De kust van Wales. In de verte een kasteel.
Trommen en trompetten. Koning Richard, de Bisschop van Carlisle,
Aumerle en Soldaten komen op.
KONING RICHARD. Barkloughly-slot noemt gij den burg daar ginds?
AUMERLE. Ja, heer. Hoe vindt uw hoogheid hier de lucht
Na dat gewiegel op de holle zee?
KONING RICHARD. Zij moet mij goed zijn; o, ik ween van vreugd,
Nu ik mijn koninkrijk eens weer betreed.
Geliefde grond, ik groet u met de hand,
Ofschoon rebellen-rossen u verwonden;
Gelijk een moeder, die haar kind in lange
Niet zag, bij 't weerzien speelt met tranenlachjes,
Zoo, weenend-lachend, groet ik u, mijn bodem,
En wuif u met mijn koningshanden toe.
Voed, dierbaar land, uws vorsten vijand niet,
En laaf zijn roofzucht niet met uwe zoetheid;
Maar dat uw spinnen, van vergif gezwollen,
En trage padden op zijn weg zich leeg'ren,
Om zijn verraders-voeten leed te doen,
Die u met driest begeer'gen stap vertreden.
Breng voor mijn haters scherpe netels voort;
En, plukken zij van uwe borst een bloempje,
Dat dan een loerende adder het bewaak',
Die, met zijn dubb'le tong moorddadig stekend,
Dood op uws vorsten tegenstrevers slinger'!
Lach niet, dat ik bezweer, wat reedloos is;
Want, lords, deze aarde zal gevoel erlangen,
Haar steenen zullen sterke krijgers worden,
Eer haar geboren vorst ooit struik'len zal
Voor 't wapenklett'ren van een snooden opstand.
BISSCHOP VAN CARLISLE. Ducht niets, mijn vorst; Die u ten troon
verhief,
Heeft macht uw troon te hoeden, tegen allen.
Doch grijp de midd'len, die de hemel schenkt;
Verzuim die niet; want, zoo de hemel wil,
En wij niet willen, weig'ren wij zijn bijstand,
Des hemels aangeboden hulp en heil.
AUMERLE. Hij meent, mijn vorst, dat wij nalatig zijn,
Wijl Bolingbroke, indien wij zorgloos rusten,
Sterk wordt en groot in vrienden en in macht.
KONING RICHARD. O moedelooze neef! ik zeg u dit:
Als achter de' aardbol zich het spiedend oog
Des hemels bergt en de onderaard beschijnt,
Dan sluipen dieven, roovers, ongezien,
In moord en euveldaad hier bloedig rond;
Doch als dat oog, van onder de aard zich heffend,
Der oosterdennen trotschen top doet gloeien,
Zijn licht doet schijnen door elk schuldig hol,
Dan wordt aan moord, verraad en vloekbre zonden
Des duisters mantel van den rug gescheurd;
Dan staan zij naakt en sidd'ren voor zichzelf.
Zoo zal die dief, die muiter Bolingbroke,--
Die heel de nacht nu heeft gerinkelrooid,
Terwijl wij onder de antipoden toefden,
Ons weêr zien stijgen op den troon in 't oosten;
Dan zal 't verraad gaan blozen op zijn voorhoofd,
En, niet in staat het daglicht te verdragen,
Zichzelve schuwend, sidd'ren om zijn schuld.
Niet al het water van de wilde zeeën
Wascht de olie weg van een gezalfden vorst;
Niet de ademtocht van stervelingen zet
Gods uitverkoren plaatsvervanger af;
Voor elken man, door Bolingbroke geprest,
Die onze gouden kroon met staal bedreigt,
Heeft God in hemelsche soldij voor Richard
Een engel;--en, met englen in gevecht,
Bezwijkt de mensch; de hemel schut het recht.
(Salisbury komt op.)
Welkom, mylord! hoe ver ligt uwe macht?
SALISBURY. Niet naderbij, noch verder af, mijn vorst,
Dan deze machtlooze arm. Ontroostbaarheid
Bestuurt mijn tong en slechts van wanhoop spreekt zij.
Één dag te laat, mijn eed'le vorst, dit vrees ik,
Heeft al uw blijde dagen overwolkt.
O, roep den tijd terug, roep 't gistren weêr,
En dan hebt gij tienduizend weerbre mannen;
Deez' dag, één dag, rampzaal'ge dag te laat
Ontrooft u vreugde, vrienden, heil, uw staat;
De Wallisers zijn allen, op 't gerucht
Uws doods, naar Bolingbroke,--verstrooid--gevlucht.
