I.

Daar waar de enorme blinde-muur van 't grauwe, zwaar-massieve

Beursgebouw schaduwt over 't ruime, kleurig-lichte plein, het woelige,

geluidenvolle centrum van het tramverkeer; tusschen het Spoorstation,

wanbouw van steen en roestig ijzer, der eeuwenoude havenstad brutale

hoon,--een duffe stank van stof en rook walmt altijd van onder de kap en

van uit de donkere, vervuilde ingangen; schok-rommelend stuwen de zwarte

treinen naar rechts en links over het lage, gedrukte, roetbesmeurde

viaduct, dat in z'n holige duisterheden vunze plassen en vuilnis

verbergt--, tusschen die vormlooze, troostlooze leelijkheid en 't

groot-vierkant van 't Postkantoor, officieel kantorig, banaal-net van

bouw, waar de deuren voor 't ingaand en uitgaand publiek al maar

kreunende open-zwiepen, dicht-zuigen en weer opengestooten worden...,

daar is het stads-hart, het kloppende, roepende hart van rustloos

Rotterdam. Want in een sjofele buurt tusschen de suffende huizen van een

verlaten en treurig misvormd plein sombert de Groote Kerk; het Museum

staat verscholen in de duisterende herrie van een nauwe straat vol

pakhuizen en zeemanskroegen; stil vegeteert de Schouwburg in een

nieuwerige wijk van burgermanswoningen en huishoudelijke winkeltjes....

Maar de zware adem van 't Beursgebouw gaat over 't breede vierkante

plein, waar de trammen bellen, de rijtuigen ratelen, de haastende

menschen gaan; het staat in de fleurige buurt der dure-winkelstraten,

de Blaak afsluitend, waar 't 's middags parade is van uitgedoste

koopmansvrouwen, leegloopers en gymnasiumheertjes; het is omringd van

restauraties en societeiten, sigarenzaakjes en bierhuizen, kiosken,

kranten-bureau's, het Postkantoor en het Spoorstation.

Iederen middag als de zware Beurs-deuren geopend worden en het

klokkenspel hoog in het koepeltorentje waarschuwend klingeltingelt in de

drukke oude stad--in de kantoren, de bier-, sigaren- en

koffiehuizen--dan komen de haastende handelsmenschen toeschieten van

links en rechts en hoopen zich op in donkere, rumoerige groepen. De

trammen bellen, de treinen bom-bomberen aan, 't gedaver van een stoet

log-zware sleeperskarren overstemt een tijd lang elk ander geluid. En de

groepen zwellen, van alle kanten komen de zwarte, bruine en grijze

heeren en half-heeren, staan te praten, lachen en rooken, en trekken bij

klompen het donkere Beursgebouw in. Van den Maaskant komen de meesten,

van de oude "Boompjes" en het nieuwe Feijenoord, van de havens en kaden,

maar ook van mindere kantoren die op bovenverdiepingen zijn in zwarte,

lugubere straten. Uit de koffiehuizen vlak bij en uit de verste hoeken

der naar alle windstreken om zich heen grijpende zakenstad; de

handelaars en de makelaars, de cargadoors en expediteurs, de reeders, de

bankiers, de handelsagenten, de commissionnairs, allen, állen komen ze

op de Beurs, want daar is hun leven, hun geluk, want daar is hun slag

te slaan. Daar is hét leven, het handelsleven, de culminatie van zaken

doen; koning-kapitaal houdt daar zijn hof, verdeelt daar zijn

gunsten.... Ze verdienen er hun brood en hun sigaren, hun biertjes en

dineetjes, hun vrouwen en kinderen, ál hun rijkdom, ál hun plezier. Ze

brengen er het belangrijkste, het meest intense van hun bestaan.

Sommigen moeten erg veel moeite doen, moeten vragen, aandringen, lastig

zijn, flikflooien, grijnslachen, schreeuwen, druk doen, zich opwinden,

maar anderen staan er, zonder gebaar, met een enkel woord uit hun

momplende monden vermogend te worden. Velen spelen er met helsche

vreugd, anderen lijden inwendig en geheim, doen wanhoops-coupen met

droge oogen en trekkende monden. De Beurs is een sombere hal, waar

mannenleven verteert in onedele passie; een moderne, on-bloedige arena,

zonder toeschouwers; stad-academie van slimmigheid en "handelsgeest,"

duivels-tempel der sjaggeraars.... Het hart van de zwoegende handelsstad

bonst er met zware slagen....

