VIERDE TOONEEL.

Sir Pierce van Exton en een Dienaar komen op.

EXTON. Hebt gij des konings zeggen opgemerkt:

"Heb ik geen vriend, die van mijn angst, die leeft,

Mij wil ontslaan?" Niet waar, zoo was het?

DIENAAR. Ja,

Dit zijn zijn eigen woorden.

EXTON. "Heb ik geen vriend," zoo sprak hij, tweemaal zelfs;

Hij zeide 't tweemaal achtereen, niet waar?

DIENAAR. Dat deed hij, ja.

EXTON. En keek daarbij mij onderzoekend aan,

Als om te zeggen: "waart gìj eens de man,

Die de' echt mijns harten met dien angst verbrak!"

De koning is 't, in Pomfret, dien hij meent;

Kom mee, ik ben de vriend, die hulp verleent.

(Beiden af.)

Koning Richard de Tweede · 第 26 / 33 题