"Was 't dan nog maar in Brabant ergens! Maar nu zóó hoog boven de
Maas in Holland!...."
Onwillig legde Hary Gerards zijn benoeming ter zijde, streek door
zijn krullend haar, en haalde werktuigelijk onder een stapel boeken
zijn atlas te voorschijn. Dáár was 't, in Drente.
En toch was er ook vreugde in hem. Hij ging nu werken en iets
worden.--Was 't maar niet zoo ver van huis geweest! En nu eerst wist
hij, hoeveel hij eigenlijk hield van zijn geboortestreek.
Hij stond op, sloeg den atlas dicht, borg zijn boeken en ging de
woning uit, naar buiten.
Hij ging links af, de straat langs waar de vele boomen den hemel
onderscheppen met hun wemelend, zacht-zilverig groen. Hij zag de
huizen met hunne puntgevels naar hem kijken. Hij zag de breede
poorten overspannen met den ronden boog van baksteen: hij voelde ze
als meewarig met hem begaan. Dáár stond een bloeiende fuchsia voor
't open raam, in de stilte van haar gemijmer, met den onbewegelijken
regen harer losgebloeide tranen van rood en paars. Langs een enkelen
ouden gevel klom een groene wingerd tusschen deur en venster op,
en spreidde er de weligheid zijner lange ranken uit, die in de ijlte
grepen naar een steun dien zij niet vonden, àl heen en weer bewogen
door den wind. Hij zag er zijn eigen droomen, in 't verlangend en
vergeefsche handenreiken van den wingerd.
Een mensch moet zijn begeerten binden en zijn ziel besnoeien,
dacht hij.
Weer was er stille droefheid in hem; alleen de wind ruischte over zijn
hoofd door het loover der breedgetakte Canadeesche populieren,--de
wind die waait, als de wil van 't leven, over de kinderen dezer aard.
Hij ging de groote oude huizing voorbij die er "het Gasthuis" heet. De
groene linden hingen vol van haar uitgestorven bloesems. Hij begon te
mijmeren over dat oude huis, onder 't loome dak der roode pannen. Wie
kwamen er rusten van langen tocht in de dagen van 't verleden, zoodat
het altijd nog "het Gasthuis" bleef genaamd? De pelgrims die van
Roermond naar Aken gingen, heet het bij de oude menschen. De Roomsche
reis dier tijden! Hoe veranderde alles. Nu moest hij zelf immers heel
naar Drente! Dat was iets anders. En toch zou 't heelemaal niets zijn,
als hij daarom 't ouderlijke huis maar niet had te verlaten....
"Vaarwel, de vreugde mijner onbezorgdheid...."
Hij ging voort tusschen groen en koren in gestadige afwisseling,
naar de helling waar 't bosch begon, dat ze er "het Ruischen" noemen.
Hij stond stil bij de beek en zag er de kleine vischjes
verschieten in hun schuchterheid. Wild stonden er langs den
oever de roode wilgenroosjes op, tusschen roomkleurige veeren van
spirea. Boschvarens schoten overal omhoog en vormden kleine boschjes,
met hun breedbegroeide stengels die elk een boompje leken. De
braambezie joeg de vangarmen harer stekelige ranken er door heen;
langs 't kreupelhout in de hoogte klimmend, hing de boschdruif er
hare bloementrossen die nog eerst open gingen.
"Heb je daar ginds geen eendjes gezien?"
Hij schrok een weinig bij de stem eener vrouw, die naderde door de
weide aan den overkant. Hij had haar niet bemerkt.
"Hier zijn jonge eendjes, bruinen", riep hij terug; "een stuk of
zeven!"
"Maar dat zijn ze immers; och-arme, komt maar gauw, jullie kleine lieve
diertjes.... Pile, pile, pilekens" lokte ze. "Ze waren verdoold! De
eene helft van de familie kwam me vertellen dat er iets gebeurd
was. Ze kwamen snaterend de keuken binnen. Toen ben ik gaan kijken,
wat onraad er was. En daar zijn ze nu. Pile, pile, pilekens. Maar
gauw terug nu...."
De eendjes waggelden haar door de weide achterna.
Hary Gerards glimlachte, met die uitdrukking van geluk op zijn gelaat
zooals hij telkens glimlachte, wanneer iets schoons hem trof.
