TWEEDE TOONEEL.

Aldaar. Een vertrek in het paleis.

De Koningin, Bushy en Bagot komen op.

BUSHY. Doorluchte vrouw, gij zijt te zeer bedroefd;

Den koning hebt gij toegezegd bij 't afscheid,

Niet toe te geven aan verterend leed,

Maar steeds uw opgeruimdheid te bewaren.

KONINGIN. Om 's konings wille deed ik 't, voor mijzelve

Kan ik 't niet doen; 'k erken, ik weet geen grond,

Om zulk een gast als droefenis te ontvangen,

Dan dat ik zulk een lieven gast als Richard

Vaarwel moest zeggen; tòch is 't mij, als naakte

Een ongeboren leed mij, in den schoot

Van 't lot gerijpt; en in mijn binnenst beef ik

Staâg voor een niets; er is iets, dat mij meer

Dan 't afscheid van mijn gade en koning drukt.

BUSHY. Het wezen van elk leed heeft twintig schimmen,

Die wel als 't leed er uitzien, maar 't niet zijn.

Het oog der smart, beglaasd met duistre tranen,

Ziet één ding als verdeeld in duizend andre,

Zooals een oogbedrog, dat, recht beschouwd,

Niets dan verwarring toont, maar, schuins bekeken,

Een vorm doet zien;--zoo, waarde koningin,

Het afscheid schuins beziend ontwaart gij vormen

Van 't leed, die erger schijnen dan het leed;

Doch ziet men zoo als 't is, dan zijn zij schimmen

Van wat niet is. Daarom, doorluchte vrouw,

Beween niet meer dan 't afscheid uws gemaals;

Meer ziet gij niet, en wat ge meer mocht zien,

Is wat des kommers oog te ontwaren meent,

Dat waan en schijn als werk'lijkheid beweent.

KONINGIN. Dat moog' zoo zijn, maar toch, mijn innigst wezen

Zegt, dat het anders is. Doch, hoe het zij,

Ik moet bedroefd zijn, en zóó zwaar bedroefd,

Dat, schoon ik, denkend, geen gedachten voed,

Een drukkend niets mij kwelt en huiv'ren doet.

BUSHY. Het is verbeelding, eed'le vrouw, niets meer.

KONINGIN. Niets is het minder; want verbeelding stamt

Van vroeger leed steeds af, wat mij drukt, niet.

Uit niets ontsproot mijn leed, dat iets is, of

Uit iets ontsproot het niets, dat mij bekommert;

Wat ik bezit, het is nog niet aanvaard;

Ik kan 't niet noemen, weet niet wat het is;

Het is een naamloos wee, dat is gewis.

(Green komt op.)

GREEN. Heil, eedle vrouwe!--Weest gegroet, gij heeren.

De koning, hoop ik, is nog niet op zee?

KONINGIN. Wat hoopt gij dit? Hoop liever, dat hij 't is.

Zijn werk eischt spoed, zijn spoed eischt goede hoop;

Wat hoopt gij dan, dat hij nog niet vertrok?

GREEN. Opdat hij, onze hoop, zijn volk terugroep',

Eens vijands hoop in schrik en angst verkeer',

Die reeds met groote macht hier is geland;

De balling Hereford roept zichzelf terug

En is reeds met getrokken zwaard genesteld

Te Ravenspurg.

KONINGIN. Verhoede dit de Hemel!

GREEN. O, 't is maar al te waar, en, erger nog,

De lords Northumberland, zijn zoon, de jonge Percy,

De lords van Ross, Beaumond en Willoughby

Zijn met hun sterken aanhang reeds bij hem.

BUSHY. Waarom verklaardet gij Northumberland

En heel 't oproerig rot niet voor verraders?

GREEN. Dit is geschied, waarop de graaf van Worcester

Zijn staf verbrak, zijn hof betrekking opgaf;

En met hem vlood geheel de mindre hofstoet

Naar Bolingbroke.

KONINGIN. Gij, Green, zijt vroedvrouw van mijn wee geworden,

En Bolingbroke mijns kommers onheilskind.

Nu bracht mijn ziel haar angstgedrocht ter wereld;

Ik, de uitgeputte, pas bevallen moeder,

Draag angst op angst, en wee op wee gehoopt.

BUSHY. Geef niet aan wanhoop toe!

KONINGIN. Wie kan 't verbieden?

Ik wil het doen, wil met bedriegend hopen

In vijandschap nu zijn; dat is een vleier,

Een tafelschuimer, die den dood terughoudt,

Als die des levens band zacht los wil maken,

Dat valsche hoop in 't uiterste nog rekt.

(York komt op).

GREEN. Daar komt de hertog York.

