EERSTE TOONEEL.

Londen. Een vertrek in Ely-hof.

Gent op een rustbed; de Hertog van York en Anderen staan om hem heen.

GENT. Komt Richard? spreek! opdat mijn laatste woord

Heilzame raad zij voor zijn wufte jeugd?

YORK. O, kwel u daarmeê niet en spaar uw adem;

't Is al om niet, wat raad zijn oor bereik'!

GENT. O, maar de tong van stervenden, zoo zegt men,

Dwingt aandacht af, als diepe harmonie;

Vaak klemt het woord van hem, wiens stemme breekt,

Want waarheid ademt, wie zwaar-aad'mend spreekt.

Men luistert meer naar hem, wien 't woord begeeft,

Dan naar de jeugd, die dartelt met haar woorden;

Meer telt men, die gaat sterven, dan die leeft.

De zon, die daalt, de klank van slotakkoorden,

Heugt, als het laatste zoet van zoetigheden,

Meer dan 't verbleekte schoon van 't ver verleden.

Gaf Richard nooit den levende gehoor,

Wellicht geneest mijn stervend woord zijn oor.

YORK. O, dat versperren andre, vleiersklanken:

Als 't roemen van zijn hofstaat; dan, de dwaasheid

Van wulpsche lied'ren, naar wier giftig ruischen

Het open oor der jeugd steeds hooren wil,

't Bericht van modes in het trotsch Itaalje,

Welks zeden steeds ons loom en aap'rig volk

Bespiedt en nahinkt, slaafsch zichzelf verneed'rend.

De wereld brengt geen ijdelheid aan 't licht,--

Is zij slechts nieuw, dan vraagt men niet hoe slecht,--

Of zij wordt ijlings hem in 't oor geblazen.

Raad komt te laat en wordt niet meer gehoord,

Zoo lust, oproerig, wijsheids stem versmoort.

Wijs hun geen weg, die zelf hem kiezen willen;

Gij hijgt naar lucht, wat zoudt gij lucht verspillen?

GENT. Het is me, als werd ik plotsling een profeet,

En zoo spel ik, verscheidend, nu zijn toekomst.

Zijn dol en wulpsch geflakker kan niet duren,

Want ieder heftig vuur brandt schielijk uit;

Kort duurt een stortbui, zachte regens lang;

Wie vroeg te haastig spoort, is weldra moe;

Wie al te gulzig eet, hij stikt in 't eten;

Dwaze ijdelheid, die onverzaadbre gier,

Verslindt haar buit en aast dan op zichzelf.

Deez' koningstroon, dit scepterdragend eiland,

Dit land van macht en waardigheid, Mars' zetel,

Dit ander Eden, tweede paradijs,

Dit bolwerk, door natuur zichzelf gebouwd,

Waar iedre krijg en zijn verderf op afstuit,

Dit volk van zegen, deze kleine wereld,

Dit kleinood, in de zilv'ren zee gevat,

Die als een wal het kostlijk pand beschut,

Of als een gracht, die 't huis verdedigt tegen

Den nijd van min met heil begaafde landen,--

Deez' zegenrijke plek, dit rijk, dit England,

De moederschoot en min van hooge vorsten,

Gevreesd om hun geslacht, hoog van geboort,

Zoo ver van huis beroemd om hunne daden,

(In echten christenridderdienst volbracht,)

Zoo ver als in 't verstokt Judea 't graf

Des wereldheilands ligt, des zoons der maagd,

Dit dierbaar, dierbaar land, van dierbre zielen,

Zoo dierbaar om zijn naam in heel de wereld,

Is nu verpacht,--ja, 't zeggen is mijn dood,--

Gelijk een landgoed of een bouwmanshoeve.

Dit England, door de trotsche zee omgord,

Welks rotsig strand de nijdige berenning

Des zeegods afslaat, is omstrikt door schande,

Door rottig perkament en brodd'lig schrift;

England, dat andren plach de wet te stellen,

Heeft schandlijk nu zichzelf de wet gesteld.

O, als de smaad gewischt was met mijn leven,

Hoe juichte ik nu in 't naad'ren van den dood!

(Koning Richard en de Koningin komen op, met Aumerle, Bushy, Green,

Bagot, Ross en Willoughby.)

YORK. Daar komt de koning; zacht toch, om zijn jeugd;

Een wild, jong veulen slaat, geslagen, wilder.

KONINGIN. Hoe vaart onze edele oom van Lancaster?

KONING RICHARD. Hoe is 't, oom Hans? hoe maakt het de oude Gent?

GENT. Wat past dat "oude Hans" goed op mijn toestand!

Ja, maag're Hans maait dra zijn evenbeeld!