Voort ging hij, eerst nog eenige "Kampen" voorbij,--stukken velds
die door groene struiken als met heggen zijn omgeven; dan worstelde
hij door 't warrige struweel dat om den heuvel heen groeide tot een
dicht bosch. Eerst nog de dennen en jonge berken voorbij, die tegen
de zandige helling stonden, en dan rustte hij uit op den kam, die
open en leeg daar lag te schijnen in de zon.
Veel uren van zijn jong leven had hij daar gezeten en gedroomd. Het
was hem zijn beste genot, daar buiten alleen te zijn. Dan voelde
hij zich altijd anders dan wanneer hij met menschen samen was. Dan
blikte hij eerst recht in zich zelven, als werd iets weggeschoven van
zijn binnenste. Wanneer hij eenzaam uit ging, was 't altijd voor hem
alsof er iets van hem viel, schillen van zijn oogen, banden van zijn
geest. En ook voelde hij zich telkens dan iets toegekomen alsof het
vleugelen waren. Dan kon hij lachen van louter vreugde tot alles wat
hij zag. Daar was alles schoonheid, daar ademde alles geluk. Het werd
er hem zoo wél te moede. Het was met geen woorden uit te spreken.
In de gulden diepte onder de zon stond het gouden graan. De velden
naderden van het glooiende land en liepen uit in het groen van 't
boschje dat voor den heuvel stond. Daar omzoomden heggen en struweel
het rijpend veld, als groene dijken die een water indammen. Het
was alsof rivieren er hunne wateren spoelden, en gouden wateren er
voerden door het groene land: de tarwe die er rijp en gulden-geel
te deinen stond in 't winde-waaien. Daar lagen gouden meren tusschen
het boomengroen.
Hier het rijke veld en dáár de peinzende heide, dacht hij, en hij
stond op om verder heen te gaan, waar hij de heide overzien kon.
Hij waarde weer door groen en struiken naar de zijde waar de
"Auverenberg" meteen zou opduiken.
"Wat?".... dacht hij half-luid.
Door de boomen heen zag hij eene groote vlag driekleurig golven. Die
woei van de spits van den boortoren. Het kon niet anders. Ze hadden
dus kool gevonden.
Er kwam een beweging van trots in hem over die vondst. Maar dan
overstelpte hem het bewustzijn dat de heide nu verloren was. Dát was
de schennis harer schoonheid.
"Voorbij, verloren" gonsde 't door zijn gedachten.
Hij klom tot den rand der hoogte vanwaar hij de heide zien kon,
open als een ontsluierd geheim, dof en donker groen, met de kammen
en kopjes harer heuvelketen, moegestrekt in dommelende golving.
"Verloren, voorbij." En de droefheid om hare bedreigde schoonheid
verscherpte zijn eigen leedgevoel om 't naderend afscheid.
Die dag was de eerste mijlsteen in zijn leven, en 't was hem als lag
nu achter hem de weg der jeugd, de weg van een schoon maar onbegrepen
levensheil.
"Goe'dag, Anneke" riep een stem die zij herkende. "Warm vandaag,
he? Wacht een beetje!...."
"Ben jij dat? Wat doe je hier?...."
"Aan 't werk," zei Willem Stoffels en kwam naar 't hek van den
boomgaard toe, waar ze in 't langs-gaan stil stond.
"Ga je de koffie brengen?" vroeg hij.
Ze zag naar 't koperen kannetje en den korf dien ze droeg, en kleurde:
"Vader is mee gegaan. Ze doen de tarwe af."
"Ik zou er voor bedanken om hier langer te boeren, hoor. Een frank
per dag en zweten als een os, van den morgen tot den avond. Nee,
hoor!" En hij spuwde op den grond, zich 't voorhoofd wisschend met
zijn hemdsmouw. "Dan hebben ze 't maar wat beter op de mijn!...."
"Je zoudt toch niet naar de mijn willen gaan?"
"Vijftig mark in de week...."
"Toch zoo dadelijk maar niet!"
"Maar later toch! En je hier alles moeten laten welgevallen van zoo'n
boer, die je slecht eten geeft en geen enkel goed woord?"
"Dan moet je daar niet beter verwachten, bij al dat slecht volk dat
daar is."
"Die zijn toch zoo kwaad niet als ze wel denken."
"En dan moest er toch maar eens een ongeluk gebeuren...."
"Als ik hier uit een boom val, breek ik mijn nek even goed!--Wil je
een appel hebben! Ze zijn nog wel wat groen."