Dien middag, in 't laatst van September, was de atmosfeer op de Beurs

door de overvolte tot stinkens toe bedorven. Het was nog een zoele dag,

een laatste zomerdag. Maar die schrandere jonge zaken-man, Holman, van

Holman & Co., Louis van z'n voornaam, had daar niets geen last van. Hij

lachte, hij gloorde, hij droeg zijn succes op z'n bloeiend gezicht.

Z'n eene hand in z'n zak, stond hij, wat nonchalant van houding, toch

correct van gebaar in de woelige menigte. Hij was lang, hij moest zich

haast altijd een weinig voorover buigen als hij met iemand sprak.... En

de expediteur de Boogh, klein, oud heertje, die zijn schoonvader worden

zou, keek telkens naar hem om en grijnslachte dan van den weeromstuit;

zóó lag het uitbundig succes Louis Holman op 't gelaat. Het mannetje

wreef zich dan de handen, nerveus en snel, en verborg z'n lach in een

driftige hoestbui.... Toen de Beurs uitging, in 't gedrang bij de deur,

liep hij achter Louis, en hij kneep hem even in den arm en lachte

scheel-oogend op naar 't omkijkend hoofd van zijn aanstaanden

schoonzoon, die ook glimlachend knikte. Beiden gingen ze toen dadelijk

weer naar hun kantoren; dat van Louis was op de Spaansche kade; hij

stapte er haastig heen met zijn lange beenen, maar de oude heer stak,

pas voor pas, het Beursplein over, trachtend vergeefs naar eenige

waardigheid in z'n mal-parmantig figuur....

Veel anderen liepen de koffiehuizen binnen. Daar was het nu vol en

rumoerig. Op het plein de trammen, de vigilantes, de sleeperskarren en

zware wagens van de Hollandsche Spoor en Van Gend & Loos; en telkens,

dof-donderend, een trein, die stil bleef staan, daar boven op het

perron, met hijgend gesis. Dan een menschen-stroom uit de duisternis

tusschen de grauwe steengevaarten waar de rails op rusten.

Het had den heelen morgen geregend maar nu bleef het droog; in 't

middag-verloopen krompen de plassen, de modder achterlatend.

Tegen vijf uur kwam er een lange trein aan van over de Maas, een

sneltrein uit het Zuiden. De pakjesdragers schoten toe; een wolk van

stoom sloeg neer op het daverende plein....

* * * * *

Paul kwam uit dien trein. Hij had zijn valies in de hand, en op het

plankier bleef hij even staan, en tastte, gejaagd en met een nadenkend

gezicht, naar zijn biljet, eerst in de zakken van zijn lange overjas,

toen in die van het colbert, dat hij daaronder droeg, en in de zakjes

van zijn vest. Hij stond de menschen in den weg, die in wilden stappen,

zoodat ze zenuwachtige bewegingen maakten, en hij werd belemmerd door

zijn bagage. Hij voelde zich onhandig doen, als iemand die het reizen

niet gewoon is. Hij was suf en verward; hij had zitten soezen; de

aankomst had hem verrast.

Maar toen hij het kaartje gevonden had, helderde het blije bewustzijn,

dat hij nu aangekomen was, plotseling in hem op, en hij stapte naar den

uitgang in een prettig-verwachtende gejaagdheid, dadelijk scherp-kijkend

over de hoofden van de menschen, die voor hem liepen--hij was een zeer

lang jong man--of zijn broer er ook was om hem af te halen. Hij lette

niet op de aanbiedingen van witkielen die zijn valies wilden overnemen,

maar droeg het zware ding--een onhandig model--met zichtbare moeite

zelf, één en al aandacht voor de wachtende menschen achter het hek....

Maar er stonden alleen een paar oude juffrouwen en een opgeschoten

jongen met een onverschillig gezicht; niet zijn broer....

In een leegte van lichte teleurstelling en ontnuchtering reikte hij toen

zijn kaartje over, en zijn groote reiszak krachtig optrekkend vóór-langs

zijn linkerbeen kwam hij er langzaam de breede, molmig-houten trap mee

af.

Beneden belandde hij dadelijk in een beweeglijk kringetje slampampers,

die allen met uitgestrekte armen naar zijn valies wezen, hem met ernstig

waarschuwende gezichten toekrijschend: "Dragen, meneer! Weg wijzen,

meneer!" ... en nu gaf hij het lastige ding aan den-eersten-den-besten,

een jodenjongen, dien hij zei van maar gauw mee te loopen. Het hooren

van z'n stem, wat schril-schor door 't lange zwijgen, verscherpte nog

zijn ontnuchtering, hij merkte nu pas hoe diep-verloren in soezerij hij

was geweest.... Gek!... 't was of hij had zitten slapen....