In mij hield leed een langen vastentijd;

En wie niet eet, wordt dra een maag're Hans;

Wijl England sliep, heb ik aldoor gewaakt,

En 't waken deed een maag'ren Hans mij worden.

't Geluk, dat voedsel is voor menig vader,

Verkeerde in vasten, 'k mocht mijn kind niet zien;

En zoo werd ik door u tot maag'ren Hans;

En zoo deugt de oude Hans voor niets dan 't graf,

Welks holle schoot niets erven zal dan beend'ren.

KONING RICHARD. Hoe kan een zieke met zijn naam zoo spelen?

GENT. Spot met zichzelve doet de ellende goed.

Gij gaaft me een naam des doods; begroet ik nu

Dien naam met scherts, dan, koning, vlei ik u.

KONING RICHARD. Speelt hij, die sterft, voor vleier bij die leeft?

GENT. Neen, levenden zijn vleiers voor die sterven.

KONING RICHARD. Neen, gij, die sterft, gij vleit, zoo zegt gij mij.

GENT. Neen, gij zijt stervend, schoon ik kranker zij.

KONING RICHARD. Ik ben gezond, ik adem, zie u krank.

GENT. Neen, neen, mijn Schepper weet, u zie ik krank;

Ik, krank van uitzicht, zie u doodlijk krank.

Uw doodsbed is niet kleiner dan uw land,

Waar gij met kranken naam in nederligt.

En gij, lichtzinnig zieke, die gij zijt,

't Gezalfde lijf vertrouwt gij aan de heeling

Van dìe, dìe artsen, die u eerst verwondden.

Een duizend vleiers zitten in uw kroon,

Haar omtrek is niet grooter dan uw hoofd,

En toch, gesperd in zulk een enge ruimte,

Verbrassen zij niet minder dan uw land.

O, had uws vaders vader, als een ziener,

Erkend, hoe zijns zoons zoon eens zijne zonen

Verderven zou, hij had uw schande wis

Uit uw bereik gebracht, u afgezet,

Aleer gij ooit uw erfland hadt bezeten,

Bezeet'ne, die uzelf hebt afgezet!

Ja, neef, al waart gij vorst der gansche wereld,

Een schande waar' 't, dit land in pacht te geven;

Doch daar dit land alleen uw wereld is,

Is 't nu niet meer dan schande, 't zoo te schenden?

Landheer van England zijt gij thans, niet koning;

Uw vorstlijk recht is nu de slaaf der wet,

En--

KONING RICHARD. En gij, een maanzieke en versufte dwaas,

Gij, met het voorrecht van de koorts u dekkend,

Durft met uw kille strafrede onze wangen

Verbleeken doen, ons vorstlijk bloed door toorn

Verjagen uit zijn wettig oponthoud!

Nu, bij de hooge majesteit mijns toorns,--

De zoon des grooten Edwards noemde u broeder,

Maar anders deed uw tong, zoo vrij in 't hoofd,

Het hoofd u van uw drieste schouders vliegen.

GENT. O, spaar mij niet, gij zoon mijns broeders Edward,

Wijl ik een zoon was van zijn vader Edward.

Gij hebt reeds, als de pelikaan, dat bloed

Vergoten, dronken feest er mee gevierd.

Mijn broeder Gloster,--brave trouwe ziel,

Wien 't goed hierboven ga bij zaal'ge zielen!--

Is reeds een voorbeeld en een goed getuige,

Dat ge Edwards bloed, en zonder schroom, vergiet.

Vereen u vrij met deze mijne ziekte,

Uw boosheid zij als krommende ouderdom,

En maai' de lang verwelkte bloem ras af.

Leef in uw schande, en dat ze u overleev';

Herdenk mijn taal met wroeging steeds en beef!--

Komt, brengt mij nu te bed, en dan naar 't graf;

Volgaarne sterft, wien liefde en eer begaf!

(Gent wordt door zijn Dienaars weggedragen.)

KONING RICHARD. Hij sterve, wien èn jeugd en vreugd begaf;

Die mist gij beide, en zijt dus rijp voor 't graf.

YORK. Ik bid uw majesteit, schrijf deze woorden

Aan wreev'le ziekte en aan zijn leeftijd toe;

Hij heeft u lief, niet minder dan zijn' zoon,

Dan Hendrik Hereford; ware die ontboôn!

KONING RICHARD. Juist, zooals Hendrik Hereford mint hij mij,

Ik hen gelijk zij mij;--welnu dit zij!

(Northumberland komt op.)

NORTHUMBERLAND. Mijn vorst, ontvang den groet van de' ouden Gent.

KONING RICHARD. Wat zegt hij?

NORTHUMBERLAND. Niets meer; alles is gezegd.

Zijn tong is nu een snaarloos instrument,

Spraak, leven, alles wat hij had, ten end.

