"Stoffels--zei de pastoor van Brunssum--ik heb je bij me laten
roepen.... Wat heb ik gehoord, mijn goede vriend?"
"Wat zal dat zijn, mijnheer pastoor?"
"Maar neem een stoel"--zei de grijze herder geruststellend tot den
armen kerel die bedremmeld stond, en beurtelings naar den geestelijke
zag en naar zijn zondagsche pet die hij in de handen hield.--"Zit
neer zoo lang."
Ook de pastoor ging zitten.
"Ik heb gehoord dat je Willem naar de mijn wilde sturen, naar
Amstenrade."
"Ja, mijnheer pastoor."
"Zoo, zoo. Is 't dan toch waar? Ik wilde 't eerst niet gelooven! Ik
geloofde 't niet. Zou dan een Stoffels de eerste zijn uit de parochie,
om dien weg op te gaan?"
"Hij begint er met drie mark, mijnheer pastoor."
"Stoffels, is het je om 't geld te doen?"
"Ik ben een arme man, die vijf kinderen heb groot te brengen. Drie
mark daags was vroeger 't loon van een volwassene. Tegenwoordig kan
een jongen van vijftien jaar en van twaalf jaar, er zooveel verdienen
om te beginnen."
"Goed Stoffels, daar moet geld zijn om te leven. Maar moeten wij alleen
leven voor 't geld? Een eerlijke verdienste is een goed ding. Maar
de ziel, Stoffels, de ziel! Als wij rijk worden en schade lijden voor
de eeuwigheid, wat is die rijkdom dan?"....
"Ik kan mijn jongen toch aan geen ketting leggen! Hij is door den
loopstoel heengegroeid, mijnheer pastoor. Daar moet maar verdiend
worden."
"En maar naar de mijn toe, alsof dat het eenige was!"....
"Waarom zou een mensch dan van den goeden weg moeten raken, omdat
hij mijnwerker wordt? Mijnheer pastoor zal toch wel weten, dat een
boer al evenmin een heilige is."
"Alle vleesch is zwak en wij zijn allen zondaars, Stoffels. Maar moet
ik je er op wijzen, welke gevaren er zijn voor een jongen knaap in
het mijnwerkersleven? Niet dat een mijnwerker noodzakerlijker wijze
zou moeten ophouden een goed mensch te zijn! Doch de mijn zelve is het
uitgezochte vereenigingspunt van allerlei slecht volk. De boosdoener
zoekt de duisternis en wie in het gevaar gaat, zal er in vergaan."
"Ja maar, mijnheer pastoor, daar zullen wij wel op letten. Willem
komt immers iederen namiddag thuis."
"Stoffels, dat doet er allemaal niet toe. Het kwaad is er in de
omgeving en in de lucht. Wie ontkomt aan de besmetting, waar allen
besmet zijn? De omgang met volwassenen en het vrije leven, die groote
vrijheid van beweging, is eene ramp voor jonge kinderen. Het kind
moet opgroeien onder het oog der ouders of onder 't oog van bezorgde
lieden, die over zijn onschuld waken. Als gij een jongen naar den
vreemde zendt om daar te arbeiden, onttrekt gij hem aan de hoede van
zijn geestelijken herder."
"Mijnheer pastoor, onderbrak Stoffels, wanneer ik Willem op een
pachthoeve plaats, is hij ook onder uw oogen uit. Doch ik vraag maar:
kunt gij een jongen van vijftien jaar hier in Brunssum drie mark
daags te verdienen geven?"
"En kun jij, zijn bloedeigen vader, den drankduivel van hem afweren,
met de zeven duivels die dezen ten dienste staan? Ze gaan verloren
in de mijn, als daalden ze er naar de levende hel af...."
Een korte stilte.
"Stoffels,--zei de pastoor met ontroering in zijn stem, die zachter
klonk--'t is toch een heel ander leven voor een kind, zooals je zelf
bent groot gebracht, buiten, op het land. Veldarbeid veredelt den
mensch, die zijn hoofd vrij en fierer opricht, wanneer hij Gods schoone
natuur rondom zich, en Gods lieve zonne over zich heen voelt schijnen."
"Dat is allemaal goed en wel, zooals de stadsmenschen dat bezien. Doch
als de hagelslag je 't koren vernielt, kun je zien hoe je de pacht
betaald krijgt."
"Behooren ongelukken op de mijn dan soms tot de zeldzaamheden?"