AUMERLE. Houd moed, mijn vorst, waarom ziet gij zoo bleek?
KONING RICHARD. Zoo even triumfeerde in mijn wangen
Het bloed van duizenden,--die macht ontvlood;
Heb ik, tot ze al dit bloed terug erlangen,
Geen grond om bleek te zien, gelijk de dood?
Wie wijs is, vliedt mij, wijl een rampuur thans
Zijn merk gezet heeft op mijn trotschen glans.
AUMERLE. Schep moed, mijn heer en vorst, denk wie gij zijt!
KONING RICHARD. 'k Vergat mijzelf daar, ja. Ben ik niet koning?
Ontwaak, gij trage majesteit! gij slaapt;
Des konings naam is veertigduizend namen.
Op, op, mijn naam! een nietig onderdaan
Wil uwe grootheid vellen.--Blikt niet neder,
Gij vorsten-gunstelingen! Staan wij niet hoog?
Hoog zij ook onze moed! Oom York, dit weet ik,
Heeft macht genoeg tot redding.--Wie komt daar?
(Scroop komt op.)
SCROOP. Meer heil en zegen vall' mijn vorst te beurt,
Dan hem mijn tong, door zorg gestemd, kan melden.
KONING RICHARD. Mijn oor is open, voorbereid mijn hart;
Wereldsch verlies is 't ergst, wat gij kunt melden.
Spreek, is mijn rijk verloren? 't Was mijn zorg;
Van zorg bevrijd te zijn, is dit verlies?
Tracht Bolingbroke zoo groot te zijn als wij?
Hij moet niet grooter zijn; en, dient hij God,
Dit doe ik ook, en sta met hem gelijk.
Staan de onderdanen op, wij moeten 't dulden;
Zij breken God hun woord, zoowel als ons.
Roep wee, verlies, vernieling, val en nood;
De dood is 't ergst, en komen moet de dood.
SCROOP. 't Verheugt mij, dat mijn vorst gewapend is,
Om tijdingen van onheil te vernemen.
Gelijk een booze dag, die zilvren stroomen
Onstuimig over de oevers bruisen doet,
Als waar' de wereld opgelost in tranen,
Zoo rijst ver boven iedren dam de woede
Van Bolingbroke, die 't bange land bedekt
Met hard, blank staal en nog veel harder harten.
Grijswaarden waap'nen tegen uwen troon
Den kalen schedel, vrouwenstemm'ge knapen
Beproeven grof te spreken en bedekken
Hun teêre meisjesleden met een stijve,
Plomplogge rusting tegen uwe kroon;
Zelfs uw bedeelden leeren bogen spannen
Van giftig, dubbelmoordend taxishout;
Ja, spinrokwijven drillen oude pieken
Op uwen troon; 't woelt alles, jong en oud,
En erger is 't, dan ooit mijn tong ontvouwt.
KONING RICHARD. Te goed, te goed, meldt gij zoo booze dingen,
Waar is de graaf van Wiltshire, waar is Bagot?
Wat is van Bushy, wat van Green geworden,
Dat zij den fellen vijand ongemoeid
De perken van ons rijk doorkruisen lieten?
Verwinnen wij, dan zal hun hoofd het boeten.
Zij sloten vrede, wis! met Bolingbroke.
SCROOP. In vrede zijn zij met hem, ja, mijn vorst.
KONING RICHARD. O schurken, adders, reddingloos verdoemd!
Die honden, vaardig kwisplend voor een elk!
Die slangen, 't hart, dat hen verwarmde, stekend!
Drie Judassen, elk driemaal Judas waard!
Zij sloten vrede? voer' de schrik der hel
Tot loon met hun bevlekte zielen krijg!
SCROOP. Als zoete vriendschap eens van aard verandert,
Dan, zie ik, wordt zij doodlijk bittre haat.
Neem uwen vloek terug; den vrede sloot
Hun hoofd, niet hunne hand; zij, die gij vloekt,
Gevoelden de' ergsten slag, die 't leven wondt,
En liggen diep bedolven in den grond.
AUMERLE. Zijn Bushy, Green, de graaf van Wiltshire dood?
SCROOP. In Bristol, ja, verloren ze allen 't hoofd.
AUMERLE. Waar is mijn vader York dan met zijn macht?
KONING RICHARD. Wààr ook, het helpt niet. Niemand spreek' van troost.
