Een legerkamp in Wales.
Salisbury en een Krijgsoverste komen op.
KRIJGSOVERSTE. Lord Salisbury, wij wachtten hier tien dagen,
En 't volk bijeen te houden viel ons zwaar,
En ziet, niets laat de koning van zich hooren;
Wij gaan dus heen, verspreiden ons; vaarwel!
SALISBURY. Wacht, brave Walliser, nog éénen dag,
De koning stelt in u zijn vol vertrouwen.
KRIJGSOVERSTE. Elk acht den koning dood; wij wachten niet.
In 't gansche land staan de laurieren dor;
Voor meteoren taant het vast gesternte;
De bleeke maan ziet bloedig neer op de aard;
En maag're zieners fluistren huiv'rend omkeer;
De rijken zijn bedrukt en schelmen dansen;--
Die duchten het verlies van geld en goed,
En dezen hopen op geweld en oorlog;
Die teekens spellen vorsten dood of val.--
Vaarwel, de macht van ons, die hier was, vlood,
Vast overtuigd van koning Richard's dood.
(Krijgsoverste af.)
SALISBURY. O Richard, met een blik vol bangen kommer
Zie ik, gelijk een sterre, die verschiet,
Uw glans van 't firmament ter aarde ploffen.
De zon zinkt weenend in 't laag westen neer
En kondigt wee en storm aan en boos weer.
Wie vriend was, vliedt en zoekt den vijand op;
En wat gebeur', het voert uw leed ten top!
(Salisbury af.)