Pomfret. De gevangenis van het kasteel.
Koning Richard komt op.
KONING RICHARD. Ik was aan 't denken, hoe ik best mijn kerker,
Mijn woning, met de wereld vergelijk;
Doch nademaal de wereld volkrijk is,
En hier geen schepsel is, dan ik alleen,
Zoo kan ik 't niet; toch kom ik er met peinzen.
Mijn brein zal 't gaaiken wezen voor mijn geest,
Mijn geest de vader; en die twee verwekken
Een teelt van steeds zich meerdrende gedachten,
En die bevolken deze kleine wereld,
Zoo grillig als het volkje dezer wereld,
Want geen gedachte is ooit tevreden. Enkle,
De beet're soort, de geestrijke gedachten,
Aldoor behept met twijfelzucht, bestrijden
De schrift zelfs met de schrift,
Als: "Laat de kindren komen", en toch volgt:
"Het ingaan is niet minder zwaar, dan dat
Een kemel ga door 't ooge van een naalde."
Eerzuchtige gedachten vormen plannen,
Zoo dol als moog'lijk, als: met zwakke nagels
Door dezer harde wereld kiezelribben,
Mijn kerkerwand, een doorgang zich te krabben,
En sterven, wijl ze onmachtig zijn, van trots.
Geduldige gedachten vleien zich,
Dat zij niet de eerste slaven van fortuin,
Noch ook de laatste zijn,--als domme beed'laars,
Die, in den stok gezet, hun schande ontkennen,
Wijl menigeen zoo zat en zitten zal;
En die gedachte is hun een soort van troost;
Zij leggen hun verneedring op de schouders
Van andren, wie voorheen hetzelfde trof.
Zoo speel ik veel personen, gansch alleen,
Nooit een tevreed'ne. Somtijds ben ik koning;
Dan wekt verraad den wensch, ik ware een beed'laar;
Fluks ben ik dit, doch bitt're nood bewijst mij,
Dat ik het toch als koning beter had;
Dan word ik weer gekoningd, doch weldra
Denk ik mij als door Bolingbroke ontkoningd,
En word terstond tot niets.--Doch wat ik zij,
Nòch ik, nòch eenig mensch, die eenmaal mensch is,
Is ooit bevredigd, tot die vrede komt,
Dat hij een niets is.--
(Muziek).
Hoor ik daar muziek?--
O gij, houd maat!--Een zoete klank wordt bitter,
Wordt tijd miskend en regelmaat gestoord!
Zoo is 't met de muziek van 's menschen leven.
Zie, mijn gehoor is fijn genoeg, om nu
Een snaar, die tijd en maat verstoort, te gispen,
Doch voor den welklank van mijn staat en tijd
Had ik geen oor, al was de maat verbroken.
'k Verdeed mijn tijd, nu doet de tijd het mij;
Zijn uurwerk heeft hij nu van mij gemaakt;
Gedachten zijn minuten, die met zuchten
Haar uren immer tikken, en mijn oogen
Zijn cijferplaat, en wijzer is mijn vinger,
Die telkens weer een traan uit de oogen pinkt.
De slagen, die het uur verkonden, zijn
Mijn luide klachten, haam'rend op de klok,
Mijn hart; zoo toonen zuchten, klachten, tranen
Minuten, uur en tijd; zoo snelt mijn tijd
Steeds voort, den trotschen Bolingbroke tot vreugd;
En ik sta hier als nar, zijn klokkeventje.--
Dol maakt mij die muziek, dat zij verstomme!
Want bracht zij dollen soms tot hun verstand,
In mij, zoo schijnt het, maakt zij wijsheid dol.
En toch gezegend hij, die haar mij brengt!
Zij spreekt van liefde, en liefde jegens Richard
Is in deez' tijd vol haat een flonkerbag.
(Een Stalknecht komt op.)
STALKNECHT. Heil u, mijn souverein!
KONING RICHARD. Dank, noble pair!
Munt van 't metaal, waar ik van ben gemaakt,
Wellicht gelijk ikzelf in 't stof geraakt.
Wie zijt gij? om wat reden komt gij hier,
Waar niemand dan de brombeer komt, die mij
De spijze brengt, waar kommer van blijft leven?
STALKNECHT. Ik was een knecht in uwe stallen, koning,
Toen gij nog koning waart. Ik ging naar York,
Waar ik ten laatste mij de gunst verwierf,
Om 't aanschijn van mijn vroegren heer te zien.
O, hoe 't mijn harte zeer deed, toen ik onlangs
Den kroningsdag in Londens straten zag,
Toen Bolingbroke den Berberschimmel reed!
Dat ros, dat gij zoo vaak bestegen hebt,
Dat ros, dat ik met zooveel zorg verpleegde!
KONING RICHARD. Reed hij den Berber? Zeg mij, lieve vriend,
Hoe liep hij onder hem?
STALKNECHT. Zoo trotsch, als waar' de grond hem te gering.
KONING RICHARD. Zoo trotsch, dat Bolingbroke zijn ruiter was!
Die knol at brood uit mijne koningshand;
De hand hier deed hem trotsch zijn door te kloppen.
Hij struikelde dus niet? hij stortte niet,--
Trots komt toch vóór den val!--en brak den hals
Des trotsaards niet, die rechtloos hem besteeg?--
Vergeef mij, paard! waarom val ik u hard?
Geschapen werdt gij, om den mensch te vreezen,
Te dragen. Ik werd niet tot paard geschapen,
En draag toch, als een ezel doet, een last,
Bloedig gespoord, gestriemd door Bolingbroke.
(De Stokbewaarder komt op met een schotel.)
STOKBEWAARDER (tot den Stalknecht). Gij knaap, wat doet gij hier? ga,
pak u voort!
KONING RICHARD. Als gij mij lief hebt, mijd voortaan dit oord.
STALKNECHT. Al spreekt mijn hart, toch waagt mijn tong geen woord.
(De Stalknecht af.)
STOKBEWAARDER. Gelief, heer, toe te tasten.
KONING RICHARD. Proef gij dan voor, zooals gij anders doet.
STOKBEWAARDER. Ik mag 't niet doen, heer, want Sir Pierce van Exton,
Die van den koning kwam, verbood het mij.
KONING RICHARD. Hale u en Hendrik Lancaster de duivel!
Geduld is duf, ik heb een walg er van.
(Hij slaat den Stokbewaarder).
STOKBEWAARDER. Help, help, help!
(Sir Pierce van Exton komt op, met Dienaars, allen gewapend.)
KONING RICHARD. Ha! wat is dat!
Wat wil de dood met zulk een overrompling?
Schurk, zelf brengt gij het werktuig van uw dood.
(Hij ontrukt aan een der Dienaars zijn wapen en slaat hem neder.)
Ga, zoek ook gij uw plaats op in de hel.
(Hij doodt een tweeden Dienaar, doch wordt daarop door Exton geveld.)
Die hand zal branden in 't onbluschbaar vuur,
Die mij zoo vallen doet.--Uw drieste hand
Bevlekt met 's konings bloed des konings land.
Stijg op, mijn ziel! des hemels stemme klinkt;--
Terwijl 't laag vleesch hier sterft en nederzinkt.
(Hij sterft.)
EXTON. Aan moed zoo rijk, als koninklijk van bloed!
'k Vergoot die beide;--waar' mijn daad slechts goed!
Nu zegt de duivel, die mij heeft gedreven,
Dat in de hel die daad is aangeschreven.
'k Breng aan den vorst, die leeft, den dooden koning;
Delft voor die andren hier hun laatste woning.
(Allen af.)