Koning Richard II vormt met de beide deelen van K. Hendrik IV en met
K. Hendrik V het viertal stukken, waarin de verheffing van het huis
van Lancaster geschilderd wordt. Reeds vroeger had Shakespeare (zie
de Epiloog van K. Hendrik V) in een ander viertal: de drie deelen
van K. Hendrik VI en K. Richard III, het verval van dat huis, zijn
verdringing door dat van York en den ondergang van dit laatste ten
tooneele gevoerd.
Edward III, die door zijn overwinningen in Frankrijk, hoe spoedig
de veroveringen ook te loor gingen, den roem der Engelsche wapenen
hoog had opgevoerd, zag zijn oudsten zoon, Edward, prins van Wales,
den overwinnaar van Crecy (1346) en onder den naam van "de Zwarte
Prins" een der beroemdste ridders van zijn tijd, ten grave dalen,
stierf zelf een jaar later, in 1377, en werd opgevolgd door den
zoon van den Zwarten Prins, den elfjarigen Richard II. Gedurende de
minderjarigheid des Konings voerde vooral zijn oom Jan van Gent,--naar
zijn geboorteplaats zoo genoemd,--Hertog van Lancaster, de oudste
der overgebleven zonen van Edward III, de teugels van het bewind,
een wakker vorst, tevens begunstiger van den grooten dichter Chaucer
en den reformator Wycliffe, doch niet zoo vrij van eerzucht, als de
dichter hem in dit stuk geteekend heeft. Reeds vroegtijdig maakte
de jonge koning zich vrij van den invloed zijner ooms; de oudste,
Jan van Gent, en de derde of jongste, Thomas, hertog van Gloster,
werden door hem gewantrouwd, terwijl de tweede, Edmund, hertog van
York, een goedmoedig man, wel op beteren voet met hem stond, maar hem
weinig kon leiden. Lichtzinnig en verzot op vermaken, luisterde Richard
gaarne naar zijn jeugdige gunstelingen, die zijn neiging tot weelde
en verkwisting voedden; zij werden met eer en rijkdommen door hem
overladen, tot groote ergernis van het parlement, zoodat er telkens
over nieuwe geldheffingen getwist werd. Hard en onbillijk jegens
zijn tegenstrevers, gaf hij steeds blijken van groote gehechtheid aan
zijn vrienden en begon weldra in den haat, dien deze zich op den hals
haalden, te deelen. Wel had hij, nog weinig meer dan knaap, bij den
geduchten opstand van Wat Tyler grooten persoonlijken moed betoond,
maar hij bleek toch geen krijgshaftig vorst te zijn en het gelukte
hem niet, de nederlagen af te wenden, die Franschen en Schotten aan
de Engelsche wapenen toebrachten. De ontevredenheid over zijn bewind
nam steeds toe, en hijzelf werd door den weerstand, dien hij bij
zijn streven naar uitbreiding der koningsmacht telkens ondervond,
van misnoegen op den hoogen adel en van wantrouwen jegens zijn ooms
Jan van Gent en Thomas van Gloster vervuld.
Het was eindelijk zoo ver gekomen, dat de misnoegde adel, aangevoerd
door den Hertog van Gloster en in verbond met de Gemeenten, den
koning met de wapenen in de hand dwong, een door het parlement
benoemden rijksraad te erkennen, die met uitgebreide volmacht alle
uitgaven naging en ook verder groot gezag had. Nadat een poging
tot verzet mislukt was, moest de koning zijn gunstelingen aan de
bloedige wraak van het parlement prijsgeven; de hertog van Gloster
was machtiger dan de koning. Bij dezen strijd waren voor het eerst
Hendrik Bolingbroke, oudste zoon van Jan van Gent, alsmede Thomas
Mowbray, graaf van Nottingham, op den voorgrond getreden, en wel aan
de zijde der ontevredenen.
