Het was een poos later. 't Was een heete dag geweest en vóór de avond
viel, donkerde plotseling de lucht. Heel den namiddag had men het vage
rommelen van 't onweer gehoord. Op eens nu pakten zich de wolken van
alle kanten saam: torens van wolken, in stapels op elkaar gebouwd. Een
vaal, geelachtig licht viel over het veld. Rondom werd een angstige
stilte hoorbaar. De werkers spoedden zich van hun buitenarbeid weg. Hun
stappen klonken luid langs de straat. Alles ijlde naar huis. Toen
stak de wind op, kwam gierend over het veld loopen, en floot langs den
weg het dorp in, waar hij het zand in draaikolken wervelend opvoerde
tusschen de huizen. Hij rammelde aan blinden, sloeg loshangende
luiken dicht en openstaande ramen. Bloempotten woeien om. De menschen
op straat begonnen hard te loopen. De hooge populieren werden heen en
weer gezwiept in 't gedruisch van hun angstig loof. Een moeder riep met
bange stem op haar kind, helder hoorbaar over den weg. Daar kwam nog
een jonge boer aanzetten, die zijn koeien van de wei terugdreef naar
den stal. De dieren zagen somber rond, traag gaande met de zwenkende
uiers. Dan werd het duister alsof de nacht begon. Een schelle schicht
purperrood vuur schoot langs de daken: een paar sekonden, en krakend
barstte de stilte aan rinkelende scherven, alsof de hemel doorzeeg.
Vader Jansen sloeg een kruis. Angstig schoolden de meisjes
samen. Moeder kwam uit de keuken met de gewijde kaars, die op een
luchter geplaatst werd en ontstoken.
"Kinderen," zei ze, "haalt wat van den kruidwisch op zolder. Het
wordt een zwaar weer."
Maar de meisjes waren te bang om naar boven te gaan.
De donderslagen ratelden, met de vaart der bliksemstralen in hun
vurig verschieten om strijd.
"Ik zal hem halen" zei Jansen en ging.
Het scheen wel dat hij een uur weg bleef.
De zware slagen vielen met telkens korter tusschenruimte.
"Heb je hem?" riep moeder bij de trap.
"Ja," antwoordde hij, "ik kom."
"Goddank," dacht ze. Ook zij was ongeruster dan zij blijken liet.
"Wij zijn in Gods hand" zeide zij altijd.
"Over het veld is heel de lucht één vuur," zei Jansen, binnenkomend met
heel den bos. 't Was de bloementuil die met Lieve Vrouw Hemelvaart in
de kerk gezegend was. Daaruit nam ze een paar dorre stengels en legde
ze op den dooven haard, waar zij ze deed ontvlammen met de gewijde
kaars. De schuchtere vlammetjes waren eene geruststelling, toen zij
't kruid van den dorren tuil likten.
De bliksemstralen liepen rondom 't huis, alsof zij er door heen
voeren. Het vuur verdween niet van de vensters. En met ijzeren hamers
mokerden de donderslagen.
Luid-op bad vrouw Jansen den rozenkrans. Telkens werd het gebed weer
even onderbroken, wanneer één dier geweldige slagen viel, die het heele
huis aan 't dreunen zetten. Zij rolden voort, terwijl het geluid zich
in zijn echo herhaalde, alsof zij geen einde zouden nemen. Nauwelijks
hoorbaar antwoordden de meisjes het: "Heilige Maria, Moeder Gods...."
Dan zeide vrouw Jansen weer: "och-arme, die arme menschen die daar
nu in zijn!" De regen gudste nu.
"Het wordt nog altijd erger," zei de man bezorgd.
Een krakend gedonder vloog in splinters. Het was alsof de kerk was
ingestort. "God zij ons genadig. Anna, krijg het kerkboek van den
schoorsteenmantel, dat we Sint Jan's Evangelie bidden...."
"Vader," zei Lize, "ik hoor kloppen aan de deur."
Een nieuwe geweldige slag loeide los, over het dorp heen daverend.