Langzaam, zijn jas recht-trekkend en dicht-knoopend kwam hij het sombere

viaduct onderuit, keek even, als uit gewoonte, naar de lucht..., stak

toen met groote stappen het beplaste plein over, schuin, den kant van de

Wijnhaven op. Er hing een nattige atmosfeer, en 't scheen wel of 't

namiddaglicht al kwijnde, schoon 't nog nauwelijks vijf uur was. Op 't

plein was luid geraas, geratel van rijtuigen en tram-gebel, terwijl de

trein nog boven stond en stoom uitliet, scherp sissende. Paul merkte dat

hij goed moest kijken waar hij liep, als hij snel wou voortkomen over de

vettig bemodderde straat.... Hij herkende zijn geboortestad ... hij was

nu wel heelemaal wakker, helder....

Hij had een halven dag reizen achter den rug, en hij was er niet aan

gewoon in den laatsten tijd.... Dat was vroeger heel anders geweest;

toen had hij veel van reizen gehouden, er druk aan gedaan; in

Duitschland, Frankrijk, Italië en Spanje had hij omgezworven, en in

Engeland langen tijd.... Maar sedert twee jaar woonde en werkte hij

rustig op een klein, afgelegen dorpje in 't zuiden van Brabant. Hij kwam

in Rotterdam alleen als hij behoefte had zijn moeder weer eens te zien,

of als er iets bizonders was, zooals nu, daar zijn broer ging trouwen.

Nu hij weer helder-bij-de-zaak was, verwonderde 't hem volstrekt niet

meer, dat zijn broer niet aan den trein was gekomen. Louis had het toch

altijd al zoo druk, en dan nu ... als bruigom.... 't Was inderdaad meer

dan begrijpelijk. Hij had dan ook alleen in de laatste uren van zijn

treinreis, terwijl hij, zijn hoofd achterover, moe van kijken, de

naderende ontmoetingen lag te bemijmeren, weldadig-ontroerd door 't

stijgende gevoel van hartelijkheid voor zijn moeder, zijn broer en diens

bruid--hij kende haar nog niet--, soms ook wat zenuwachtig verward door

de snelheid der nadering, die hij in-eens als te gejaagd, te driftig was

gaan voelen,--alleen in die laatste uren van warm gesoes had hij de vage

verwachting in zich ontdekt, zijn broer bij zijn aankomst dadelijk vóór

zich te zullen zien. Want het grootste deel van zijn reis, terwijl hij

aldoor nog tijd in overvloed, een lange leegte van werkloos-zijn voor

zich wist, had hij meer aan zijn eigen daaglijksche dingen gedacht, en

aan de reis zelf, dan aan het doel, of hij had aandachtig zitten kijken

door de raampjes van de stoomtram eerst, en later van de treincoupé,

naar de landen en boomen en beesten, frisch van kleur en helder omlijnd

in 't licht van den vroeggekomen herfst, naar de luchten vooral, het

eeuwig wisselende hemelschouwspel, waar hij nooit genoeg naar kijken kon

en van genieten, de wijde luchten, die hij zich gewend had altijd om en

boven zich te voelen als een blijvende wijkplaats van vertroosting, als

een nooit hem verlatend teeken van het groote schoone dat onzegbaar is,

maar alom tegenwoordig en zoo zeker te weten.... Hij had zich gewend in

de kleinste hut de oneindige ruimten om zich heen te voelen; de sterren

te zien schijnen door de zoldering van zijn slaapkamer.... Paul was

schilder. Niet vanzelf had hij dat zóó zien van de luchten bereikt, ook

niet vroeger in de stad, en nog niet volkomen op zijn verre reizen.

Werkend, alleen, op de hei of tusschen de moerassen, dag aan dag alleen

in 't ongebroken licht der peillooze ruimten had hij zijn hemel

gevonden.... Zoo was hij zeer gehecht geworden aan ruimte en

eenzaamheid, kon hij niet goed meer lang in een stad blijven, kwam hij

naar Rotterdam alleen maar, als het noodig was, of als hij zijn moeder

en eenigen broer eens weerzien wou.... En ook aan het mooi van de boomen

en de hobbelige hei, den weemoed van moerassen, van doorploegden grond

en hutten van arme menschen was hij innig gehecht,--hij die de paleizen

van Italië gezien had en verrukt was geweest door de kleuren van het

moorsche Spanje.

* * * * *

Hij woonde daar op zijn dorp bij den veearts in, een oud en rustig man.

