begonnen was, "ik weet er immers niets van!... Wat weten wij

tegenwoordig van elkaar?... In 't algemeen zou ik willen vragen: hoe

denk jij over die kwestie, vindt je 't nóódig dat man en vrouw zoo'n

overwegende behoefte aan elkaar hebben?... of vindt je dat eigenlijk

niet zoo noodig,... andere dingen de hoofdzaak...."

"Wel nee!... Waarachtig niet!... Wie zal dat nou vinden?... De affectie

is bij mij wel degelijk 't voornaamste."

"En bij jou trouwen van weerszijden de eenige drijfveer? Ben je daar

zeker van?"

Met een verlegen lachje stak Louis een nieuwe sigaret aan. "God, God,

kerel!" zei hij, schijnbaar vol aandacht voor die sigaret, "ik wist

niet, dat je zoo zwaar op de hand was geworden!... Wat een gewichtig

geklets!... Wat dacht je dan eigenlijk anders?... Je houdt me, geloof

ik, voor een soort geldwolf of zoo iets.... Omdat ik nou niet vies ben

van een paar dubbeltjes als dat er nou toevallig zoo bijkomt!... Stel je

voor, dat je zoudt trouwen met een vrouw waar je niet van houdt!..."

Maar Paul liet zich nu niet van z'n stuk brengen: "Ja!... dat 's nu ook

weer een ander uiterste!... De vraag is maar: Voel je dat jelie

wederzijdsche sympathie..., wat eigenlijk alleen is dat je elkaar

begrijpt!... zoo sterk geworden is en je behoefte aan elkaar zoo ...

intens, dat het je is alsof je op geen andere manier meer zoudt kunnen

leven dan met haar, voor haar!..."

"Hoor 's," zei Louis, terwijl hij zijn broer even vast aankeek, "eerlijk

gezegd: dat weet ik nou niet!... En dat kan toch ook eigenlijk niemand

zeggen, gekheid!... Hoe kom je daar toch in vredesnaam aan, ouwe

vrijer!... Ik houd verduiveld veel van 't meisje.... Ik ben zelfs een

beetje belachelijk verliefd op 'r geweest.... Ik geloof dat ik met haar

gelukkig zal zijn..., zooals het dan heet!... Ik hoop ook haar het leven

aangenaam te maken.... En ... en ik verzoek je daar niet aan te

twijfelen, asjeblieft!" voegde hij er een beetje wrevelig bij.

Paul gevoelde iets van schaamte. Wát Louis zei, hoorde hij niet

dadelijk,--doordat het zoo precies was hetgeen hij verwacht had--maar

wel een zekere eenvoud en directheid in 't zeggen van zijn broer, en een

zuiverheid van toon, die hem éven raakte met sympathie.... Een oogenblik

had hij 't verlangen hem in hartelijkheid de hand toe te steken..., maar

hij deed het niet.... Toen hij de woorden, door 't naklinken, geheel

verstond, proefde hij er ook weer het ordinaire van, en viel zijn broer

hem toch weer opnieuw tegen.... Er was geen beginnen aan; 't was 't best

er maar dadelijk mee uit te scheiden.... Jammer dat hij toch maar niet

wat anders gevraagd had. Hij zei nu alleen nog: "God, kerel!... ik

twijfelde waarachtig aan niets.... Het kwam alleen maar even in me op,

van-avond, je daar zoo 's op den man af naar te vragen.... Als broer mag

dat toch wel, niet waar?.... Als jij er niet op terug gekomen was, had

ik er niet over gesproken...."

Dat was waar, Paul wist het. Toch had hij weer 't ellendige gevoel dat

zijn broer oprechter was geweest dan hij.... Ook dat kende hij van

vroeger.... Louis kon zoo gemakkelijk en brutaal oprecht zijn: hij niet,

hij had bijna altijd het bewustzijn dat hij onmogelijk precies kon

zeggen, wat hij dacht..., veel minder wat hij voelde....

* * * * *

Zij rookten en dronken wat, zwijgend. Er kwamen meer en meer menschen

binnen en Paul begon maar eens te vragen naar dezen en genen, dien hij

zag zitten: "Is dat niet die?..." Het was hem nu een aangename

gewaarwording dat de grog hem wat begon te benevelen en warm te maken;

hij kreeg er de neiging door alleen nog maar een beetje gekheid te

verkoopen, onzin te kletsen.... Eerst die wijn van-avond, en nu grog,

hij was er niet aan gewoon in den laatsten tijd.... Maar het was wel

lekker zoo, en gemakkelijk; hij wist, hij had altijd een vroolijken

dronk, en het was toch maar het eenige zich in een roes te brengen, zich

desnoods maar wat dronken te drinken, als hij dan wou blijven en

meedoen.... Hij nam nog een grog, ging er lui en behaaglijk bij zitten,

en langs z'n neus-weg moppen tappen, leuke verhalen doen, zoodat Louis

dacht: Wat een rare vent toch! maar hij vond hem zeer genietbaar zoo.

Er kwamen een paar vrinden van Louis binnen, die hij wenkte aan hun

tafel te komen en voorstelde aan Paul, die hen amicaal begroette. Eén

van hen kende hij van vroeger. Ook Jan de Boogh, de advocaat, kwam er

bij, en het werd een troepje luidruchtige heeren, dertigers allen. De

Boogh en de andere vrienden hadden blozende bon-vivant gezichten en

waren opvallend gekleed. Ze dronken veel, spraken over pikante

geschiedenissen--in één waarvan Louis betrokken scheen te zijn--ze

lachten schetterig om schuine moppen, maar "de bruigom" mocht daar niet

naar luisteren, zeiden ze.

Er was nog een andere reden waarom Paul zich maar liever een beetje

dronken maakte. Hij zou dan, meende hij, niet meer zoo voortdurend

denken aan Annie en de onrust van dien avond.... Want 't vervolgde hem

afmattend, het verwarrende zien-zitten van haar met dien in de toekomst

starenden blik.... Toch was het er telkens weer, in zijn verhitte

hoofd..., zelfs nog scherper dan zooeven op straat....

Toen ze eindelijk samen naar huis gingen, scheen Paul soms dwaze dingen

te zeggen, want Louis liep telkens te grinniken, hem van terzij

aankijkend; hij geloofde, zei hij, dat Paul er niet best meer tegen kon.

Maar toen hij in zijn kamer kwam--die sinds lang onbewoonde, kille

logeerkamer--waar het stil was en al de oude dingen in zoo'n

vreemd-eigen sfeer schenen te staan, toen werd hij weer in-eens heel

helder, verwonderlijk strak-helder....

Er was iets met hem gebeurd sinds hij van deze kamer was weggegaan....

Het was of al zijn denken was omgewoeld..., het vroeger onderste nu

boven.... Hij was veranderd.... Maar dit voelde hij ook.... 't Was beter

zich van dat alles nu geen rekenschap te geven....

Dus zei hij maar aldoor tot zich zelf: "je bent dronken, ga naar je

bed..., gauw ... slapen ... gauw ... morgen denken ... nu niet.... Maar

hij kon toch nog langen tijd den slaap niet vatten. Vreemd, hij was toch

zoo moe. Koortsig draaide hij zich om en om, zoekend vergeefs naar koele

plekjes voor zijn hoofd. En heel de dag herleefde weer in feller schijn;

al die gezichten; en telkens het hare..., het hare!...

De bruidstijd van Annie de Boogh · 第 9 / 20 题