DERDE TOONEEL.

Een woeste streek in Glostershire.

Bolingbroke en Northumberland komen op, met troepen.

BOLINGBROKE. Hoe ver, mylord, zijn wij van Berkley af?

NORTHUMBERLAND. Geloof mij, eedle lord,

Ik ben een vreemdling hier in Glostershire.

Dit land vol wilde heuvels, ruwe wegen,

Rekt, tot vermoeinis toe, ons elke mijl;

Maar uw schoon onderhoud was suiker; 't maakte

Den zuren weg ons zoet en recht verkwikk'lijk.

Doch, mij valt in, hoe zwaar zal niet de weg

Van Ravenspurg naar Cotswold zijn voor Ross

En Willoughby, die uw gezelschap derven.

Want dit heeft mij, verklaar ik, van mijn reis

De moeilijkheid en lengte doen vergeten.

Maar toch, ook hunnen marsch verzoet de hoop,

Dat hun de weldaad wacht, die ik geniet.

En hoop op vreugd is weinig minder vreugdrijk

Dan de gehoopte vreugde zelf; zij kort

Den moeden lords den weg, zoo als mij 't zien

Van wat ik heb, uw bijzijn, heeft gedaan.

BOLINGBROKE. Mijn bijzijn is van vrij wat minder waarde

Dan uwe goede woorden.--Wie komt daar?

(Hendrik Percy komt op.)

NORTHUMBERLAND. Mijn zoon is 't, Hendrik Percy, en hij komt,

Van waar 't ook zijn moog', van mijn broeder Worcester.--

Hoe maakt uw oom het, Hendrik?

PERCY. Dit rekende ik, mylord, van u te hooren.

NORTHUMBERLAND. Wat, is hij bij de koningin dus niet?

PERCY. Neen, beste heer, hij heeft het hof verlaten,

Den staf zijns ambts verbroken en den hofstaat

Des konings doen uiteengaan.

NORTHUMBERLAND. Om wat reden?

Zijn plan was 't niet, toen ik het laatst hem sprak.

PERCY. Om u, die voor verrader werd verklaard.

Hij is, mylord, naar Ravenspurg gegaan,

Om hertog Hereford zijnen dienst te bieden,

En mij zond hij naar Berkley, ter verkenning,

Wat macht de hertog York daar samenbracht,

Met last om dan naar Ravenspurg te keeren.

NORTHUMBERLAND. Knaap, zijt gij hertog Hereford gansch vergeten?

PERCY. Neen, beste lord, hoe kan ik iets vergeten,

Wat ik nog nooit gekend heb? bij mijn weten

Heb ik hem van mijn leven nooit gezien.

NORTHUMBERLAND. Zoo leer hem kennen, knaap; dit is de hertog.

PERCY. Genadig heer, ik bied mijn arm u aan,

Zooals hij is, teer, ongeoefend, jong;

Doch ouder dagen zullen eens hem sterken

Tot meer te roemen diensten en verdiensten.

BOLINGBROKE. Ik dank u, beste Percy, en, geloof mij,

Ik acht me in niets ter wereld zoo bevoorrecht,

Dan dat mijn hart zijn vrienden steeds gedenkt;

En wat uw liefde mijn geluk doet rijpen,

Wordt van uw trouwe liefde 't loon. Mijn hart

Sluit dit verbond, dat dus mijn hand bezegelt.

NORTHUMBERLAND. Hoe ver is 't nog van Berkley? En hoe houdt

Zich de oude, goede York er met zijn krijgsvolk?

PERCY. Daar, bij die groep van boomen, staat het slot,

Bemand, vernam ik, met driehonderd man;

Er binnen zijn de lords York, Berkley, Seymour,

Geen andren van geboorte en grooten naam.

(Ross en Willoughby komen op.)

NORTHUMBERLAND. Daar zijn de lords van Ross en Willoughby,

Van 't sporen bloedig, vurig rood van haast.

BOLINGBROKE. Welkom, mylords; ik weet, uw liefde spoort

Een hoogverrader en een balling na.

Mijn gansche schat is nog ontastbre dank,

Die eenmaal, is hij rijker toegerust,

Het loon zal zijn voor al uw liefde en moeite.

ROSS. Uw hierzijn maakt ons rijk, hoogedel lord.

WILLOUGHBY. En overtreft de moeite van 't erlangen.

BOLINGBROKE. Dank, altijd dank, de schat van arme lieden,

Die, tot mijn teêr geluk tot jaren komt,

Als rijklijk loon moet gelden! Doch, wie daar?

(Berkley komt op.)

NORTHUMBERLAND. Het is mylord van Berkley, als ik wel heb.

BERKLEY. Mijn boodschap is aan u, mylord van Hereford.

BOLINGBROKE. "Aan Lancaster", mylord; dus antwoord ik;--

Dien naam kom ik mij hier in England zoeken,

En 'k moet op uwe tong dien titel vinden,

Eer ik u antwoord geef op eenig woord.

BERKLEY. Versta mij goed, mylord; mijn doel is niet,

Een enklen eeretitel u te schrappen;--

Ik kom tot u, mylord,--lord hoe gij wilt,--

In naam des rijksbestuurders, hertog York,

En vraag u, wat u dreef, om 's konings afzijn

Voor u te baat te nemen en 's lands vrede

Met eigenmachtig zwaard te komen storen.

(York komt op, met Gevolg.)