"We zijn overal in Gods hand, mijnheer pastoor!"
"Ja Stoffels, zoolang we ons niet begeven in de macht van den Satan."
"Maar, mijnheer pastoor, wat ik zeggen wilde: het leven van een boer is
ook nog àlles niet! En 't jonge volkje van vandaag wil maar geen dienst
meer nemen. Doe er eens wat aan? Acht uur arbeid, vast loon, hoog loon,
en gerust zijn hoofd neerleggen als 't avond is.... Dan hebben ze nog
wat van hun leven. En zoolang de ouders 't loon opstrijken, hebben
ze er maar een goeden dag mee. De tijden zijn veranderd. Goddank."
Ongeduldig geworden stond de pastoor op. "Daar is niets te beginnen
met je, Stoffels. Als je 't je maar niet te beklagen hebt later,
dat je te laat zult wijs geworden zijn."
"De vrouw wil 't zoo," bracht Stoffels in 't midden, die de uitbarsting
van een onweer vreesde; dat was zijn bliksemafleider.
"Het is te betreuren,--sprak de priester met nadruk,--dat een huisvader
geen gezag meer heeft in den tegenwoordigen tijd. Als je inziet dat
je vrouw het kwade voorheeft, moet jij, als hoofd van het huisgezin,
haar de uitvoering daarvan beletten en haar het goede voorhouden."
"Mijnheer pastoor, ik kan het niet beteren; maar ik zie er het kwade
niet van in, dat 'k voortaan drie mark dagelijks in huis gebracht
krijg...."
"En een socialist, een dronkaard met bedorven hart.--Hoeveel maanden
of hoeveel weken denk je, dat de jongen je zijn loon in de hand zal
leggen. Zul je hem daartoe dwingen kunnen?...."
Stoffels schoof de deur uit.
"Ik zal eens met de vrouw komen praten" dreigde de pastoor.
"Dan moet je je haasten" dacht Stoffels, die over den drempel trad en
zijn pet opzette.--"Maar, ziezoo, dat hebben we alweer achter den rug."
"Dag heer pastoor," groette hij van de straat terug.
"Harten van steen en staal." En de geestelijke wierp de deur in
't slot.
Met gemeten passen mat de oude priester de mossige paden van zijn
tuintje.
"Oók armoede kan schoon zijn," zeide hij bij zich zelven. "Het getob
van den landman,--laat zijn bestaan ook moeizaam wezen,--is toch niet
neerdrukkend. Hard en soms ontmoedigend, ontmoedigend;--maar zijn
arbeid verbittert hem niet. Want de aarde houdt nooit op vruchtbaar
te zijn, en de wolken vergeten niet voor regen te zorgen, noch de
zon voor de warmte die noodig is. De mensch is niet geschapen dan
om te leven onder den blauwen hemel. Daar heeft God hem gesteld als
in zijn levenselement. En met de ronde kimmen der wereld, spant God
zelf zijne armen om de menschheid uit...."
Hij maakte onbewust een beweging van afkeer, telkens wanneer hij
aan de mijn dacht. De nacht zonder sterren, zuchtte hij dan; de
duisternis zonder licht. Hoe kan er tevredenheid wezen en opbeuring
bij dien arbeid, waar de mensch als het dier, wroetend in den grond,
als het dier zwoegt met gebogen hoofd. Die arbeid is immers zonder
vrucht, dus zonder voldoening. De mijnwerker verwerkelijkt niets. Het
is de ontginning van het levenlooze in den levenloozen nacht. Zijn
inspanning verdient hem geen zelfvoldoening, maar geld alleen.
"Welk een kruis!" had hij zich uitgelaten in de sacristie; en de
koster had gevraagd, of dat ook van God kwam? "Soms geeft God ook de
duivelen macht" had hij geantwoord.
In de mijn zag hij de ruïne van den boerenstand en zij was hem de
Tartarus zelf.
De pastoor van Brunssum was een boerenzoon. Hij hield van 't land
dat hem getogen had en van den stand waaruit hij was gegroeid. Hij
kende zoo goed de voldoening van den boer, die zijn koren stijgen zag
en aren dragen, rijpend tot zuiver goud, het koren dat hij zaait op
den akker zijner vaderen en maait met eigen hand, om 't voedsel te
zijn van zijn gezin; zijn trots, zijn rijkdom wanneer de hooiwagen
hoogbeladen de schuur te gemoet wankelt, gelijk een vol-gestapeld
schip dat de haven binnendrijft....
