De jodenjongen, het valies op zijn nek, liep telkens even op een
sukkeldrafje, met een benauwd-rood gezicht, snotterend en leep-oogend
naar Paul, die op de Wijnhaven, waar 't wat minder smerig was, nog
grooter stappen was gaan nemen, zijn lange, ietwat te magere beenen vlug
verplaatsend, zoodat het onderstuk van zijn dunne ulster, in
voortdurende slappe golving meeging. Hij was een slank-lange, bijna
spichtige gestalte, zooals hij daar liep door te stappen in 't
straten-beweeg, z'n handen in z'n zijzakken, een beetje voorover om te
zien waar hij zijn voeten zette, duwend den blonden puntbaard, die zijn
langwerpig gezicht nog langer schijnen deed, tusschen de lapellen van
zijn grijze jas.
Hij was nu geheel vervuld van warm-belangstellend denken aan hen die hij
ging ontmoeten, sterk voorvoelend, met nu en dan een beetje
tegen-op-zien, een lichte vrees voor teleurstelling, de aandoening van
het snel-naderend weerzien; hij stelde zich voor oogen waar zijn moeder
zitten, hoe zij kijken zou, hoe zijn broer zou binnenkomen; hij was
ineens bang dat ze niet thuis zouden zijn, misschien--uitgevraagd--wie
weet,--'t was al in de bruidsdagen,--morgen receptie--; hij was erg met
hen bezig. Toch zag hij ze ook wel, de stadsmenschen, de Rotterdamsche
gezichten die hem kruisten, en die bekende huizen van de Wijnhaven, waar
hij langs ging, de grauw-grijze of zwartig-roode huizen,--maar hij liet
zijn geest nog niet ingaan op de paden van herinnering waarheen zij
hem wenkten.... En ook het bruinende boomenloof zag hij en de booten en
schuiten die in de lengte langs de kade lagen, sommige dicht en stil,
andere in gerazende bedrijvigheid, van alle het recht-sprietige,
glans-bruine mastenhout beweegloos, de ruimte straf-doorstrepend,
dragend het warrelend netwerk, al de zacht-gebogene lijnen der
dof-zwartige touwen...; hij zag dat alles wel en hoorde de geluiden
schokken en roezen om zijn hoofd met een herkenning die was als een
weerklank, diep in zijn ziel; hij wist wel: Rotterdam, de
groot-benauwende herrie-stad stond weer om hem heen ... als vroeger
altijd..., maar er was nu niets anders dan die ontmoeting straks ...
zijn moeder ... zijn broer....
Hij liep de Wijnhaven heelemaal af, en aan het eind ging hij de brug
over, en ook de groote draaibrug, die de kaden verbond der druk-lijnige
Leuvehaven, waar de vele straat-en-haven-geluiden van alle kanten tegen
hem aan kwamen druischen, en recht-doorloopend door een breede straat,
zwart van modder, passeerde hij een langen stoet van sleeperskarren,
alle geladen met ijzeren staven, die er van achteren een eind overheen
hingen, de lucht rammeiend met hun daverend geschuur en gerammel. Hij
stak dwars den Schiedamschen dijk over. Daar scheen de herrie haar
hoogste punt te bereiken, want erger was niet denkbaar; de snerpende
klanken van een orgel gingen er in verloren, de huizen schenen mee te
doen in helsch gehuil en kattenmuziek. Er was juist een druk standje,
een zwarte opeenklomping van menschen; een magere knol voor een kar met
kisten was neergeploft in het slijk, werd nu weer opgerukt, en gezweept,
met harde vloeken en geschreeuw van hort! hu bonk!... Maar Paul liep
door, gejaagd snel, nu zelfs niet meer trachtend met z'n voeten uit het
stratenvuil te blijven, hij ging de zwarte, lugubere Baan voorbij, en
bereikte den Singel..., waar het in-eens veel lichter was, netjes en
stil; de huizen rustig, enkel woonhuizen, het water vlak en ongebruikt.
