"Hier zoo, voor den dorst, en--omdat jij 't ben."
"Dus niet als 't een ander was?" lachte ze.
"Waarachtig niet. Zeg. Kom jij er 's Zondags nooit uit? Ik zie je
nooit ergens. Je moet eens naar de boring komen kijken op de hei. Ze
hebben er gevonden."
"Daar komt iemand," onderbrak ze hem. "Ik ga maar."
Willem rekte zich uit over 't hek toen ze heenging, om te zien wie dat
was die er kwam. Sierlijk bewoog Anna's rank figuurtje zich over den
landweg tusschen het graan en 't groen. 't Was een man die naderde. Hij
ging Anna voorbij. Daar keerde hij zich naar haar om. Zij ook wendde
zich. Nu praatten zij samen.
"Wel, heb je van je leven!" bromde Willem Stoffels, toen hij den
wandelaar herkende: "Hary van den meester...."
Tusschen de boomen stond de boortoren nog even zichtbaar, met de vlag
als in zijn gebalde vuist.