BOLINGBROKE. 'k Behoef mijn antwoord nie door u te zenden;

Daar komt de hertog zelf.--Mijn edele oom!

(Hij knielt.)

YORK. Toon mij uw hart deemoedig, niet uw knie,

Wier huldebrenging valsch is en bedrieglijk.

BOLINGBROKE. O, mijn genadige oom!

YORK. Stil, stil!

Niets van genade, en oom is doof voor oomen.

'k Ben geen verraders-oom, en 't woord "genade",

Ontheiligd wordt het in onheil'gen mond.

Waarom heeft uw verbannen voet gewaagd

Van Englands aarde een stofje aan te roeren?

Nog meer "waaroms". Waarom 't gewaagd, zoover

Haar op de borst, waar vrede woont, te treden,

Haar bleeke dorpen door uw krijg verschrikkend

En door vertoon van diep verfoeide wapens?

Verlokte u 't afzijn des gezalfden konings?

Verdwaasde knaap, de koning is nog hier;

In mijne trouwe borst berust zijn macht.

Beheerde ik nog een jeugd, zoo vol van vuur,

Als toen ik--met den dapp'ren Gent, uw vader--

Den Zwarten Prins, dien jongen Mars der menschen,

Uit duizenden geschaarde Franschen redde,

O dan, hoe ras zou ik met dezen arm,

Thans door de jicht geboeid, u tuchtigen,

U straf doen lijden voor uw zwaar vergrijp!

BOLINGBROKE. Genadige oom, doe mijn vergrijp mij kennen;

Op welke handling steunt het? waaruit blijkt het?

YORK. 't Blijkt uit een handling van den ergsten aard,--

Uit vloekbaar oproer en verfoeid verraad;

Gij zijt van hier verbannen, en gij komt,

Aleer uw tijd verstreken is, terug,

En tart uw koning met uw trotsche waap'nen.

BOLINGBROKE. Toen 'k werd verbannen, was ik balling Hereford;

Maar nu ik weerkom, is 't als Lancaster.

Werp, edele oom, dit smeek ik uw genade,

Een onpartijdig oog thans op mijn onrecht;

Gij zijt mijn vader, want, mij dunkt, in u

Is de oude Gent in leven; dies, mijn vader!

Kunt gij het zien, dat ik veroordeeld staan moet,

Als zwervend vagebond, dat rechten, titels

Mij uit de hand gerukt zijn en gegeven

Aan lage brassers? Wat was mijn geboorte?

Indien mijn neef, de koning, Englands vorst is,

Dan ben ik hertog, ja! van Lancaster.

Gij hebt een zoon, mijn eed'len neef Aumerle;

Waart gij gestorven, hij aldus vertrapt,

Dan had oom Gent een vader zich getoond,

Om iedere krenking voort en dood te jagen.

Men weigert mij mijn leenen op te vord'ren,

En 'k heb toch door mijn open brieven 't recht;

Mijn erfgoed wordt versnipperd en verkocht,

En 't wordt, als alles hier, onnut verkwist.

Wat kan ik anders doen? 'k Ben onderdaan,

En vorder recht. Men weigert mij beheerders,

En daarom doe ikzelf mijn rechten gelden

Op de erfnis, krachtens mijn geboorte mijn.

NORTHUMBERLAND. Te zeer verongelijkt werd de eed'le hertog.

ROSS. Hem recht te doen, aan uw genade staat het.

WILLOUGHBY. Laag volk werd groot door wat aan hem behoort.

YORK. Gij lords van England, laat mij dit u zeggen:

Dat onrecht aan mijn neef, het ging me aan 't hart,

En 'k deed het mijne, om recht hem te verschaffen;--

Doch dat hij zoo, met trotsche waap'nen komt,

Zich zelf bedient, zijn eigen weg zich houwt,

En recht door onrecht zoekt,--dit mag niet zijn;

En gij, die in dit doen hem steunt en schraagt,

Stookt oproer en zijt allen oproerlingen.

NORTHUMBERLAND. Hier de eed'le hertog zwoer, zijn komst beoogt

Het zijne slechts, zijn recht; en daartoe zeiden

Wij allen hem bij eede bijstand toe;

En wie dien breekt, beleev' nooit vreugde meer.

YORK. Goed, goed, ik zie den uitslag van die waap'ning;

En ik erken, verandren kan ik 't niet.

Mijn macht is veel te zwak, en niets in orde;

Doch,--ja, bij Hem, die mij het leven schonk;--

Zoo ik 't vermocht, ik liet u allen vatten,

Dat gij voor de genade u boogt des konings;

Doch wijl ik 't niet vermag, zij hier verklaard,

Dat ik onzijdig blijf. En nu, vaartwel,--

Tenzij het u behage op 't slot te komen

En daar uw rust te nemen deze nacht.

BOLINGBROKE. Wij nemen, oom, dit aanbod dankbaar aan,

Maar willen nog verwerven, dat gij met ons

Naar 't slot van Bristol gaat, door Bushy, Bagot

En heel hun aanhang, zoo men zegt, bezet,

Die rupsen van den staat, waarvan ik zwoer,

Dat ik hen zou verdelgen, uit zou roeien.

YORK. Meegaan? misschien; beloven doe ik 't niet;

Ongaarne doe ik, wat 's lands wet verbiedt.

Doch welkom, vriend of vijand, om het even;

Waar geen herstel op is, 't zij opgegeven.

(Allen af.)

Koning Richard de Tweede · 第 11 / 33 题