Hij werd er een oogenblik weldadig door aangedaan, en langs de
Singel-huizen gaand, over de geelgeboende klinkertjes van 't ruime
trottoir, begon hij wat meer oog voor zijn omgeving te krijgen. Hij
merkte nu ook het moeilijk achteraan draven van den jodenjongen, en nam
dadelijk zijn stappen wat korter.... Zijn vooruitvoelen en zich
verbeelden van de spoedige ontmoeting met zijn moeder en broer was in 't
gaan door de zenuwspannende straten-bedrijvigheid tot een vermoeiende
intensiteit gekomen; nu kon hij 't plotseling niet langer vasthouden;
het glipte weg, dadelijk vervangen door allerlei minder strakke
gedachtelijntjes, vluchtige scheutjes eerst van heugenis en
voorstelling, die zich in zijn erg bezige hersens snel verdrongen. Het
Singel-eind waar hij langs ging--hij proefde er nu al de vervelende
ordentelijkheid van--was vol herinneringen voor hem, en ze hadden bijna
alle een tint van triestigheid of weemoed, en sommige schrijnden even,
al lette hij daar haast niet op. Er waren er geen bij die hij met liefde
ontving en graag overdenken wou. Maar hij ontsnapte er niet aan. Hij had
hier als jongen gewoond. Hij passeerde al gauw het huis en keek het in
't voorbijgaan aan. 't Stond er nog net zoo, een baksteenen huis van
omstreeks '40, banaal en ideeloos van bouw, als al de andere hier in de
saai-stille bocht van den burgerlijk-netten Singel. 't Was of ze 'r nog
woonden...; de gordijnen, álles was nog net als vroeger.... Hij keek
naar den overkant..., och-god ja, die was er ook nog, die sombere rij
van vunzig-rommelige achterkanten-met-tuintjes van huizen aan de Baan,
het armelijk gedrongen staan der oude boomen, waaronder het hout in
vochtigheid rotte.... Daar lagen de molmige vlotjes nog in het drabbige,
stilstaande water.... Die lichtlooze overkant..., wat had hij er
dikwijls naar staan te staren, als hij zich zoo vreemd ongedurig en
ontevreden voelde--ofschoon hij toch juist zoo graag gelukkig en
tevreden geweest zou zijn, om mama plezier te doen die altijd zoo
vroolijk was en hem een ondankbaar, nukkig kind noemde, en vroeg hoe 't
toch kwam dat hij niet taalde naar al zijn mooie speelgoed..., hem later
verweet dat hij 't weer niet af had ... zijn schoolwerk.... Hij voelde
zich nog staan als gebonden aan het bewasemde raam, naast hem 't
vertrouwelijk-donkere overgordijn, en ergens achter hem op den grond de
kleine Louis, die altijd zoo aardig speelde, zich zoo bezig-houden
kon.... Hoe slecht, had hij zich dan gevoeld, 't zelf niet begrepen, dat
papa altijd zoo zacht voor hem bleef ... hem nooit iets verweet ...
papa....
In dat huis waren toen ook die vreeslijke dagen gekomen--storm-dagen met
grauwe kou--waar hij zoo dikwijls aan denken moest.... Negen jaar was
hij toen.... Papa was weer naar "het Zuiden" gegaan ... en, plotseling,
was hij daar gestorven..., heel onverwacht-gauw en plotsling ... vèr-weg
... en heel alleen.... Hij had het eerst niet willen gelooven,
herhalend, in huilend roepen, dat het niet waar was, dat het zoo in-eens
niet kon, zoodat ze 't hem eindlijk hadden moeten laten lezen in een
brief.... O! Hij wist het alles nog precies: hoe hij toen had liggen
huilen op den grond in de voorkamer, z'n gezicht in den voet van 't
gordijn, en 't gevoeld had als een vreeslijke wreedheid en schande, dat
zij met hun drieën daar maar geleefd hadden, en gelachen zeker ook wel,
terwijl z'n vader ver-weg, alleen, lag te sterven.... Hij had z'n moeder
niet durven aanzien, want die was de ergste...; waarom was ze niet
meegegaan?... en den vorigen dag nog had ze met tante Marie over papa
gefluisterd op een oneerbiedige manier.... Maar zelf had hij toch ook
veel schuld, want hij had immers zoo dikwijls in 't geheim verlangd, dat
er eens wat gebeuren zou, iets groots, iets waardoor alles anders worden
zou.... Daar was het nu!...
