Men hoorde duidelijker kloppen nu, en Jansen ging opendoen.
Een forsche kerel stapte binnen, en Willem Stoffels volgde zijn
vriend. Zij dropen van den regen. Het weer had hen overvallen op den
weg waar geen huis is.
"Zwaar weertje" zeiden ze. "Is me dat iets?"
Geen der vrouwen antwoordde. Anna was werktuigelijk opgestaan, en
met de meisjes verdween de moeder in de keuken.
"Geef ons een borrel," vroeg Willem.
Het noodweer liet geen oogwenk af.
"Wij zaten te bidden," zei Jansen. "Ik heb u niet binnen gelaten dat
gij drinken zoudt. Bij zoo'n weer laat een kristelijk mensch zelfs
geen hond op straat. Dáárom!"
Er viel een slag dat de muren dreunend schenen te bewegen.
Stoffels vloekte binnensmonds.
"In den naam van God, barstte Jansen uit, daar wordt hier niet
gevloekt, verstaan jullie."
Een krakend geluid viel over 't huis neer, en een ander geluid
rinkelde in het huis zelf. Met een slag stortte in de voorkamer een
groot schilderij van den wand en 't glas er van viel aan stukken.
Doodsbleek kwam moeder Jansen toegeschoten.
"Heere," zei de herbergier, "het 'Hart Jesus' is van den muur
gevallen. Geheel aan stukken...."
"God bewaar ons, zuchtte de vrouw, dat beteekent ongeluk...."
Het noodweer scheen nimmer te zullen eindigen. Eerst langzaam werd het
allengskens minder en nam traagjes af. Jansen had somber neergezeten,
zonder spreken. De regen hield nu op heftig neer te plassen. "Het is
over," zei hij. De arbeiders hadden stil samen zitten praten.
"Nu kunnen de meisjes zich wel weer laten kijken" grinnikte de oudere
der twee.
"Zou Anneke ons geen borrel willen schenken?" verstoutte zich Willem
Stoffels. "Waar is ze?"
"Hoor hier," beet Jansen toe, getergd en grimmig "als het niet geweest
was om 't noodweer van vandaag, dan had géén moordenaar hier zijn
voet over den drempel gezet! En alles wat ik je te zeggen heb, is:
dat dáár de deur is."
"Hola, hola," bracht de ander in het midden.
"Spreek ik tot dooven?" tierde Jansen.