Londen. Een straat naar den Tower.
De Koningin en Gevolg komen op.
KONINGIN. Hier komt de koning langs, want deze weg
Geleidt naar Julius Caesar's onheilstoren,
Waar, in dien steenen boezem, mijn gemaal
Gekerkerd wordt door trotschen Bolingbroke.
Laat ons hier rusten, zoo de oproerige aard
Haar echte koningin nog ruste gunt.
(Koning Richard komt op, vergezeld van zijn Wacht.)
Doch stil, doch ziet, of neen, ziet liever niet,
Hoe reeds mijn lieve roos verwelkt; ja, ziet toch,
Opdat ge uit deernis smelt tot dauw, hem wascht
Met echte liefdetranen en verfrischt.--
O, beeld van 't veld, waar eenmaal Troje stond,
Der eere beeltnis, koning Richards tombe,
Niet Koning Richard zelf, gij prachtpaleis,
Waarom neemt somber leed in u zijn intrek
En wordt de zegepraal een bierhuisgast?
KONING RICHARD. Sluit geen verbond met droefnis, schoone vrouwe,
Om plotsling mij te dooden; leer, mijn beste,
U, wat eens was, als schoonen droom te denken,
Waaruit we ontwaakten, nu de waarheid ziend
Van wat wij zijn. Ik ben gezworen broeder
Van bitt'ren nood, melieve; hij en ik
Zijn tot den dood vereend. Spoed u naar Frankrijk,
Begraaf u in een klooster; heiligheid
Moet thans een kroon des hemels ons verwerven;
Onze aardsche lust wierp de andre neer, in scherven.
KONINGIN. Wat! is mijn Richard èn in vorm èn geest
Veranderd en verzwakt? Heeft Bolingbroke
Ook uw verstand onttroond, uw hart geplunderd?
De leeuw steekt stervend nog zijn klauwen uit,
En wondt, niets anders hebbend, de aard, uit woede,
Dat hij bezwijkt; en gij, duldt ge, als een schoolknaap,
Uw straf gedwee? Kust gij de roede? kwispelt
Gij voor eens meesters woede, ootmoedig, laag,
Gij, die een leeuw zijt en der dieren vorst?
KONING RICHARD. Een dierenvorst, ja;--waren zij geen dieren,
'k Waar' nog een blijde menschenvorst.--Mijn lieve
Gewezen koningin, spoed u naar Frankrijk;
Acht mij gestorven, denk u aan mijn sterfbed,
En dat gij hier mijn laatst vaarwel ontvangt.
Zit ginds aan 't vuur in trage winternachten
Met oude goede lieden, die vertellen
Van bitter droeve tijden, lang voorbij;
Vertel dan eens, eer gij hun goede nacht zegt,
Tot dank, van mijnen jammervollen val;
Dan gaan zij weenend naar hun bed. Want, ja!
't Gevoelloos houtblok op den haard trilt mede
Bij 't diep geluid van uw bewogen stem,
En weent het vuur van mededoogen uit,
En treurt, hetzij in assche, 't zij koolzwart,
Dat zoo een wettig koning werd onttroond.
(Northumberland komt op, met Gevolg.)
NORTHUMBERLAND. Heer, Bolingbroke veranderde van plan;
Naar Pomfret moet gij thans, niet naar den Tower.--
En eed'le vrouw, uw weg is ook bepaald:
Met allen spoed geleidt men u naar Frankrijk.
KONING RICHARD. Northumberland, gij ladder, waar die klout'raar,
Die Bolingbroke, mijn troon mee heeft bestegen,
De tijd zal niet veel ouder zijn dan nu,
Eer booze zonde rijpt en zich verzamelt
En openbreekt. Dra zult gij denken, dat,
Al deelt hij 't rijk en geeft aan u de helft,
Hij u, die aan 't geheel hem hielpt, te kort doet;
En hij denkt, dat, daar gij den weg zoo weet
Om vorsten, tegen 't recht, ten troon te heffen,
Gij bij de minste krenking weten zult,
Hoe hèm van zijn geroofden troon te stooten.
Bij snoode vrienden wordt licht liefde vrees,
De vrees tot haat, en haat brengt één van beiden,
Of beiden, welverdiend gevaar en dood.
NORTHUMBERLAND. Mijn schuld zij op mijn hoofd, en daarmee uit!
Neemt afscheid; uitstel wordt u niet vergund.
KONING RICHARD. Een dubb'le scheiding!--Snoodaards, gij ontheiligt
Een dubb'len echt: mijn huwlijk met mijn kroon,
En dan, mijn huwlijk met mijn echte vrouw.--
Laat mij den eed wegkussen tusschen ons;
En toch, dit niet; sloot niet een kus den echt?
Scheid ons, Northumberland, naar 't noorden mij,
Waar huiverkoude en ziekte kwijning wekken;
Naar Frankrijk haar, vanwaar met glans en praal
Haar England eens in meitooi komen zag,
Bij 't keeren kaal als Allerheil'gendag.
KONINGIN. En moet er scheiding zijn en afscheidssmart?
KONING RICHARD. Ja, lieve, hand van hand, en hart van hart.
KONINGIN. Verban ons beiden; laat hem met mij gaan.
NORTHUMBERLAND. Dat waar' recht liefd'rijk, niet zeer wijs gedaan.
KONINGIN. Laat mij dan gaan, waar hij vertoeven moet.
KONING RICHARD. Ons beider leed wierd één, één tranenvloed.
Ik weene hier om u, gij ginds om mij;
Veel beter ver, dan, niet vereend, nabij.
Ga, meet uw weg met zuchten, ik met klagen.
KONINGIN. Dan geeft de langre weg meer leeds te dragen.
KONING RICHARD. Bij iedren stap zal ik twee zuchten slaken,
Den kortren weg door hartzeer langer maken.
Doch kom, niet langer met het leed gevrijd;
Het huwlijk volgt, en dit duurt langen tijd.
Een kus verstomm' den mond bij de afscheidssmart;--
Zoo geef ik mijn en neem voor mij ùw hart.
(Zij kussen elkander.)
KONINGIN. Neen, geef mij 't mijne weer; 't waar snood, uw hart,
Mij toevertrouwd, te breken door mijn smart.
(Zij kussen elkander nogmaals.)
Nu heb ik 't mijne weer; ga, ga nu heen;
Ik tracht het ras te dooden door geween.
KONING RICHARD. Ons dralen leert aan 't wee een schertsend woord;
Doch thans vaarwel; nu spreke kommer voort.
(Allen af.)