Londen. Een vertrek in het paleis van den Hertog van York.
York en de Hertogin komen op.
HERTOGIN. Mylord, gij wildet juist het eind vertellen,
Toen 't weenen u belette voort te gaan,
Van de aankomst onzer neven binnen Londen.
YORK. Waar bleef ik?
HERTOGIN. Bij dat treurig oogenblik,
Dat woeste, oproer'ge handen uit de vensters
Op koning Richard stof en vaagsel wierpen.
YORK. Ja, 'k zeide reeds, de groote Bolingbroke,
Gezeten op een vurig, moedig ros,
Dat goed zijn fieren ruiter scheen te kennen,
Reed langzaam maar plechtstatig stappend voort,
En alles riep: "God hoede u, Bolingbroke!"
Het was, alsof de vensters-zelve spraken,
Zoo menig gretig oog van oud en jong
Schoot door de ramenlijst zijn vuur'gen blik
Naar zijn gelaat; ja, 't was alsof de muren,
Behangen, spreukrijk, alle samen riepen:
"U zeeg'ne Christus; welkom, Bolingbroke!"
Hij ondertusschen, rechts en links zich wendend,
Blootshoofds en lager dan zijns kleppers nek,
Sprak telkens: "Hart'lijk dank, mijn landgenooten."
Zoo, op die wijs, vervolgde hij zijn tocht.
HERTOGIN. Ach, arme Richard! waar reed hij intusschen?
YORK. Gelijk der menschen oogen in den schouwburg,
Na 't heengaan van een hooggevierd acteur,
Zich achtloos wenden op wie na hem komt,
En ieder, wat die zegt, langwijlig acht,--
Aldus, ja met nog meer verachting, grijnsden
Zij Richard aan; geen sterv'ling riep: "God hoede u!"
Geen blijde mond gaf hem een welkom thuis;
Zij wierpen op 't gewijde hoofd hem stof,
Wat hij zoo zacht en droevig van zich schudde,--
Terwijl een glimlach met zijn tranen kampte,
Getuigen van berusting en van smart,--
Dat, had niet God, naar hoogen raad, het hart
Des volks verstaald, het wis had moeten smelten,
Want de barbaarschheid zelf had zich erbarmd.
Doch dit geschiedt naar 's hemels hoogen wil,
En waar die spreekt, zwijge elk eerbiedig stil.
Wij allen zwoeren Bolingbroke nu trouw,
Wien ik voortaan als heer en vorst beschouw.
(Aumerle komt op.)
HERTOGIN. Daar komt Aumerle.
YORK. Die Aumerle was;
Als Richards vriend heeft hij dien naam verbeurd;
En vrouw, gij moet uw zoon nu Rutland noemen,
'k Was borg in 't parlement, dat hij zijn trouw
Zijn nieuwen vorst en leenheer steeds zou wijden.
HERTOGIN. Welkom, mijn zoon! Wie sieren als viooltjes
Den groenen schoot der nieuwgeboren lente?
AUMERLE. Ik weet niet, moeder, en mij deert het niet;
God weet, ik wensch er liever geen te zijn.
YORK. Draag in dit voorjaar zorg voor uwen groei,
Om niet gewied te worden vóór uw bloei.
Hoe is 't in Oxford? feesten en tornooien?
AUMERLE. Die gaan nog door, Mylord, zoover ik weet.
YORK. Gij wilt er heengaan, 'k weet het.
AUMERLE. Zoo God het niet belet; ja, 't is mijn plan.
YORK. Wat voor een zegel hangt daar uit uw boezem?--
Wat! gij verbleekt? Laat dat geschrift mij zien.
AUMERLE. Heer, het is niets.
YORK. Dan mag een ieder 't zien.
'k Wil zekerheid, laat dat geschrift mij zien.
AUMERLE. Ik bid u, heer, dat gij dit niet verlangt;
't Is iets van geen gewicht, maar ik heb reed'nen
Om 't zeer ongaarne aan u te laten zien.
