DERDE TOONEEL.

Windsor. Een vertrek in het kasteel.

Bolingbroke treedt op, als koning, met Percy en andere Lords.

BOLINGBROKE. Weet niemand van mijn zoon, den losbol, iets?

Drie volle maanden zijn 't, sinds ik hem zag.

Zoo een'ge booze plaag ons dreigt, is hij het.

O, waar' hij, lords, te vinden, ja, bij God!

Spoort hem in Londen, in de kroegen, na,

Want daar, zoo zegt men, zwerft hij daaglijks rond,

Met losse teugellooze knapen, ja,

Met volk, dat zich in nauwe straten nestelt,

De wachten afrost, reizigers berooft;

En hij, die losbol en verwijfde deugniet,

Hij steunt, als ware 't hem een zaak van eer,

Een zoo verwaten troep.

PERCY. Voor een paar dagen, heer, sprak ik den prins

En sprak hem van de feesten ginds in Oxford.

BOLINGBROKE. Wat zeide toen de wildzang?

PERCY. Zijn antwoord was,--hij zou in een bordeel

Een handschoen aan de veilste deerne ontrukken,

Dien als een helmtooi dragen en daarmee

Den stoutsten ridder uit den zadel lichten.

BOLINGBROKE. Loszinnigheid en driestheid! Toch, ik zie

In beide vonken spranklen, die doen hopen

Op eed'ler vuur in later tijd. Wie daar?

(Aumerle komt op.)

AUMERLE. Waar is de koning?

BOLINGBROKE. Wat drijft nu onzen neef, dat hij zoo staart

Met wilde haast in 't oog?

AUMERLE. God hoede uw hoogheid! Dringend smeek ik, heer,

Een mondgesprek, alleen, met uwe hoogheid.

BOLINGBROKE. Verwijdert u, en laat ons hier alleen.

(Percy en de Lords af.)

Wat is het, neef, dat gij mij melden komt?

AUMERLE (nederknielend). Mijn knie moog' wort'len aan den grond,

mijn tong

Moge in mijn mond vastkleven aan 't gehemelt,

Tenzij, aleer ik oprijs of mij uit,

Mijn schuld vergeving vindt bij uw genade.

BOLINGBROKE. Was uwe schuld nog opzet of reeds daad?

Is 't eerste waar, hoe zwaar uw schuld ook zij,

Ik spreek, om u te winnen, thans u vrij.

AUMERLE. Vergun mij dan, den sleutel om te draaien,

Opdat er niemand koom', die mijn verhaal

Afbreke voor het einde.

BOLINGBROKE. Toegestaan.

(Aumerle sluit de deur af.)

YORK (van buiten). Mijn vorst, neem u in acht, wees op uw hoede,

't Is een verrader, die daar bij u is.

BOLINGBROKE (zijn zwaard trekkend). 'k Zal u onschaad'lijk maken,

schurk!

AUMERLE. Heer, schors uw wraak; gij hebt hier niets te duchten.

YORK (van buiten). Doe open, zorglooze en doldrieste koning,

Moet ik, uit trouw, verraad in woorden plegen?

Ontsluit de deur, heer, of ik breek haar open.

(Bolingbroke opent de deur.)

(York komt op.)

BOLINGBROKE. Wat is de zaak, oom? kom op adem, spreek!

En zeg, van hoe nabij 't gevaar ons dreigt,

Opdat we ons waap'nen, om het kwaad te keeren.

YORK. Lees dit geschrift, heer, en erken 't verraad,

Dat mij mijn hijgen niet vertellen laat.

AUMERLE. Denk onder 't lezen, heer, aan uw belofte;

Ik heb berouw; lees gij mijn naam daar niet;

Mijn hart is met mijn hand niet in verbond.

YORK. Het was dit, schurk, aleer uw hand dit schreef.--

Ik reet dit den verrader uit zijn boezem;

Niet liefde, vreeze wekt berouw in hem.

Gun hem geen deernis, of uw deernis blijkt

Weldra een slang, die in het hart u steekt.

