ZESDE TOONEEL.

Windsor. Een vertrek in het kasteel.

Trompetgeschal. Bolingbroke en York, met Lords en Gevolg komen op.

BOLINGBROKE. Mijn waarde oom York, het

nieuwste, dat wij hoorden,

Is, dat door de oproerlingen Cicester

In Glostershire in de asch gelegd is. Maar

Of zij geslagen of gevangen werden,

Bleef me onbekend.

(Northumberland komt op.)

Wees welkom, Lord! wat nieuws?

NORTHUMBERLAND. Mijn nieuws, heer, is, dat ik naar Londen zond--

Ja, heil uw rijk; wat dreigde is afgewend!--

Het hoofd van Salisbury, Blunt, Spencer, Kent.--

Hoe wij door ons beleid hen deden zwichten,

Moog' dit geschrift uitvoerig u berichten.

(Hij reikt een geschrift over.)

BOLINGBROKE. Dank, beste Percy, voor dit heilrijk pogen;

Het zal uw rang, hoe hoog reeds, nog verhoogen.

(Fitzwater komt op.)

FITZWATER. Mylord, van Oxford uit zond ik naar Londen

Het hoofd van Brocas en van Bennet Seely,

Twee medestanders der verradersbent,

Die u in Oxford gruwlijk heeft belaagd.

BOLINGBROKE. Fitzwater, wel herdenk ik, wat gij deedt;

Geloof, dat ik uw waarde lang reeds weet.

(Percy komt op, met den Bisschop van Carlisle.)

PERCY. Heer, de abt van Westminster, het hoofd des opstands,

Heeft, diep bedrukt en van zijn schuld bewust,

Zijn lichaam aan het graf ten buit gegeven;

Doch levend wacht hier Carlisle voor uw troon

Uw koningsvonnis, zijner stoutheid loon.

BOLINGBROKE. Uw vonnis luidt, Carlisle: kies u een huis,

Klein, groot, hoe ook, maar verre van 't gedruisch

Der wereld; wijd aan God uw levenstijd,

En leeft ge in vrede, sterf dan zonder strijd;

Mijn vijand waart gij steeds, doch ik waardeer

In u een man van hart en moed en eer.

(Exton komt op, met Dienaars, die een lijkkist dragen.)

EXTON. In deze lijkkist ligt, verheven koning,

Uw vrees begraven, zonder ademtocht

De grootste vijand, dien gij duchten mocht;

Heer Richard van Bordeaux voer ik tot u.

BOLINGBROKE. Exton, ik dank u niet; voorwaar, ik gruw

Van zulk een daad, waardoor uw booze hand

Vloek brengt op mij en heel dit roemrijk land.

EXTON. Op uwen wensch, heer, is de daad geschied.

BOLINGBROKE. Die gif behoeft, bemint het gif toch niet,

Ik u niet; wenschte ik hem ook dood, de daad

Maakt hem mij lief, den moord'naar diep gehaat.

't Bewustzijn van uw zonde zij uw loon;

Maar wacht geen gunst, geen dank van onzen troon.

Zwerf om met Kaïn door stikdonkre nacht,

Maar berg uw hoofd, als licht of daag'raad lacht.--

Lords, ik betuig u, dat mijn ziele weent,

Nu bloedbesprenkling wasdom mij verleent.

Komt, treurt met mij om wat mijn ziel benart;

Hulle elk van u zich fluks in somber zwart.

Ik doe een pelgrimstocht naar 't heilig land,

En wasch dit bloed, die schuld, van mijne hand.

Volg, ieder uwer, mij vol rouw, en staar

Met weenend oog op deze vroege baar.

(Allen af, de lijkbaar volgende.)

Koning Richard de Tweede · 第 28 / 33 题