Laat ons van graven spreken, wormen, grafschrift,
Stof nemen voor papier, en kommer schrijven
Met stroomende oogen op de borst der aard;
Van testamenten spreken, alles reeglen,
Uitvoerders kiezen,--neen, toch niet,--waartoe?
Wat kunnen wij vermaken, dan ons lichaam,
Dat afgezet, onttroond is, aan den grond?
Land, leven alles is van Bolingbroke;
Niets noemen wij meer 't onze dan den dood,
En dit klein proefje van onvruchtbare aarde,
Dat om 't gebeent gekneed is en het dekt.
Om Gods wil, laat ons op den grond gaan zitten,
Voor sombre praatjes van den dood van vorsten,--
Hoe deze in de' oorlog viel; hoe die onttroond werd;
Die door den geest vervolgd, dien hij onttroonde;
In bed gesmoord; vergiftigd door zijn vrouw;
Allen vermoord;--want in de holle kroon,
Die om het sterflijk hoofd eens konings prijkt,
Daar houdt de dood zijn hof; daar zit de schalk,
Lacht om den troon en grinnikt om zijn praal,--
Laat hem een ademtocht, een kort bedrijf,
Monarch, gevreesd zijn, met zijn blikken dooden;
Doordringt hem gansch van ijdlen eigenwaan,--
Als waar' dit vleesch, dat onze ziel omschanst,
Van onverganklijk brons,--hij speelt met hem,
Maar komt in 't eind en boort met kleine naald
Zijn burgwal door, en--goede nacht dan, koning!
Bedekt uw hoofd, drijft niet door huldebrenging
Den spot met vleesch en bloed; verzaakt den eerbied,
Gebruik en vorm en statig plichtbetoon;
Gij hebt u altijd door in mij vergist;
Als gij, leef ik van brood; heb dorst, proef leed,
Zoek vrienden;--zooveel malen onderdaan,
Hoe kunt gij zeggen, dat ik koning ben?
BISSCHOP VAN CARLISLE. Geen wijze, heer, klaagt om het leed van heden,
Hij werkt op heden 't leed van morgen tegen.
Vrees voor uw vijand geeft, wijl vrees verzwakt,
Van uwe kracht den vijand meerdre kracht;
En zoo bestrijdt uw dwaasheid steeds uzelf.
Brengt vrees den dood, het strijden brengt niets ergers;
Wie strijdend sterft, wint roem en doodt den dood;
Wie vreezend sterft, is slaaf van dood en nood.
AUMERLE. Zorg, dat mijn vader met zijn manschap naakt;
Zie dan, dat ge uit een lid een lichaam maakt.
KONING RICHARD. 'k Verdien dit;--trotsche Bolingbroke, één dag
Van bloed besliss' voor uw of mijn gezag.
De koorts van vrees is af, die 't hand'len stoort;
Licht te herwinnen is 't, wat ons behoort.
Zeg, Scroop, waar ligt onze oom nu met zijn macht?
Spreek helder, man, al is uw blik omnacht.
SCROOP. We erkennen aan des hemels kleur en schijn
Het weder en de toekomst van den dag;
Zoo moog' mijn somber oog u teeken zijn,
Dat ik slechts erger nieuws u brengen mag.
Ik speel voor folt'raar, wijl ik langzaam aan
Het ergste rek, wat toch gezegd moet worden:--
Uw oom van York is reeds bij Bolingbroke,
Uw burgen in het noorden in zijn macht;
In 't zuiden staat heel de adel in de waap'nen,
Aan zijnen kant.
KONING RICHARD. Gij hebt genoeg gezegd.--
Wee u, gij neef! die van mijn zoeten weg
Naar wanhoop mij teruggeroepen hebt!
Wat zegt gij nu? Wat blijft mij nu tot troost?
Bij God, ik haat den man met eeuw'gen haat,
Die mij nog eenmaal rept van hoop en troost.
Ik ga naar Flintburg, waar ik mij begraaf;
Bij Koning Leed zij daar een koning slaaf.
Ontslaat mijn volk; en elk beploege 't land,
Waar hoop op oogst is, als hij zaait en plant;
Bij mij geen hoop meer.--Niemand spreek', niets baat;
Besloten is 't, en ijdel elke raad.
AUMERLE. Mijn vorst, één woord!
KONING RICHARD. Neen;--dubbel krenkt hij mij,
Die mij te wonden tracht door vleierij.
Ontslaat mijn volk; elk vliede, die 't vermag,
Uit Richards nacht naar Hereford's heldren dag.
(Allen af.)