Wales. Een vlakte voor Flintburg.
Bolingbroke en troepen, met trommen en vaandels, York, Northumberland
en Anderen komen op.
BOLINGBROKE. Dus zijn,--zoo blijkt het ons uit dit bericht,--
De Wallisers verstrooid, en Salisbury
Ging naar den koning, die op deze kust
Met enkle trouwe volgers is geland.
NORTHUMBERLAND. De tijding is gewenscht en goed, mijn prins;
Richard houdt hier nabij het hoofd verborgen.
YORK. Het paste lord Northumberland toch wel
Te zeggen: koning Richard.--Welk een tijd,
Dat een gezalfde koning 't hoofd moet bergen!
NORTHUMBERLAND. Misduid dit niet, mylord; om kort te zijn
Liet ik den titel weg.
YORK. Er was een tijd,
Dat, hadt gij hem verkort, hij korte metten
Met u gemaakt had; hij had u verkort,
Om kort te zijn, de hoogte van uw hoofd.
BOLINGBROKE. Neem toch niet kwalijk, oom, wat gij niet moet.
YORK. Neem gij niet, waarde neef, wat gij niet moogt,
Of gij neemt kwalijk, en de Hemel ziet het.
BOLINGBROKE. Ik weet het, oom, en tegen Zijnen wil
Verzet ik mij geenszins.--Doch wie komt daar?
(Percy komt op.)
Wees welkom, Hendrik.--Geeft de burg zich over?
PERCY. De burg is koninklijk bemand, mijn prins;
De toegang blijft gesloten.
BOLINGBROKE. Koninklijk?
Wat! hij omsluit een koning?
PERCY. Ja, mylord;
Ja, hij omsluit een koning; koning Richard
Is binnen de' omvang van die kalk en steen;
En met hem zijn Aumerle, Salisbury,
Sir Stephen Scroop, alsmede een hooge kerkvoogd;
Doch wie, dit kon ik niet te weten komen.
NORTHUMBERLAND. O, zeker is 't de bisschop van Carlisle.
BOLINGBROKE. (Tot Northumberland.) Mijn waarde lord,
Ga naar de ribben van dien ouden burg,
En zend door een trompet een vredesadem
Tot zijn vervallen ooren.
Breng dit hem over: Hendrik Bolingbroke
Kust koning Richards hand op beide knieën,
En brengt zijn leenplicht en zijn echte trouw
Zijn koninklijken heer, hierheen gekomen,
Om voor diens voeten zwaard en macht te leggen,
Zoo hij zijn ballingschap herroept, volkomen
Teruggave aller goed'ren mij verleent;
Zoo niet, dan bezig ik mijn overmacht,
Leg 't zomerstof met regens vast van bloed,
Aan Engelschen ontstroomd, die 't leven lieten.
Hoe ver dit is van Bolingbroke's gemoed,
Dat zulk een vloed den frisschen, groenen schoot
Van koning Richards land zou overpurp'ren,
Mijn hulde toone 't, op de knie gebracht.
Ga, breng dit over; ondertusschen trekken
Wij op het grastapijt van deze vlakte,
(Northumberland begeeft zich met een Trompetter naar het slot.)
Trekt op, maar zonder dreigend tromgeraas,
Opdat men op des burgs verweerde tinnen
Den zachten voorslag, dien wij doen, versta.
Mij dunkt, wij moesten, Richard en ikzelf,
Met niet gering'ren schrik elkaar ontmoeten,
Dan vuur en water, als hun donderschok
't Bewolkt gelaat des hemels openscheurt.
Zij hij het vuur en ik het buigzaam water;
De woede zij aan hem, terwijl mijn regen
Op de aarde stroom',--op de aarde, niet op hem.
Voorwaarts; merkt op, hoe koning Richard blikt.
(De Trompetter blaast, om een mondgesprek te verzoeken; een trompet
van den burg beantwoordt het sein. Op den muur verschijnen: Koning
Richard, de Bisschop van Carlisle, Aumerle, Salisbury en Scroop.)
Ziet, ziet daar, koning Richard zelf verschijnt,
Zooals de blakende en verstoorde zon
Vooruittreedt uit de vuur'ge poort van 't oosten,
Als hij bespeurt, dat booze wolken streven
Zijn glorie te verduistren, 't lichte pad,
Waarlangs hij naar het westen schrijdt, te vlekken.