Een huivering door-kilde hem nog als hij daar aan dacht..., hoe toen de
geluiden klonken in huis, het dicht-doen van deuren, en hij herinnerde
zich den toon van licht in de kamer, toen de gelige rolgordijnen waren
neergelaten en neerbleven de volgende dagen, die vreemd-stille,
onwezenlijke dagen--als lange droomen--toen zijn moeder ook weg was, in
angstige haast vertrokken.... Hij was natuurlijk niet naar school
gegaan, maar had aldoor in de voorkamer gezeten, met zijn broertje. Erg
oud had hij zich gevoeld, een groote jongen, met oneindig meer begrip
dan die kleine, kinderachtige Louis, die al maar spelen en ravotten wou,
waar hij dan boos om werd, niet driftig boos, zooals wanneer hij werd
geplaagd, maar verdrietig-boos, omdat het zoo naar was dat Louis wou
gaan spelen.... "Papa is dood," had hij telkens ernstig en met groote
oogen tegen Louis gezegd, die er eindelijk bang van werd en ging huilen.
Toen was hij geschrokken, had hem naar zich toe getrokken en hem lang
over z'n hoofdje gestreeld, gezegd, dat Mama weer terug kwam--want Louis
hield meer van Mama--en verder al de lieve woordjes die hij wist,... tot
dat hij zelf ook weer was begonnen te huilen.
* * * * *
Snel als verschietende gezichten waren die half-onwillekeurige,
half-pieuze herinneringen Paul door het soezende hoofd gegaan, en hij
was er door gekomen in een stemming van grijzen weemoed, waaruit hij
zich niet dadelijk wist op te rukken, in deze omgeving, waar zooveel van
zijn kinderleed begraven lag.... 't Was laat op den middag; dampig in de
lucht; de wolken hoopten zich weer op ... en 't was hem of het
ziele-huis van vrede en stille aandacht, dat hij zich in de eenzaamheid
der laatste jaren had gesticht nu ook in een nattigen nevel stond, die
het zuivere licht daar binnen verdofte.... Velerlei leed-heugenis kwam
in hem op, met lullige scheuten, benauwend als voorgevoelens...; hij
wist niet dat dat alles nog zoo bloed-warm lag in zijn hart.... Hij ging
de Kortenaerstraat voorbij, waar "het hok" stond, de grauwe
"Hoogere-Burgerschool"...; zeven van zijn jonge jaren lagen daar
verschrompeld, verstikt onder den aanhoudenden druk van thema's,
vraagstukken, repetities, her-examens, taken, strafwerk, een
onomvatbare, vormlooze massa.... Waar was ze nu, al die knappigheid,
toen toch zoo bitter noodzakelijk?... Als droge stof op zijn levensweg,
verstrooid door den eersten storm van zijn passies.... Bijna niets van
't waarlijk noodige weten, waar hij zich levenskennis en levenskracht
uit gewonnen had, was tot hem gekomen in dat leelijke huis daar...,
niets dan de schoolsche geest der onverschillige meesters..., de
doodende africhting der burgerlijke maatschappij.... O! als hij er
toen, in zijn gevoeligheid, niet al te veel tegen opgezien had zijn
moeder dat verdriet te doen, dan was hij wel weggeloopen en dan had hij
zich niet terug laten dwingen naar dat duffe "hok".... Teekenen had hij
er ook geleerd..., twee uren in de week!... allerlei dooie dingen.... Of
hij al toonde veel meer te kunnen, dat gaf niets; doen als de
anderen..., en dan weer gauw, gauw aan de thema's en opstellen, de
eeuwige vraagstukken, algebraïsche, werktuigkundige....
Alleen 's Zondags....
In-eens steeg zijn gemijmer.... Een blanke lichtheid sloeg op naar zijn
hoofd.... Hij kwam nu op het dorpachtige Vasteland, weer sneller
stappende den kant van het Park op, en in de wijd-vlakkende ruimte
tusschen de lage huizen, voelde hij zich krachtig-deinend gaan, rechtop,
een moedig man die zijn weg neemt zonder aarzelen of omzien.... In één
aanzwellende juiching hadden zijn gedachten zich boven de triestigheid
uit geheven tot hoog in de sfeer van zijn trotsch
kunstenaars-bewustzijn....
Wat hij was, wat hij nog worden kon, die Zondagen in 't stil-alleen-zijn
op z'n kamertje, daarboven in de Westerstraat, waar zijn moeder nog
woonde, had hij 't voor 't eerst doorvoeld, geweten.... Hij proefde ze
weer die morgens en middagen, van koortsig zoeken en heerlijk
ontdekken..., hoogtijden!... Uit de verte vlamden ze als vuren in den
grauwen dagengang van zijn dor schoolbestaan.... Van toen af was het
begonnen!... En was hij niet groot-gelukkig en onoverwinlijk
geworden?... Wat kwam het er dan allemaal op aan, het geleden leed!...
Gelukkigen zijn niet bitter....