YORK. En ik heb reed'nen, heer, om dit te willen.
Ik vrees, ik vrees,--
HERTOGIN. Wat zoudt gij vreezen? Kom,
Het is een wissel, dien hij heeft geteekend,
Om zich voor ginds een feestdos aan te schaffen.
YORK. Zijn eigen wissel? hij zijn wissel hebben,
Waarmee hij zich verbindt? Wat onzin, vrouw!
Kom, knaap, laat mij het zien.
AUMERLE. Vergeef mij, bid ik, toonen mag ik 't niet.
YORK. 'k Wil zekerheid; nog eens, laat mij het zien.
(Hij ontrukt hem het geschrift, en leest.)
Verraad! O zwart verraad!--Schelm! schurk! verrader!
HERTOGIN. Wat is er, mijn gemaal?
YORK. Hé daar! wie is daar? kom!
(Een Dienaar komt op.)
Mijn paard gezadeld!
Algoede God! Wat boos en zwart verraad!
HERTOGIN. Wat is 't dan, mijn gemaal?
YORK. Mijn laarzen hier! en vlug mijn paard gezadeld!
(Dienaar af.)
Nu, bij mijn eer, mijn leven en mijn trouw,
Ik klaag den booswicht aan.
HERTOGIN. Wat is er dan?
YORK. Zwijg, dwaze vrouw!
HERTOGIN. Ik zwijg niet, neen;--Aumerle, spreek, wat is er?
AUMERLE. Kalm, lieve moeder, kalm; het is niet meer,
Dan wat mijn leven boet.
HERTOGIN. Uw leven? 't boeten?
YORK. Kom, breng mijn laarzen, naar den koning moet ik.
(De Dienaar komt terug, met een paar laarzen.)
HERTOGIN. Aumerle, sla hem weg!--Verbijsterd, jongen?--
Weg, schurk, en kom mij nooit weer onder 't oog.
(Dienaar af.)
YORK. Geef mij mijn laarzen, zeg ik.
HERTOGIN. Spreek, York, wat wilt gij doen?
Wilt gij de schuld der uwen niet verbergen?
Hebt gij meer zoons of hebt ge er meer te hopen?
Is dan mijn barenstijd niet lang voorbij?
Wilt gij mijn ouderdom mijn zoon ontrukken,
Den zoeten naam van moeder mij ontrooven?
Gelijkt hij niet op u? is hij uw zoon niet?
YORK. Verblinde, dwaze vrouw!
Wilt gij die dwaze schurkerij verhelen?
Twaalf hunner hebben 't sacrament ontvangen,
Elkander schriftlijk onderling beloofd,
In Oxford onzen koning om te brengen.
HERTOGIN. Hij zal niet met hen zijn, wij houden hem
Bij ons en hier; wat kan het hem dan deren?
YORK. Weg, dwaze vrouw! al waar hij twintigmaal
Mijn zoon, ik gaf hem aan.
HERTOGIN. Hadt gij als ik,
Om hem gekermd, meer deernis zoudt gij hebben.
Doch nu begrijp ik: gij voedt achterdocht,
Als ware ik ooit uw bed ontrouw geweest,
En hij uw basterd, niet uw eigen zoon.
Mijn York, mijn lieve man, denk zoo toch niet;
Zie, hij gelijkt op u,--het kàn niet meer--
En niet op mij, noch iemand van de mijnen,
En toch, ik heb hem lief.
YORK. Laat door, verdwaasde!
(York af.)
HERTOGIN. Hem na, Aumerle! neem zijn eigen paard;
Spoor, ijl en kom hem bij den koning voor,
En smeek vergiff'nis, eer hij u beschuldigt.
Ik volg u op den voet; zoo oud ik ben,
Hoop ik toch even snel als York te rijden;
En 'k sta niet van mijn voetval op, aleer
U Bolingbroke vergiff'nis schenkt. Weg! voort!
(Beiden af.)