Richard had zich, wel is waar, moeten onderwerpen, maar was niet
gezind, deze ondergeschikte rol te blijven spelen; hij streefde naar
het herstel zijner volle koninklijke macht en dorstte naar wraak
op hen, wien hij zijn vrienden had moeten opofferen, en vooral op
Gloster. Om dezen des te zekerder te treffen, verzoende hij zich met
zijn twee oudere ooms. De hertog van York werd gewonnen door zijn
zoon Edward, die Richards zijde hield en tot Graaf van Rutland benoemd
werd. De hertog van Lancaster, Jan van Gent, werd met genadebewijzen
overstelpt; hij had jarenlang omgang gehad met de dochter van een
Henegouwer ridder, Catharina Swijnford; nadat des hertogs tweede
gemalin, Constance van Castilië, gestorven was, werden in 1397 de
kinderen, uit zijn verbintenis met Catharina gesproten, die den naam
van Beaufort droegen, geheel met echte kinderen gelijk gesteld, als
echt en in het bezit van alle rechten, ook troonrechten, erkend [1];
zijn zoon Bolingbroke, graaf van Derby, werd eveneens gewonnen. Evenzoo
koos Thomas Mowbray de zijde des konings en verwierf weldra Richards
volle vertrouwen. Met Frankrijk werd een verzoening getroffen; na den
dood van Richards diep betreurde eerste gemalin in 1394, hield hij om
de hand van de jeugdige dochter, Isabella, van Koning Karel IV aan;
zij werd in Jan. 1397 te Westminster gekroond, een huwelijk, dat
veel ontevredenheid wekte. Na langdurige voorbereiding werd, in Juli
1397, de stoute slag geslagen. Gloster en zijn voornaamste vrienden
werden plotseling in hechtenis genomen. De eerstgenoemde werd naar
Calais gevoerd, waar Mowbray het bevel voerde; hij stierf er in de
gevangenis, juist toen hij, van hoogverraad beschuldigd, weder naar
Engeland moest gevoerd worden; het zeggen was, dat hij door dienaars
van Mowbray en Rutland onder veeren bedden gestikt was. Er werd een
parlement bijeengeroepen, waarin 's konings aanhangers de meerderheid
hadden en dat omgeven was door een groote lijfwacht des konings, van
wel een paar duizend boogschutters. Het herriep de vroeger genomen
besluiten, die de macht des konings aan banden legden, verscherpte
de wetten tegen hoogverraad en maakte, door toegestane gelden, den
koning onafhankelijker dan ooit. Drie van de eerste pairs des lands:
de Graaf van Arundel, de Graaf van Warwick en de Aartsbisschop
van Canterbury, Thomas Arundel, werden bij het huis der Lords van
hoogverraad aangeklaagd; de eerste werd ter dood, de tweede tot
levenslange gevangenschap, de derde tot ballingschap veroordeeld.
Tot deze geweldige maatregelen hadden de naaste verwanten des
konings: Jan van Gent, de Hertog van York, Bolingbroke en Rutland,
alsmede de edelen, de prelaten en de gemeenten hun toestemming
gegeven. Belooningen bleven niet uit: Bolingbroke werd hertog van
Hereford, en Rutland van Aumerle (Albemarle); de twee stiefbroeders
van Richard [2], Thomas van Holland, Graaf van Kent, en John van
Holland, Graaf van Huntingdon, werden Hertogen van Surrey en van
Exeter; Thomas Mowbray, Graaf van Nottingham, werd verheven tot
Hertog van Norfolk; John Beaufort, graaf van Somerset, tot Markies
van Dorset; Thomas le Despenser tot Graaf van Gloster; Ralf Nevil
tot Graaf van Westmoreland; Thomas Percy tot Graaf van Worcester;
William Scroop tot Graaf van Wiltshire. Al deze verheffingen hadden
plaats op St.-Michielsdag van het jaar 1397, met groote plechtigheid;
de koning gespte den nieuwbenoemden een zwaard om, zette hun den hoed
op het hoofd en ontving hun hulde.
Men zal de bovenstaande namen, op een enkelen na, in de stukken van
Shakespeare terugvinden, daarom zijn zij hier volledig opgegeven
[3]. Voor het gemakkelijk volgen der koningsstukken is het verder
noodig met de verwantschap der personen bekend te zijn; daartoe vindt
men in dit deel een geslachtslijst, die omtrent al de vorstelijke
personen, die optreden of genoemd worden, de noodige inlichtingen
geeft. Nevil en Percy, boven genoemd, behoorden tot twee zeer machtige
adellijke geslachten van Noord-Engeland.