YORK. Wees, York, dra even zoo bankroet! De dood,

Hoe arm hij make, is 't eind van bitt'ren nood.

KONING RICHARD. De rijpste vrucht valt eerst;

hij moest wel vallen,

Zijn tijd was om; het is het lot van allen.

Genoeg hiervan.--Nu van den Ierschen krijg.

Verdelgen moet ik 't woest gespuis, die Kernen,

Die giftig daar gedijen, waar geen gif,

Dan zij alleen, het voorrecht heeft te leven.

En daar dit groote werk veel geld vereischt,

Zoo trekken wij tot onze hulp aan ons

Het zilverwerk, geld, renten, 't roerend goed,

Waarvan onze oom van Gent bezitter was.

YORK. Hoe lang blijf ik geduldig? Ach, hoe lang

Duldt teeder plichtgevoel een boozen dwang?

Niet Gloster's dood, noch Hereford's ballingschap,

Noch Gent's bestraffing, noch zelfs Englands nood,

Noch dat arglistig stuiten van het huwlijk

Van de' armen Bolingbroke, noch eigen smaad

Deed mijn gelaat van lijdzaam bitter worden,

Noch tegen mijnen vorst mij 't voorhoofd frons'len.

Ik ben de laatste zoon des eed'len Edwards;

Zijn eerste was uw vader, prins van Wales;

In de' oorlog was geen gramme leeuw ooit stouter,

In vrede geen geduldig lam ooit zachter,

Dan deze jonge, vorstlijke edelman.

Zijn aangezicht hebt gij, ja, evenzoo

Zag hij er uit, toen hij ùw jaren had;

Doch zag hij gram, dan was het tegen Frankrijk,

Nooit tegen vrienden; en zijn eed'le hand

Won wat hij wegschonk, maar hij schonk niet weg,

Wat in triomf zijns vaders hand eens won.

Rein was zijn hand steeds van verwantenbloed,

Maar bloedig van de vijanden zijns stams.

O Richard, overstelpt is York van kommer,

Slechts dit perst hem die vergelijking af.

KONING RICHARD. Maar, oom, wat wilt gij?

YORK. O, mijn heer en vorst,

Vergeef mij, zoo gij 't goed vindt; maar zoo niet,

Dan vind ik goed, dat gij mij niet vergeeft.

Intrekken wilt gij, zelf met handen grijpen

De leenen, rechten van den balling Hereford?

Is Gent niet dood en leeft niet Hendrik Hereford?

Was Gent niet braaf en is niet Hendrik trouw?

Verdiende de eene niet een erfgenaam?

Is de erfgenaam niet een verdienstlijk zoon?

Neem Hereford's rechten weg, ontneem den Tijd

Zijn perkamenten en zijn oude rechten,

Laat dan geen morgen meer op 't heden volgen;

Wees dan uzelf niet, want hoe zijt gij koning

Dan door opvolging en door erfenis?

Bij God!--verhoede God, dat ik gelijk heb!--

Zoo ge onrechtvaardig Hereford's rechten eigent,

De koningsbrieven intrekt, die hij heeft,

En 't recht, om door gemachtigden zijn leenen

Te heffen, niet erkent, zijn hulde weigert,

Dan hoopt gij duizend nooden op uw hoofd,

Verliest wel duizend welgezinde harten,

En wekt in mijn geduld gedachten op,

Die eer en trouwe leenplicht niet kan denken.

KONING RICHARD. Denk, wat gij wilt; toch leggen wij de hand

Op 't zilverwerk, zijn geld, zijn goed, zijn land.

YORK. Vaarwel, mijn vorst, ik zie het niet mee aan;

Geen sterv'ling weet wat hieruit kan ontstaan;

Toch is het licht te zien, dat booze wegen

Tot onheil zullen voeren, nooit tot zegen.

(York af.)

KONING RICHARD. Ga, Bushy, daad'lijk tot den graaf van Wiltshire;

Hij kome tot ons hier in Elyhof,

En reeg'le deze zaak. Nu, morgenochtend

Gaan wij naar Ierland en voorwaar, 't is tijd.

Gedurende onze afwezigheid vervulle

Mijn oom van York in England onze plaats,

Want hij is trouw en was ons steeds genegen.

Kom nu, mijn gade; morgen scheiden wij;

Wees lustig, want een dag is dra voorbij.

(Trompetgeschal, Koning Richard, de Koningin,

Aumerle, Bushy, Green en Bagot af.)

NORTHUMBERLAND. Nu, lords, de hertog Lancaster is dood.

ROSS. En leeft toch ook, zijn zoon is hertog thans.

WILLOUGHBY. Ja, naar den titel, naar de renten niet.

NORTHUMBERLAND. Naar beide rijklijk, ware recht hier recht.