KONINGIN. Met teek'nen van den krijg om de' ouden hals.

O vol van ernst en zorgen is zijn blik.--

Spreek, oom, om Godswil, spreek een woord van troost!

YORK. Als ik dit deed, beloog ik mijn gedachten.

De hemel huisvest troost; wij zijn op aarde,

Waar niets dan onheil, zorg en kommer woont.

Uw gade is weg, ver weg, om ginds te redden,

Terwijl een ander hier zijn huis verheert;

Mij liet hij hier, als steunpilaar des lands,

Die, zwak door jaren, nauw mijzelven schraag;

Nu komt na 't feestgelag het uur van ziekte,

De tijd, dat hij zijn vleier-vrienden toetst.

(Een Dienaar komt op.)

DIENAAR. Uw zoon, mylord, was bij mijn komst reeds weg.

YORK. Was weg?--Nu, 't zij.--Ga alles, zooals 't wil.--

De lords zijn weg, en de gemeenten koud,

En kiezen, vrees ik, weldra Hereford's zijde.--

Knaap, ijl naar Plashy, tot mijn zuster Gloster;

Zij moet nog heden duizend pond mij zenden;

Hier, neem mijn ring.

DIENAAR. Mylord, ik heb vergeten u te melden:

Toen ik er langs kwam, straks, ging ik er aan;--

Ik zal u leed doen, als ik verder spreek.

YORK. Wat is er, knaap?

DIENAAR. Een uur te voren stierf de hertogin.

YORK. Nu hoede ons God! wat springgetij van weeën

Stort zich op eenmaal op dit weevol land!

Ik weet niet, wat te doen;--had God gewild,

Dat met mijn broeder mij de koning, (doch

Tot straf voor ontrouw niet,) had doen onthoofden!--

Spreek, zijn er nog geen boden weg naar Ierland?--

Hoe komen wij aan geld voor dezen krijg?--

Kom, zuster,--toch niet, nicht; houd mij ten goede.--

Gij, knaap, ga fluks naar huis en zorg voor karren,

En voer de waap'nen weg, die daar nog zijn.--

(De Dienaar af.)

Gij heeren, wilt gij volk gaan monstren?--Weet ik,

Hoe, op wat wijs ik deze zaken orden,

Mij zoo verward geworpen op de schouders,

Geloof mij dan nooit meer. Zij beiden zijn

Mijn neven, de een mijn vorst, voor wien mij eed

En plicht tot strijden noopt; voor de' andren, die

Gekrenkt werd door den vorst, pleit mijn geweten

En ook verwantschap, dat ik recht hem schaff'.

Iets moet geschieden.--Kom nu, nicht, ik breng u

In veiligheid;--gij heeren, monstert volk,

En spoedt u tot mij op het slot van Berkley.--

Naar Plashy moet ik ook;--

Maar tijd te vinden!--alles is in 't honderd,

En alles loopt verkeerd, niets uitgezonderd.

(York en de Koningin af.)

BUSHY. De wind is goed voor tijdingen naar Ierland,

Doch niets komt weder. 't Zaam'len van een macht,

Aan die des vijands evenredig, is

Voor ons volstrekt onmoog'lijk.

GREEN. Bovendien,

't Nabij den koning staan door liefde brengt ons

Nabij den haat van wie den koning haten.

BAGOT. De wank'lende gemeenten! hare liefde

Ligt in haar buidels, en wie deze leêgt,

Vult wis haar hart met doodelijken haat.

BUSHY. Waarom de koning algemeen gelaakt wordt.

BAGOT. En wij met hem, zoo zij de richters zijn,

Wijl wij altijd nabij den koning stonden.

GREEN. Nu, ik ga daad'lijk naar 't kasteel van Bristol;

De graaf van Wiltshire nam er reeds de wijk.

BUSHY. Ik ga met u er heen, want luttel liefde

Bewijzen ons de wrokkende gemeenten,

Dan dat ze als honden ons in stukken scheuren.--

Sluit gij u bij ons aan?

BAGOT. Neen, ik wil gaan naar Ierland, tot den koning.

Vaarwel; wanneer mijn hart het juist bevroedt,

Dan wiss'len wij hier onzen laatsten groet.

BUSHY. 't Hangt er van af, of York den opstand dempt.

GREEN. Die arme hertog! eer hem dit gelukt,

Drinkt hij de zeeën leeg en telt haar zand;

Op duizend houdt er één der zijnen stand.

Vaarwel voor goed; voor heden en voor immer!

BUSHY. Wij zien elkander weer.

BAGOT. Ik vrees van nimmer!

(Allen af.)

Koning Richard de Tweede · 第 10 / 33 题