Vóór hem opende zich nu, onder de trage wolkenmassa, die scheen uit te
wademen naar de dampen van het groen, de laan naar 't Park.... De boomen
waren nog bijna niet aan 't dorren, ze waren nog donkerbladig, maar in
het verdoffend namiddaglicht dat al hun kruinen één deed schijnen hadden
ze iets ouds en vermoeids, iets wijs-weemoedigs.... Paul was er gaarne
onder door gegaan.... Juist als hij dat bruisend opjuichen in zich
voelde was 't hem zoet zich te stillen met lanenstemming, zacht als een
zegenende moederhand.... Maar 't kon nu niet, hij moest links af...,
door een wijde straat die langs de opene Zalmhaven voert....
Maar vreemd: midden in zijn triomfeerend denken, dat werd aangehouden
door het rythme van zijn veerkrachtigen tred..., terwijl nog zijn
verbeelding, in leed-vergeten vreugde, die verre Zondagen met het heden
verbond..., had die eene, maar half bewuste, gedachte, naar 't Park te
gaan, zijn ziel opnieuw doortrild met den weemoed van vergane smart; de
heugenis dier latere Rotterdamsche jaren, die op den schooltijd waren
gevolgd was er door wakker geroepen.... Die tijd, toen al de praktische
plannen, die zijn moeder en zijn oom met hem gehad hadden, in heftige
twisten waren stuk geslagen tegen den muur van verzet, door zijn
zelf-bewustzijn opgebouwd..., toen hij dan "schilder" was geworden en
het geringschattend schouderophalen, den hoonenden glimlach te verduren
gekregen had van alle menschen die hem lief geweest waren.... O, hij had
hun vergeven, hoogmoedig...; maar hoe dikwijls ook--hij wist het zelf
alleen--had hij zich gezegd dat ze gelijk hadden, was hij klein en
angstig geweest, de kunst iets ontzaglijks in hooge dreiging boven
hem.... Dan waren die dagen en nachten gekomen van diepe verslagenheid,
bijna wanhoop..., van twijfel aan zich zelf, hoog-ijlend door zijn
denkenszieke hoofd.... Hij wist nog zoo goed hoe 't geweest was dat
pijnlijk peinzend ronddwalen 's avonds door de mysterieuze laantjes van
het park-in-duister, langs de rivier, waar de kleine lichtjes
pinkten--maar ze gaven geen vertroosting--en door den armoedigen schemer
der buitenwijkstraten, langs steenen graven.... Dan afgetobd neerliggen
in onrustigen slaap vol vreemde droomen, en ontwaken met gevoel van zorg
en groote verantwoordelijkheid..., maar dan in-eens--waar kwam het toch
vandaan?--dat overstelpend aandringen van nieuwe scheppingskracht, van
vizioenen van werk, kunst-werk, dat hij aan kon, dat daar lag onder zijn
greep, waar hij maar aan te beginnen had.... En dan het werken zelf,
zijn lieve lust, het heerlijk verdiepte werken, het leven en innig
samen-zijn met zijn werk..., en alles in zich voelen groeien en gedijen,
de kracht, de liefde ... en het geduld....
Zóó gisteren nog, op de hei, toen 't licht fel neersloeg achter die
wolk....
Zijn gedachten dwaalden nu af, doorliepen allerlei gezichten en
ondervindingen van den laatsten tijd, en er waren figuren van menschen
tusschen..., 't geluid van hun stemmen...; hij dacht in-eens weer aan
dien jongen met het valies die een eind was achtergebleven, en liep
langzamer om zich in te doen halen...; en met één schok was toen zijn
denken weer terug bij 't nu bijna onmiddellijk weerzien van zijn
moeder.... Hij was er nu plotseling vlak bij...; dat gaf hem een lichte
beklemming in zijn borst en keel, een hevig opkomend verlangen naar de
warmte van de begroeting....
Hij sloeg den hoek om van de Westerstraat..., nu nog vijf of zes deuren
voorbij.... Hij stond voor het huis; hij voelde zich overvol van
verwachting; hij stond in tintelenden gloed van hartelijkheid voor de
menschen daar binnen; er kwam een waas voor zijn oogen toen hij den
vollen klank van de schel herkende.... Niemand voor de ramen van de
zijkamer.... O ja, 't valies, en dien jongen betalen.... Daar kwam hij
aan, zweetend, benauwd-rood....
Paul hoorde de deur opengaan toen hij den jongen z'n geld gaf.