Die had hem ook 's morgens op zijn karretje meegenomen naar het naaste

tramstation, en daar de tram toch nog vooreerst niet kwam waren ze samen

bij de zieke koe geweest. Het had hem gespeten dat hij daar weg moest;

hij zou er ook bepaald teruggaan. Bij 'n vreemd verdoolde groep van

denneboomen stond eenzaam, stil, in zwakke schaduwflarden van dat beetje

dennenloof, de armoedige boerenwoning, en achter, in een half-vervallen

stal, daar lag de koe, de eenige, erg ziek en mager. Hij was daar mee

naar binnen gegaan, had zich meegebogen over het lam-liggende beest in

den schemer van dien stal, de arts naast hem aldoor mompelsprekend

bemoedigende woorden tegen de boerin. Er was een warmig duffe lucht van

bedorven hooi en in de wijde deuropening tegen de verre wittig-zilveren

licht-horizon de gebogen figuur der oude vrouw, die kleintjes klaagde,

zonder verwijt.... Nu wou hij alleen maar schilderen dien stal, in

donkre en zware lijnen, en dan dat verre licht...; maar de klacht van de

oude boerin zou er toch in zijn....

Och God, dat arme wijf!... Hij had haar alles gegeven wat hij missen kon

van zijn reisgeld, en, op weg naar de tram--alleen nu, de veearts moest

verder--had hij loopen mijmeren, over het mooie van berusting, over

vrede in droefheid.... Toen de stoomtram eindelijk kwam, veel verlaat,

had hij nog bijna zijn valies laten staan, was hij half vergeten waar

hij eigenlijk heen ging....

Anderhalf uur in de tram en toen weer wachten. Dit was vervelend wachten

geweest, aan een station, ontstemmend leelijk van het perron af niets te

zien dan grijze loodsen en viezige goederenwagens die, volgeladen en

bepakt, hulpeloos staan bleven tot ze weer een eindje verder gezeuld

zouden worden; de wachtkamer onbewoonbaar van ziellooze hardheid, hol en

kil, en de koffie erbarmelijk. Paul had er de sneden brood zitten eten

die de juffrouw in de zakken van zijn jas had gestopt, en hij had, daar

voor 't eerst, getracht zich wat te stemmen door te denken aan dat

bruidje van zijn broer, zijn aanstaande schoonzuster, die hij nog

heelemaal niet gezien had. Hij had nooit een zuster gehad. Het zou dus

een gloed-nieuwe sensatie zijn. Wèl iets bizonders, als je zoo lang in

je gedachten met je drieën geweest bent, in-eens zoo'n jonge vrouw er

bij, intiem er bij behoorend, terwijl je ze vroeger zelfs nooit hebt

gekend.... 't Moest een mooi meisje zijn, dat had zijn broer tenminste

geschreven; hij had ook een photographie gestuurd, maar daar kon je zoo

weinig van op aan. 't Leek een ernstig, regelmatig gezichtje, nadenkende

oogen, een smalle, rechte neus..., maar de mond, wat zie je op een photo

van den mond, en van de oogen eigenlijk ook, en het haar!... Paul had

zijn best gedaan zich maar heelemaal geen voorstelling te maken van dat

meisje, dat zoo in-eens zijn zuster zijn zou, hij had zich alleen maar

bezig gehouden met dat idee, licht enerveerend van frissche nieuwheid,

zoo dadelijk met een mooie, jonge vrouw in natuurlijk-vertrouwlijke

vriendschap te zullen zijn.... Echte intimiteit zou 't misschien wel

niet worden, want--die gedachte schrijnde--met zijn broer was hij

eigenlijk ook niet erg intiem.... Toch hield hij zoo veel van hem....

't Was ook zoo ál wat hij had, zijn moeder en zijn broer.... Nu zij er

bij....

Maar plotseling was de trein gekomen, snel stoppend, met luid geraas,

met de geaffaireerde rumoerigheid, de brutale drukte van een heerigen

handelsreiziger in de provincie--, had hij vlug in moeten stappen en

zijn reis verder onafgebroken voortgezet, ijlend in stampenden treingang

langs de Brabantsche bosschen, heiden, velden en plassen, langs de

dorpen en stedekens, waar de kathedralentorens trotsch-hoogboven-uit

staan; toen langs het gewemel van 't ijzeren hekwerk der

spoorwegbruggen, dwars over de wijde rivieren, breed als meren,

glinstrend van licht--, langs prachtig Dordrecht en de statig omlaande

welige weilanden van IJselmonde, totdat de trein begon aan te daveren

over de bruggen en havenwerken der groote, grauwe stad met den plomp

vierkanten toren, totdat hij de straten onder zich zag,

droeve doolgangen van zijn jeugd, van zijn herinnering nu....

De bruidstijd van Annie de Boogh · 第 5 / 20 题