Maar zij moeten het verstaan, het inzien...."

Er klonk een stem óp, die zong.

Het was een jongen die op de wijze van zijn lied kwam aanstappen. De

pastoor hoorde de woorden verstaanbaar. Hij dook wat meer in elkaar,

zoodat het koren hem beschutte, en luisterde oplettend:

«Alwaar ik varen zal en zeilen,

De wijde, wijde wereld rond,

Daar blijf ik in gedachte wijlen

Bij Limburg mijn geboortegrond.

Schoon Limburg waar ik ben geboren. Schoon land der vredige oudrenwoon,

U blijf ik, waar ik wijl, behooren, Verliefde van uw bloeiend schoon.»

De zanger stokte plotseling toen hij genaderd was. Maar de pastoor

knikte, met ingenomenheid instemmend:

"Dat was een mooi wijsje. Waar heb je dat geleerd, Piet?"

"Van den meester in den volkszang, meneer pastoor."

"Goed-zoo, zeer goed," knikte de oude priester al maar door. "Maar

nu moet je het verder afzingen!"

In stilte ging de jongen verder. De pastoor hoorde den leeuwerik

boven in de lucht. Doch na een poosje, dáár! Uit het gezicht zijnde,

zette de jongen een groote stem op en galmde 't uit:

«Gij Asschepoester in 't verleden,

Gij donkere achterhoek des lands,--

Plots rijk aan schatten, niet te meten,

En diamanten Limburg thans.»

Toen kwam er eene smartelijke uitdrukking in 't gelaat van den

grijsaard.

Al die dagen praatten de boeren van niets anders. Ze hadden steenkool

gevonden op de hei! Misschien was de pastoor de eenige die er een zwaar

hoofd over had. Hij had gehoopt dat 't niet aldus zou uitvallen. Hij

was teleurgesteld in die hoop.

De lucht was zwoel. Er was een donkere nacht over de heide, eene

duisternis als een muur zoo dicht. Maar het was geen rustige nacht. Er

was een onheilspellend gesuis wakker. Er ging een gonzen door die

donkerte, als het geruisch van vele torren die op strak gespannen

vlerken snorren. Het trilde met metaalgeluid als van springveeren

die bewogen worden. Doch men zag geen hand voor oogen.

Toen viel een vaal, vaag licht over de verte uit. Daar rees de kegel

van den Heksenberg. Hij rees en groeide, en stond er als een pyramide,

die heel de landstreek beheerschte.

Het gedruis van staal en snorrende wieken was om zijn top. Een wild

gefladder wemelde er door de lucht om, van spookachtige verschijningen

op vleermuizenvlerken, die er warrelden door elkaar. Zij veranderden in

het bewegen van gedaante, als wisselden zij van vorm. Dan waren zij als

wilde katers in het schemerende maanlicht-donker, dan als uitgelaten,

scheldende straatwijven, wilde rijdsters op den bezemsteel. Zij

veegden in haar vleugelende vaart de kruin schoon van den heuveltop

en joelden er voort in wielenden rondedans.

Uit de aarde stond in haar midden de Satan op. Zijn oogen priemden

rooden gloed. Zijn horens kromden zich tegen het vale licht van de

spookachtige nachtlucht. Zijn stem bulderde de heksen tegen, die stil

hielden om hem heen:

"Wat hebt gij dan voor goeds gedaan vandaag, om zóó te feesten?"

Een groot gejuich van heesche stemmen rees, alsof een koor van

raven kraste:

"Wij hebben ze kolen laten vinden, en ze zullen een mijn leggen hier,

op de heide."

Toen lachte de Satan als een gelukkige. Hij danste in haar midden,

waggelend op zijn bokspooten, en de dolle bezemstokken veegden,

bij de vaart der dansrei, weer de kruin van den Heksenberg....

"Hé,"--schrok de oude priester uit zijn angstigen droom op, toen zijn

bejaarde huishoudster de kamer binnenkwam.

"Uw lamp staat te stoomen, heer!"

"Ik was over mijn boek heen zoowaar in slaap gevallen. Hoe laat

is het?"

"Alles vol roet" knorde ze half luid, voor ze antwoordde: "Bij tien

uur, heer."

"Dan zullen we den rozenkrans bidden, Trina, en ter ruste gaan."

Onder den rook der mijn Eene novelle uit Limburg · 第 11 / 22 题