De pastoor verliet zijn tuin. Hij ging uit en dwars door 't groene
veld. Daarboven hing de hemel in de glorie der late namiddagstonde,
met traag-drijvende wolken bezeild, wit met gouden randen tegen de
westerkim. Westwaarts ging hij; want naar de andere zijde uit hadde
hij den boortoren zien rijzen tusschen de boomen, en hij haatte,
hij vluchtte dat gezicht,--de dreigende vuist boven zijn parochie,
zijne kudde en de velden.
Twee kleine dreumessen gingen hem voorbij met bloemen in hunne
knuistjes. Boven bij de stengels hielden zij de korenbloemen omkneld,
bij den hals, als moesten zij ze wurgen.
Zij haalden de petjes van hunne kaalgehouden kopjes en lachten.
"Dag brave kinderen" groette de pastoor ze.
"Kinderen maken van alles een spelletje," dacht hij. "Hun is eene
bloem veel méér dan alleen maar eene bloem. Een torretje kan voor hen
iets wonderlijks zijn, als groote menschen niet bevatten kunnen. Hoe
was niet elke dag op de ouderlijke hoeve rijk geweest aan nieuwe
avonturen en zeldzame gebeurlijkheden, al was het maar om 't weer,
in den eeuwigen wisselgang der seizoenen. Een broeihen op de mand
was iets, dat de jeugdige nieuwsgierigheid drie weken lang kon gaande
houden. Daar waren de bijen, de konijnen; het plotseling verschijnen
van een jong kalf op de wei; de dartelingen van een nieuw veulen;
de jonge lammetjes in den voorjaarstijd; de vreugde van een eigen
tuintje dat ze zelf beplantten; de voldoening van een rit met de
hondenkar; het koffie-dragen naar het veld; het gewichtige meedoen
als de aardappelen gepoot werden; het binnenhalen van den oogst,
het plukken van het fruit; het weiden van koeien, die midden in de
klaver op 't veld gesteld werden, aan kleine paaltjes met koord en
ketting vastgelegd. Dáár had hij naar de lucht leeren zien en op de
wolken letten.
Dat leven was als 't spelen van een spelletje. Konden zij niet plassen
in een goot en denken dat 't een rivier was, zich groote zeehelden
wanen wanneer papieren scheepjes dreven op den eendenpoel? Zij waren
Indianen binnen hunne kampementen van stokken en stroowisschen,
en geloofden zich ruiters op vurige rossen wanneer zij in de schuur
buitelden over 't zachte hooi.
Daar is geen eind aan spel en verbeelding, aan troost en opbeuring en
blijheid in het goede leven, dat God bestemd heeft voor de kinderen
der menschen. Dat goede leven ontneemt gij hun met hun veld...."
De priester stond stil en zag over de korenaren uit. Eén zag hij
er die reeds omboog, ter rijpte hellend. Hij nam ze tusschen zijne
oude vingers en voelde hare dikte aan. De haartjes waren nog zacht
en week; het tengere arenlijf blonk rose en blauwachtig, als getint
met de verschemerende kleuren die drijven in parelmoer. En na het
mooie ding aandachtig beschouwd te hebben, liet hij de aar weer vrij,
die op haar zwenkenden stengel terug week.
"Konden zij den boer niet in vrede en gerustheid laten?"
Toen hij zich omwendde om terug te keeren, zag hij den boortoren
dreigend den plompen kop heffen.
"Doch zij zelven verstaan het niet. Zij weten niet hoe mooi hun
leven is, als daar geloof leeft in hun hart en liefde kiemt in hun
gemoed. Maar zij weten de natuur toch wel, als een brug tusschen
schepsel en Schepper, tusschen het beperkt verstand en de wereld der
onzichtbaarheden. In de natuur rondom is alles goed en schoon; zelfs de
dieren leeren ons vreedzaam en vertrouwvol te zijn. Hoe goedig zien zij
niet uit hunne rustige oogen. Welk een schoon bestaan, dat avondrood
en morgengloed beschijnen en met hun kleuren aandoen, terwijl het
rythmische bewegen van den kringloop der getijden den landman op zijn
deining door het leven voert en heft; wat heeft hij veel te vreezen
wanneer hij de laatste helling afdaalt, waar de eeuwige schaduw wijlt:
hij wandelde immers, al zijn dagen door, aan Gods eigen hand?