YORK. Toch blikt hij als een koning; ziet, zijn oog,
Eens aadlaars oog in schitt'ring, straalt gezag
En grootheid uit. Ach, ach, zoo eenig leed
Een majesteit, zoo schoon, verduist'ren deed!
KONING RICHARD (tot Northumberland). Wij zijn verbaasd, en wachten
hier reeds lang
Op de eerbiedvolle buiging van uw knie.
Wij hielden ons voor uwen heer en koning;
En zijn wij dit, hoe kan dan uw gewricht
De ontzagbetooning, ons verplicht, vergeten?
Zijn wij het niet, toon ons de hand van God,
Die ons ontsloeg van onze waardigheid;
Want, inderdaad, geen hand van vleesch en been
Kan onzes scepters heil'ge greep omspannen,
Indien zij niet ontwijdt of steelt of rooft.
En schoon gij waant, dat allen, zooals gij,
Hun zielen van mij scheurden en verdierven
En wij ontbloot staan, zonder een'gen vriend,--
Zoo weet, mijn meester, God almachtig, brengt
Voor ons in zijne wolken scharen samen
Van pestilentie; treffen zullen ze u
In uw nog ongeboren kind'ren, u,
Die tegen mij vazallenhanden opheft,
En de' eed'len glans van mijne kroon bedreigt.
Zeg Bolingbroke,--want ginder staat hij, meen ik,--
Dat iedre voetstap van hem op mijn land
Strafbaar verraad is. Oop'nen wil hij hier
Het bloedig purpren testament des oorlogs;
Doch eer de kroon, waar hij naar streeft, in vrede
Zijn slapen siert, ontsieren tienmaal duizend
Bebloede slapen van geliefde zoons
Het bloemrijk moederaangezicht van England,
Verandren 't meisjesbleek van haren vrede
In vurig roode gramschap en bedauwen
Der weiden gras met trouw, echt Engelsch bloed.
NORTHUMBERLAND. Verhoede God de Heer, dat onze heer
Door burgerwapens zoo onburgerlijk
Bestormd zou worden. Hendrik Bolingbroke,
Uw eed'le neef, kust need'rig u de hand,
En zweert u bij de eerwaarde tombe, die
't Gebeente dekt uws koninklijken stamheers,
Den vorstenadel van u beider bloed,
Ontstroomd aan ééne hoog te roemen bron,
Bij de begraven hand des dapp'ren Gents,
En bij zijn eigen eer en ridderdeugd,--
Wat iedren eed en elk gezegde omvat,--
Zijn komst alhier beoogt geen ander doel,
Dan 't vragen van zijn rechten, en het knielend
Afsmeeken van onmidlijke herstelling.
Wordt dit door uwe hoogheid toegestaan,
Dan geeft hij 't blanke staal aan roest nu prijs,
Verwijst zijn strijdros naar den stal, en wijdt
Zijn hart den trouwen dienst des konings toe.
Dat dit zoo is, bezweert hij hier, als prins;
En ik betuig dit mede, als edelman.
KONING RICHARD. Northumberland, bericht: dit zegt de koning:
Zijn eed'le neef is hartlijk welkom hier;
En al zijn billijke eischen worden gaarne
Hem ingewilligd zonder tegenspraak.
Breng, zooals gij dit vleiend uiten kunt,
Aan zijn welwillend oor mijn beste groeten.
(Northumberland keert naar Bolingbroke terug.)
(Tot Aumerle.) Niet waar, neef, wij verneed'ren ons, niet waar,
Door zoo bedeesd te zien, zoo lief te spreken?
Waar' 't goed, Northumberland terug te roepen,
't Verraad ten strijd te dagen, zoo te sterven?
AUMERLE. Neen, strijd met zachte woorden, tot de tijd
U vrienden schenk', met zwaarden, u gewijd.
KONING RICHARD. O God, o God, dat ooit mijn tong, die eerst
Dien trotsaard met den vloek der ballingschap
Belaadde, 't vonnis weer herroepen moet,
Aldus, met vleitaal! O, ware ik zoo groot
Als nu mijn smart, of kleiner dan mijn naam;
Of dat ik kon vergeten, wat ik was,
Of niet begrijpen, wat ik nu moet zijn!
Zwelt gij, trotsch hart? klop vrij, met felle slagen!
Ons treffen 's vijands slagen, u en mij.
AUMERLE. Daar komt Northumberland van Bolingbroke.