Het stuk van Shakespeare begint, nadat de bovenvermelde gebeurtenissen
hebben plaats gehad.--Het was gebleken, dat de koning de eens hem
aangedane beleedigingen niet lichtelijk vergat, met verholen wrok
listige aanslagen kon smeden en niet voor geweldige maatregelen
terugdeinsde. Geen wonder, dat vroegere tegenstanders, schoon thans
in gunst en met rangverhooging voor gedane diensten beloond, niet
allen voor de toekomst gerust waren; en het laat zich begrijpen,
dat de nieuwe hertog van Norfolk, Thomas Mowbray, geenszins zonder
bezorgdheid was; ook hem kon des konings wraak bereiken. In hetzelfde
geval bevond zich Bolingbroke, thans hertog van Hereford. Beiden
ontmoetten elkander eens op den weg naar Londen en Norfolk gaf zijn
gemoed lucht. Dit gesprek werd, naar men zegt, door Hereford den
koning overgebracht. Norfolk loochende Hereford's beweringen, en
het gerechtelijk tweegevecht zou te Coventry plaats vinden. Alles
geschiedde zooals het in het stuk wordt voorgesteld; de strijd
werd door den koning op het oogenblik, dat hij beginnen zou,
tegengehouden. Na een paar uur beraadslagens werd door den koning
zijn besluit kenbaar gemaakt. Norfolk, die bovendien was aangeklaagd
van verduistering van gelden, werd levenslang verbannen en stierf
reeds in 1399 te Venetië, naar bericht wordt van hartzeer; Hereford
werd, zonder dat hem schuld ten laste werd gelegd, voor tien jaren
verbannen. Hij was den koning verdacht; hij was schrander, ondernemend,
eerzuchtig en bij het volk, dat hem plechtig uitgeleide deed, hoog
in aanzien. Hij was inderdaad wel als gevaarlijk te beschouwen, maar
de koning deed het zijne, om hem nog gevaarlijker te maken.--Richard
gaf, thans met groote macht bekleed, aan zijn neiging tot gewelddadig
heerschen gehoor, legde vroegeren tegenstanders zware boeten op,
verschafte zich gelden door afpersing en verspilde ze door een uiterst
weelderige hofhouding. Zeer velen waren ongerust en ontevreden. De adel
duchtte steeds, wegens vroegere daden voor hoogverraad terechtgesteld
te worden, de geestelijkheid klaagde over het niet bedwongen woelen der
Wycliffieten of Lollarden en over de voortdurende ballingschap van haar
prelaat, het volk over de zware belastingen en de geldafpersingen. Wat
van den koning te duchten was, bleek bij den dood, in 1399, van Jan
van Gent. Tegen de belofte in, door Richard aan Bolingbroke gedaan,
dat deze tijdens zijn ballingschap erfenissen, die hem toevielen, door
gemachtigden zou mogen aanvaarden en beheeren, trok de koning, hoewel
zijn oom, de Hertog van York, protesteerde, de nalatenschap aan zich.
In hetzelfde jaar, 1399, werd de stadhouder van Ierland, Roger
Mortimer, Graaf van March, neef des konings en door dezen als
vermoedelijk troonopvolger erkend, door de Ieren overvallen en
gedood. Richard besloot te kwader ure zelf naar Ierland over te steken,
om den opstand te dempen en den dood des stadhouders te wreken; hij
lette niet op de ontevredenheid in Engeland en liet er den zwakken
hertog van York als regent achter. Zijn veldtocht in Ierland was
ongelukkig en hij was verplicht terug te trekken. In Engeland was
zijn afwezigheid hem noodlottig. Bolingbroke was met een handvol
volks te Ravenspurg geland, zoo het heette alleen om zijn erfenis op
te vorderen. Misschien was dit zoo, maar de gang der gebeurtenissen
was hem gunstig en dreef hem weldra, naar meer te staan. De groote
adellijke geslachten van het noorden, de Nevils en de Percy's,
verklaarden zich vóór hem, Londen evenzeer; de regent zelf, zijn
oom York, overrompeld en onmachtig, maakte vrede met hem; Bristol,
de wijkplaats van 's konings gunstelingen, opende hem de poorten;
overal, waar hij kwam, stroomden adel en volk hem te gemoet. Van den
koning daarentegen, die van Ierland weldra terugkeerde, verliep het
leger, zoodra het Engeland betrad; slechts weinige grooten, zooals
zijn stiefbroeders Exeter en Surrey, alsook John Montague, graaf van
Salisbury, bleven hem getrouw; zijn voornaamste gunstelingen, Bushy,
Green, Wiltshire, waren in Bristol den opstandelingen in handen
gevallen en terechtgesteld. Het einde kwam spoedig; Richards zaak
was bij zijn aankomst reeds verloren; hij vond nog een toevlucht in
het slot Conway, maar werd weldra door den graaf van Northumberland,
die hem onderhandelingen voorspiegelde, naar Flintburg gelokt. Daar
had Richard zijn eerste samenkomst met Bolingbroke, die, schoon met
veel schijnbaar eerbetoon, hem als zijn gevangene behandelde en hem
aankondigde, dat hij gekomen was, om hem het verwaarloosde rijk te
helpen regeeren. Bolingbroke trok als een overwinnaar Londen binnen; de
koning, die op een klein paard volgde, werd door het volk gehoond; hij
werd in den Tower gehuisvest. Daar greep het treffend tooneel plaats,
dat Shakespeare in de parlementszaal te Westminster laat spelen. In
tegenwoordigheid van een groote deputatie en van Bolingbroke moest de
vorst de door zijn vijanden opgestelde oorkonde van zijn troonsafstand
voorlezen, waarin hij zich voor onwaardig verklaarde, langer de kroon
te dragen. Den volgenden dag werd de oorkonde onder een geweldigen
toevloed van volk in het vereenigde Parlement voorgelezen en daarna
door de pairs des konings afzetting uitgesproken; slechts één man,
de Bisschop van Carlisle, waagde, naar men zegt, te protesteeren,
maar geheel tevergeefs; éénstemmig erkenden de standen den Hertog
van Lancaster als koning.
