VIERDE TOONEEL.

Langley. De tuin van den Hertog van York.

De Koningin en twee Hofdames komen op.

KONINGIN. Wat spel bedenken wij in dezen tuin,

Dat ons den druk der zorgen doe vergeten?

EERSTE HOFDAME. Laat ons gaan keeg'len, hooge vrouwe.

KONINGIN. 'k Herdenk dan al den aanstoot in de wereld,

En mijn geluk, dat zijwaarts rolt en stuit.

EERSTE HOFDAME. Laat ons dan dansen, hooge vrouwe.

KONINGIN. Mijn voet vermag met lust geen maat te houden,

Nu mijn arm hart geen maat in kommer houdt;

Daarom geen dans, mijn kind,--een ander spel.

EERSTE HOFDAME. Laat ons elkaâr verhaaltjes doen.

KONINGIN. Van vreugde of leed?

EERSTE HOFDAME. Van beide, hooge vrouwe.

KONINGIN. Van geen van beide, kind.

Want is 't van vreugde, die ik ganschlijk mis,

Dan doet mij dit te meer aan kommer denken;

En is 't van leed, dat ik zoo ruimschoots heb,

Dan voegt het kommer bij 't gemis van vreugde,

Want wat ik heb, behoef ik niet te hooren,

En wat ik mis, verhelpt geen weegeklag.

EERSTE HOFDAME. Dan wil ik zingen.

KONINGIN. Goed, als gij dit kunt;

Doch liever waart gij mij, indien gij weendet.

EERSTE HOFDAME. 'k Zou kunnen weenen, als u weenen hielp.

KONINGIN. En ik kon zingen, zoo mij weenen hielp,

En borgde dan van u geen enklen traan.

Doch stil, daar zijn de hoveniers;

Gaan wij ter zij, hier onder deze boomen.

Mijn rampspoed voor een speldenbrief,--zij praten

Daar van den staat; zoo doet een elk, zoodra

Een omkeer dreigt; men ducht, en wee komt na.

(De Koningin gaat met haar Hofdames ter zijde.)

(Een Hovenier komt op met twee Knechts.)

HOVENIER. Ga, bind die zwevende abrikozen op,

Die als moedwill'ge kindren hunnen vader

Doen bukken onder zwaren schuldenlast;

Geef een'gen steun aan die gebogen twijgen.--

En gij, sla als een dienaar des gerichts

Den kop af aan die al te weel'ge spruiten,

Die zich te hoog in onzen staat verheffen;

Gelijkheid moet er zijn in ons gebied.--

Terwijl gij dit bezorgt, wied ik het onkruid,

Dat schaadt, wijl 't nutt'loos aan gezonde bloemen

De vruchtbre sappen van den grond ontzuigt.

EERSTE KNECHT. Wat moeten we, in den omvang van een heining,

Naar wet en vorm en juistheid alles reeg'len,

Als waar' 't een beeld van onzen vasten staat,

Nu 't rijk, die door de zee omwalde tuin,

Vol onkruid is, verstikt zijn schoonste bloemen,

Vruchtboomen ongesnoeid, zijn heggen woest,

Zijn bedden omgewoeld en 't nuttig kruid

Van booze rupsen weem'lend?

HOVENIER. Houd u stil!

Hij, die dit woeste voorjaar heeft geduld,

Leeft zelf nu in het vallen van de blaad'ren;

Het onkruid, door zijn breede kruin beschermd,

Dat, op hem woekrend, hem te stutten scheen,

Is met den wortel uitgeroeid door Hereford,--

Ik meen den graaf van Wiltshire, Bushy, Green.

EERSTE KNECHT. Wat! zijn die allen dood?

HOVENIER. Dat zijn ze, ja;

En in de macht van Bolingbroke is onze

Spilzieke koning.--Welk een jammer, dat

Hij niet zijn land in orde bracht en hield,

Als wij den tuin! Zie, in den tijd van 't jaar,

Verwonden wij de schors, de huid des vruchtbooms,

Opdat hij niet, te trotsch op sap en bloed,

Zichzelf verteer' door al te groote weelde;

Had hij zoo ook gedaan met groote heeren,

Dan droegen zij voor hem, en hij genoot

De vruchten van hun dienst. Te geile takken,

Die kappen wij, opdat de vruchttak leve;

Had hij zoo ook gedaan, hij droeg de kroon;

't Verlies is zijner tijdverspilling loon.

EERSTE KNECHT. Wat! zou de koning worden afgezet?

HOVENIER. Zijn troon is half bezet, en afgezet,

Ja, wordt hij wel. Een brief kwam gist'ren avond

Bij een oud vriend des goeden hertogs York,

Die zwarte dingen meldt.

KONINGIN. Ik stik bijna en zoek mij lucht door spreken.--

(Vooruittredend.) Gij Adamsbeeld, die dezen hof verpleegt,

Hoe waagt uw ruwe tong zoo boos een tijding?

Welke Eva, welke slang was 't, die u ingaf

Den val en vloek der menschheid te hernieuwen?

Wat zegt gij, koning Richard afgezet?

Durft gij, gij, nauwlijks beter dan een aardkluit,

Zijn val voorspellen? Waar, wanneer en hoe

Kwaamt ge aan die onheilstijding? Spreek, gij worm!

HOVENIER. Vergeef mij, hooge vrouw; dit nieuws te melden

Is mij geen vreugd, doch wat ik zeg is waar.

De koning, ja, is in de sterke hand

Van Bolingbroke; hun lot wordt dra gewogen;

En in uws heeren schaal is slechts hijzelf,

Met ijdel tuig, dat hem nog lichter maakt;

Doch in de schaal des grooten Bolingbroke

Zijn, buiten hem, nog alle pairs van Engeland;

Dit overwicht weegt koning Richard op.

Spoed, wilt gij 't zelf zien, u naar Londen heen;

Want wat ik zeide, weet daar iedereen.

KONINGIN. Luchtvoetig onheil, steeds zoo vlug en haastig,

Gaat uwe zending mij niet aan, dat ik

Het laatst er van verneem? Gewis, het laatst

Komt gij tot mij, opdat mijn borst uw leed

Het langst bewaar'.--Jonkvrouwen, komt, gaat mee,

En ziet in Londen Londens vorst in wee.--

Werd ik hiertoe geboren, dat mijn oog

Door droefnis Bolingbroke's triomf verhoog'?--

Tuinier, door u werd mij dit leed bekend,

Zoo tier' dan nooit een boom, door u geënt!

(De Koningin met haar Hofdames af.)

HOVENIER. Ach, arme vrouw! zoo 't u verbeet'ring bracht,

Wenschte ik, uw vloek ware op mijn kunst van kracht.--

Hier stortte zij een traan; ik zet er ruit,--

Hoe scherp, hoe bitter, toch Genadekruid,

En ik herdenk, als het zijn geuren spreidt,

Hoe eens een koningin er heeft geschreid.

(Allen af.)

Koning Richard de Tweede · 第 17 / 33 题