KONING RICHARD. Wat moet de koning doen? zich onderwerpen?
De koning zal het doen. Den troon ontruimen?
De koning schikt zich. Wordt de naam van koning
Hem ook ontroofd? In Godsnaam, die vaar' heen;
'k Geef mijn juweelen voor een bedesnoer,
Mijn vorstenwoning voor een kluiz'naarshut,
Mijn rijke kleeding voor een boetlingspij,
Mijn fijne bekers voor een houten nap,
Mijn scepter voor eens pelgrims zwerversstaf,
Mijn volk voor enkle grofgesneden heil'gen,
En mijn groot England voor een kleinen grafkuil,
Een klein, klein graf, in een verborgen hoek;--
Of neen, begraaft mij op des konings heerweg,
Waar 't volk verkeert, waar de onderdanen telkens
Huns konings hoofd met voeten treden kunnen;
Zij treden mij op 't hart, nu, bij mijn leven,
Waarom dan, na mijn dood, niet op het hoofd?
Aumerle, weeke vriend, gij weent? Kom, laat ons
Slecht weder maken met verachte tranen,
Dat die, met onze zuchten, 't zomerkoren
Ter neder, 't valsche land met honger slaan!
Of zullen wij gaan dartlen met ons wee,
Een wedstrijd aangaan in het tranenstorten?
Bij voorbeeld: steeds op ééne plaats ze drupp'len,
Totdat voor ons in de aard een tweetal graven
Zijn uitgehold, waarbij een opschrift sta,
Zooals: "Twee neven liggen hier, twee droeve;
Hun weenende oogen dolven zelf hun groeve."
Deed zulk een wee niet goed?--Maar ik zie 't in,
Gij spot met mij, ik praat hier zonder zin.--
Grootmachtig prins, mylord Northumberland,
Wat zegt de koning Bolingbroke? vergunt hij,
Dat Richard leeft, tot Richard sterft? 'k Versta,
Gij maakt een strijkvoet, Bolingbroke zegt ja.
NORTHUMBERLAND. Mylord, omlaag in 't buitenhof verzoekt hij
Een onderhoud; 't behage u af te dalen.
KONING RICHARD. Af! af! ik daal; als Phaëton de snoever,
Die woeste kleppers niet bedwingen kon.
(Northumberland keert naar Bolingbroke terug.)
In 't lage hof! laag hof,--waar vorsten bukken,
Verraders vleien, komen op hun nukken!
In 't lage hof? omlaag, hof! koning, daal!
De nachtuil krijscht, dan zwijgt de nachtegaal.
(Allen van boven af.)
BOLINGBROKE. Wat zegt zijn majesteit?
NORTHUMBERLAND. Door leed en kommer
Sprak hij verward als een waanzinnig mensch;
Maar toch, gekomen is hij.
(Koning Richard en zijn Begeleiders komen beneden op.)
BOLINGBROKE. Staat ter zijde,
En brengt uw hulde aan zijne majesteit.
(Hij knielt.) Genadig vorst!
KONING RICHARD. Mijn neef, uw prinselijke knie onteert gij,
Als de aard, hoe laag ook, trotsch haar kussen mag;
'k Erkende liever met mijn hart uw liefde,
Dan met mijn somber oog uw hoff'lijkheid.
Op, neef! uw hart verheft zich hoog,--getuige
Geheel uw doen,--hoe laag uw knie zich buige.
BOLINGBROKE. Mijn vorst, ik kom slechts voor mijn eigendom.
KONING RICHARD. Uw eigendom is u, en ik, en alles.
BOLINGBROKE. Wees zooveel mijn, verheven vorst, als ik
Door trouwen dienst en liefde zal verdienen.
KONING RICHARD. O veel verdient gij;--hij verdient te ontvangen,
Die vast en goed den weg weet om te erlangen.--
Mijn oom, uw hand; neen, neen, geen tranenvloed;
Die toone liefde, maar hij maakt niets goed.--
Voor vader, neef, van u ben ik te jong,
Gij oud genoeg voor erfgenaam van mij.
'k Geef u, wat gij verlangt, weerstreef ook niet;
Wij moeten doen, wat overmacht gebiedt.--
Naar Londen;--neef, niet waar, daar gaan wij heen?
BOLINGBROKE. Ja, waarde vorst.
KONING RICHARD. Ik mag niet zeggen, neen.
(Allen af.)