Dat zulk een groote omwenteling hiermede nog niet voldongen en
de rust nog niet verzekerd was, laat zich denken. De vrienden des
onttroonden konings, door de wraak der overwinnende partij bedreigd,
gaven de hoop niet dadelijk op, om voor Richard en zichzelf de
verloren macht weder te veroveren. Reeds in het eerste Parlement,
toen het vonnis tegen den in de gevangenis gestorven hertog van
Gloster aan een revisie werd onderworpen, barstte de wederzijdsche
verbittering los. In een zitting van het Hoogerhuis werd de Hertog van
Aumerle,--nu weder tot Graaf van Rutland gedegradeerd,--openlijk door
Lord Fitzwater uitgedaagd, anderen mengden zich in den twist en meer
dan veertig uitdagingen volgden in die zelfde zitting. Bolingbroke,
nu Hendrik IV, kon zijn troon niet wel stevig bevestigd rekenen,
zoolang Richard nog leefde. Wel was deze door het hof der pairs tot
levenslange, geheime gevangenschap veroordeeld en door Hendrik naar
het slot Pomfret of Pontrefact in Yorkshire gevoerd, maar dat Richards
leven hem met gevaar bedreigde, zou Hendrik maar al te schielijk
bespeuren. De machtige abt van Westminster had met Aumerle, Surrey,
Exeter, den Bisschop van Carlisle en anderen een aanslag ontworpen
op zijn leven; een groot tornooi zou te Oxford gehouden, de koning
daartoe uitgenoodigd en tijdens het feest verslagen worden. Het
complot werd nog bijtijds ontdekt; de samengezworenen werden gevat en
bijna allen gedood; Aumerle (Rutland) bleef gespaard, daar zijn vader
van de zaak kennis gekregen en hem tegengehouden had. Weinige weken
later werd het gerucht verbreid, dat koning Richard gestorven was;
bij onderzoek bleek dit juist te zijn en eenige dagen later werd het
lijk in plechtigen optocht naar Londen gebracht en in de Paulskerk met
ontbloot gelaat ten toon gelegd. Hendrik woonde den lijkdienst bij,
maar dit kon hem niet vrijwaren tegen de verdenking, dat Richards dood,
die hem zoo wel gelegen kwam, zijn eigen werk was. De vijanden van het
huis Lancaster beschuldigden hem van den moord. Volgens sommigen zou
hij zijn gevangene hebben laten verhongeren, volgens anderen had Sir
Peter Exton, op zijn wensch of bevel, koning Richard verslagen. Anderen
verhaalden daarentegen, dat Richard zelf geweigerd had voedsel tot
zich te nemen. Er waren er echter ook, die beweerden, dat het naar
Londen gevoerde lijk niet dat van Richard was, maar van een priester,
die aan de laatste samenzwering deel had genomen, en dat Richard zelf,
uit zijn kerker ontkomen, in Schotland de gelegenheid afwachtte,
om zijn rechten op den troon te doen gelden.