BOLINGBROKE. O groote, stoute, zwarte samenzwering!--

O trouwe vader van een valschen zoon!

Gij zuivere, onbevlekte, zilvren bron,

Waar deze stroom langs vuile modderpoelen

Zijn loop uit nam en zich bezoedeld heeft!

Uw overvloed van goed verkeert in boosheid;

Maar de overmaat van goed in u ontschuldigt

't Afschuwlijk plan uws afgedwaalden zoons.

YORK. Zoo wordt mìjn deugd handlangster van zìjn ondeugd,

En hìj verspilt mijn eer in zijne schande,

Als woeste zoons het goud van zuin'ge vaders.

Mijn eer zal leven, zoo zijn schande sterft,

Of sterft, als zijne schand' genâ verwerft;

Mij doodt gij, zoo gij hem het leven geeft;

Die trouw was sterft, en de verrader leeft.

HERTOGIN (van buiten). Om Gods wil! vorst, doe open, laat mij binnen.

BOLINGBROKE. Wie meldt zich daar met zulk een roep vol schrik?

HERTOGIN. Een vrouw is 't, uwe moei, o koning, ik!

Verstoot een beed'lares niet, hoor mij aan;

Denk, die hier bedelt, heeft dit nooit gedaan.

BOLINGBROKE. Ziedaar op eens verand'ring van vertooning;

Geen treurspel meer; 't is "Beedlares en Koning".

Laat zelf uw moeder binnen, snoode neef;

Zij komt mij smeeken, dat ik u vergeef.

YORK. Schenk geen vergiff'nis, wie 't ook zij, die smeekt;

Bedenk, dat zulk een goedheid zonde kweekt.

Weg 't rotte lid, en 't andre blijft gezond;

Verschoon het, heel het lichaam gaat te grond.

(De Hertogin komt binnen.)

HERTOGIN. Hoor niet naar hem, heer, hij is hard gezind;

Wie minde ooit andren, die zichzelf niet mint?

YORK. Verdwaasde vrouw, wat wilt ge een schurk behoeden,

Om dien nog eens aan dorre borst te voeden?

HERTOGIN. Stil, lieve York;--(Zij knielt.) mijn koning, hoor mij aan!

BOLINGBROKE. Op, lieve moei!

HERTOGIN. Neen, neen, laat mij begaan;

Mijn knieën blijven aan den grond hier kleven;

Ik kan en wil geen dag van heil beleven,

Eer gij door blijdschap al mijn angst verdreeft,

En Rutland, mijn verdwaasden knaap, vergeeft.

AUMERLE (nederknielend). Ik buig de knie voor mijner moeder beden.

YORK (nederknielend). Ik tegen beiden mijn getrouwe leden.

Hun beê brengt ramp, zoo gij er acht op slaat.

HERTOGIN. Meent hij het waarlijk? Zie hem in 't gelaat;

Hij smeekt uit scherts, zijn oog meldt niets van smart;

Hij spreekt slechts met den mond, wij met het hart;

Hij wenscht een weigring op zijn zwakke bede,

Bij ons smeekt hart en ziel en alles mede;

Hij schuwt de knieën langer te vermoeien,

Wij knielen, tot zij met den grond vergroeien;

Bedrog en huichlen schuilen in zijn beê,

In de onze leed en angst en zielewee.

Wij óverbidden zijn gebed; bekroon'

Ons waar gebed genade, vroomheidsloon!

BOLINGBROKE. Sta op, mijn lieve moei!

HERTOGIN. Zeg niet: sta op!

Zeg eerst: genade, en zeg daarna: sta op!

Moest ik u, als uw voedster, spreken leeren,

Dat woord, "genâ", herhaalde ik duizend keeren.

Nooit smachtte ik naar een woord, als ik nu doe;

Zeg, vorst, "genade," en deernis leere u, hoe;

Kort is het woord, doch minder kort, dan zoet;

Geen woord klinkt uit eens konings mond zoo goed.

Koning Richard de Tweede · 第 24 / 33 题