ROSS. Mijn hart is vol, maar, zwijgend, moet het breken,

Eer 't zich in vrije taal van zorg ontlast.

NORTHUMBERLAND. Neen, spreek vrijuit, en hij spreek' nimmer weder,

Die, wat gij zegt, herzegt om u te schaden!

WILLOUGHBY. Betreft, wat gij wilt zeggen hertog Hereford?

Als dit zoo is, spreek onbeschroomd vrijuit,

Mijn oor vangt op, en gretig, wat hem goed doet.

ROSS. Niets goeds ter wereld kan ik voor hem doen,

Tenzij 't hem goed doe, dat ik hèm beklaag,

Die schandlijk van zijn erfdeel wordt beroofd.

NORTHUMBERLAND. Bij God, 't is schande, duldt men zulk een onrecht

Aan hem, eens konings kleinzoon, en aan andren

Van edel bloed in dit vervallend land.

De koning is zichzelf niet, wordt verleid

Door vleiers; en wat die in 't oor hem blazen

Uit haat of wrevel tegen een van ons,

Dat zoekt de koning streng dan te vervolgen

Aan ons, ons leven, aan ons huis en erven.

ROSS. Hij drukt het volk aldoor met zware lasten

En raakt hun liefde kwijt; hij straft den adel

Om ouden twist en raakt hun liefde kwijt.

WILLOUGHBY. En daag'lijks denkt men nieuwe lasten uit,

Als blancobrieven, schenkingen, wat weet ik!

Maar wat, in Godsnaam, wat moet hiervan worden?

NORTHUMBERLAND. Geen krijg verslond het, want hij krijgde niet;

Hij stond zelfs bij verdragen smaadlijk af,

Wat eens zijn vaad'ren met het zwaard verwierven.

Hij spilde in vrede meer, dan zij door oorlog.

ROSS. De graaf van Wiltshire heeft het rijk in pacht.

WILLOUGHBY. De koning is bankroet, een bedelaar.

NORTHUMBERLAND. Oneer en ondergang bedreigen hem.

ROSS. Hij heeft geen geld voor dezen krijg in Ierland,--

Wat drukkende belasting hij ook heff',--

Dan door 't berooven des verbannen hertogs.

NORTHUMBERLAND. Zijn eed'len neef;--o diepgezonken koning!

Maar, lords, wij hooren 't suizen van een onweer,

En zoeken nog geen schuilplaats voor den storm;

Wij zien den winddruk zwaar op onze zeilen,

En strijken niet; wij laten ons vergaan.

ROSS. Wij zien de schipbreuk, die wij lijden zullen,

En onvermijdlijk is reeds het gevaar,

Wijl de oorzaak van de schipbreuk wordt geduld.

NORTHUMBERLAND. Neen, uit de ledige oogen van den dood

Zie 'k leven glimmen, doch ik durf niet zeggen,

Hoe na de tijding is van onzen troost.

WILLOUGHBY. Deel wat gij denkt ons mee, als wij aan u.

ROSS. Wees zonder vrees, en spreek, Northumberland.

Wij drieën zijn uzelf slechts, en uw woorden

Zijn ons alleen gedachten; spreek dus vrij.

NORTHUMBERLAND. Nu dan,--ik heb uit Port le Blanc, een haven

Ginds in Bretagne, 't wis bericht ontvangen,

Dat Hendrik Hereford, Reginald lord Cobham,

Graaf Arundel, de zoon, onlangs ontsnapt

Aan 't wakend oog van hertog Exeter,

Zijn broeder, de aartsbisschop van Canterbury,

Sir Thomas Erpingham, Sir John Ramston,

Sir John Norbery, Sir Robert Waterton en Francis Quoint,

Dat die, door steun des hertogs van Bretagne,

Wel toegerust, acht groote schepen sterk

En met drieduizend man, met allen spoed

Opbreken en op onze noorderkust

Een landing willen doen. Zij waren moog'lijk

Alreeds geland, maar wilden op 't vertrek

Des konings naar den Ierschen oorlog wachten.

Dus, willen wij ons slavenjuk verbreken,

Englands geknotte wiek op nieuw beveed'ren,

De kroon weer lossen uit der schraapzucht pacht,

Het stof van onzen gouden scepter wisschen,

En hooge majesteit zichzelf doen zijn,

Dan spoorslags voort met mij naar Ravenspurg;

Doch aarzelt gij en vreest gij op te staan,

Zoo blijft en zwijgt, alleen ook wil ik gaan.

ROSS. Te paard, te paard! nooit ducht de moed gevaar.

WILLOUGHBY. Mijn ros blijk' goed, en ik ben de eerste daar.

(Allen af.)

Koning Richard de Tweede · 第 9 / 33 题