Uit dit beknopt historisch overzicht kan blijken, dat Shakespeare zich
inderdaad zeer nauwkeurig aan de geschiedenis heeft gehouden. Zijn bron
voor dit en de volgende historiestukken was de Hystory of England, van
Holinshed, onder de regeering van koningin Elizabeth geschreven, een
inderdaad opmerkelijke kroniek. Verscheiden uitgaven van Shakespeare,
b.v. die van Delius en die van Charles Knight,--ik bedoel de Imperial
Edition, uitgegeven bij Virtue and Co.--bevatten de gedeelten, die aan
Shakespeare stof voor zijn stuk leverden, de laatstgenoemde bovendien
nog gedeelten uit oudere geschiedschrijvers, waar Holinshed uit
putte. De levendige voorstelling, die Holinshed van de gebeurtenissen
geeft, en de talrijke bijzonderheden, die hij mededeelt, maakten hem
bijzonder geschikt, om den dichter de bouwstoffen voor zijn kunstwerk
te leveren. Zoo wordt, om één voorbeeld te noemen, het tweegevecht van
Bolingbroke en Norfolk te Coventry zeer uitvoerig en aanschouwelijk
voorgesteld en de personen worden sprekend ingevoerd. In de verdere
aanteekeningen zal hier en daar van Holinshed gewag worden gemaakt.
"Koning Richard de Tweede" is ongetwijfeld kort na Koning Jan
geschreven, waarschijnlijk omstreeks 1596. Nadat het stuk gespeeld
was, werd het in 1597 en in 1598 uitgegeven; eerst de druk van
1598 vermeldt "William Shakespeare" als schrijver. In deze beide
drukken ontbreken reg. 154-318 van het vierde bedrijf; onder koningin
Elizabeth mocht namelijk het tooneel van 's konings onttroning nòch
gedrukt nòch gespeeld worden; eerst onder Jacobus I was hiertegen
geen bezwaar. Daarom komt dit tooneel wel in den druk van 1608 voor,
als ook in dien van 1615; evenzoo in de daarop volgende folio-uitgave
van al de dramatische werken, van 1623. Dat het van den beginne af
een deel van het stuk uitmaakte, behoeft geen betoog.--Behalve de
folio-uitgave mogen al de andere drukken onrechtmatig genoemd worden,
daar de tekst door slinksche middelen moet verkregen zijn. Trouwens
dit geldt van alle afzonderlijke uitgaven van Shakespeare's stukken,
die voor 1623 het licht zagen.
Het viertal drukken van den Richard II, in een tijd verschenen, dat
het lezend publiek zeker niet groot was, doet zien, welk een opgang
dit stuk maakte en hoe lang het in trek was. Dergelijke onderwerpen
vielen zeer in den smaak: er bestonden ten minste nog twee andere
tooneelstukken, die de geschiedenis van Richard II behandelden. Beide
zijn verloren gegaan. In het eerste kwam de afzetting voor, maar
zeker in meer revolutionnairen geest dan in Sh.'s stuk, want het werd
geschikt geacht, om de gemoederen op te ruien. Een partijganger van
Essex wilde het namelijk daartoe laten spelen op den dag, voordat
diens opstand moest uitbreken (1601). Hij moest toen, omdat het stuk
geen volk meer trok, aan den schouwburgbestuurder veertig schellingen
betalen.--Het andere stuk werd in 1611 in Shakespeare's schouwburg
"de Globe" gegeven. Dit blijkt uit het dagboek van zekeren Dr. Simon
Forman, die het er 30 April van dat jaar zag opvoeren. Het schijnt
ongeveer het geheele leven van Richard II omvat te hebben, daar zoowel
Wat Tyler's als Gloster's opstand er in voorkwamen, alsmede de listen
van den Hertog van Lancaster, "die heimelijk allerlei schurkerij
pleegde, om allen tegen elkander op te hitsen en den adel tegen den
koning in opstand te brengen, door welke middelen hij zijn eigen zoon,
Hendrik Bolingbroke, tot koning maakte".
I. 1. 1. Eerwaarde Lancaster. Shakespeare doet Jan van Gent
ouder voorkomen dan hij was: "Old John of Gaunt, time-honoured
Lancaster." Hij was op den hier bedoelden tijd pas 58 jaar oud.
I. 1. 40. Te goed daarvoor. Door uw hooge afkomst te goed om verrader
te zijn.
I. 1. 88. Achtduizend nobels. Een nobel of rozenobel was 6 schellingen
8 stuivers waard. Norfolk was bevelhebber te Calais en zou 8000 nobels,
die hij voor het krijgsvolk ontvangen had, niet uitbetaald hebben. Deze
en de volgende beschuldigingen zijn bij Holinshed te vinden.