X.

Het was een poos later. 't Was een heete dag geweest en vóór de avond

viel, donkerde plotseling de lucht. Heel den namiddag had men het vage

rommelen van 't onweer gehoord. Op eens nu pakten zich de wolken van

alle kanten saam: torens van wolken, in stapels op elkaar gebouwd. Een

vaal, geelachtig licht viel over het veld. Rondom werd een angstige

stilte hoorbaar. De werkers spoedden zich van hun buitenarbeid weg. Hun

stappen klonken luid langs de straat. Alles ijlde naar huis. Toen

stak de wind op, kwam gierend over het veld loopen, en floot langs den

weg het dorp in, waar hij het zand in draaikolken wervelend opvoerde

tusschen de huizen. Hij rammelde aan blinden, sloeg loshangende

luiken dicht en openstaande ramen. Bloempotten woeien om. De menschen

op straat begonnen hard te loopen. De hooge populieren werden heen en

weer gezwiept in 't gedruisch van hun angstig loof. Een moeder riep met

bange stem op haar kind, helder hoorbaar over den weg. Daar kwam nog

een jonge boer aanzetten, die zijn koeien van de wei terugdreef naar

den stal. De dieren zagen somber rond, traag gaande met de zwenkende

uiers. Dan werd het duister alsof de nacht begon. Een schelle schicht

purperrood vuur schoot langs de daken: een paar sekonden, en krakend

barstte de stilte aan rinkelende scherven, alsof de hemel doorzeeg.

Vader Jansen sloeg een kruis. Angstig schoolden de meisjes

samen. Moeder kwam uit de keuken met de gewijde kaars, die op een

luchter geplaatst werd en ontstoken.

"Kinderen," zei ze, "haalt wat van den kruidwisch op zolder. Het

wordt een zwaar weer."

Maar de meisjes waren te bang om naar boven te gaan.

De donderslagen ratelden, met de vaart der bliksemstralen in hun

vurig verschieten om strijd.

"Ik zal hem halen" zei Jansen en ging.

Het scheen wel dat hij een uur weg bleef.

De zware slagen vielen met telkens korter tusschenruimte.

"Heb je hem?" riep moeder bij de trap.

"Ja," antwoordde hij, "ik kom."

"Goddank," dacht ze. Ook zij was ongeruster dan zij blijken liet.

"Wij zijn in Gods hand" zeide zij altijd.

"Over het veld is heel de lucht één vuur," zei Jansen, binnenkomend met

heel den bos. 't Was de bloementuil die met Lieve Vrouw Hemelvaart in

de kerk gezegend was. Daaruit nam ze een paar dorre stengels en legde

ze op den dooven haard, waar zij ze deed ontvlammen met de gewijde

kaars. De schuchtere vlammetjes waren eene geruststelling, toen zij

't kruid van den dorren tuil likten.

De bliksemstralen liepen rondom 't huis, alsof zij er door heen

voeren. Het vuur verdween niet van de vensters. En met ijzeren hamers

mokerden de donderslagen.

Luid-op bad vrouw Jansen den rozenkrans. Telkens werd het gebed weer

even onderbroken, wanneer één dier geweldige slagen viel, die het heele

huis aan 't dreunen zetten. Zij rolden voort, terwijl het geluid zich

in zijn echo herhaalde, alsof zij geen einde zouden nemen. Nauwelijks

hoorbaar antwoordden de meisjes het: "Heilige Maria, Moeder Gods...."

Dan zeide vrouw Jansen weer: "och-arme, die arme menschen die daar

nu in zijn!" De regen gudste nu.

"Het wordt nog altijd erger," zei de man bezorgd.

Een krakend gedonder vloog in splinters. Het was alsof de kerk was

ingestort. "God zij ons genadig. Anna, krijg het kerkboek van den

schoorsteenmantel, dat we Sint Jan's Evangelie bidden...."

"Vader," zei Lize, "ik hoor kloppen aan de deur."

Een nieuwe geweldige slag loeide los, over het dorp heen daverend.

Onder den rook der mijn Eene novelle uit Limburg · 第 17 / 22 题