Pinksteren.
Het is het feest der lentevreugde.
Het groen aan de boomen is jong en frisch. De weiden zijn, in 't
glanzende hooge gras, bezaaid met bloemen. Het spettert van overal
oranje, rood en blauw en purper: boterbloempjes als zonnevonken in
't groen gevangen; de eereprijs die zinnend met zijn blauwe oogjes
kijkt, de koekoeksbloem op hoogen stengel, de paarse klokjes die
geheimpjes uitluiden, de schierling die zijn witte schermen spant
tegen de zon. Het bloeien gaat als een wondere mare van feestelijke
vreugde door het groene land.
De twijgen van den appelboom hebben hun bloesem verstrooid; maar de
merel fluit er tusschen de jonge bladeren. Wat al vogels luid en
druk, die spelemeien in alle groen, waar takjes ze kunnen dragen,
en al maar nieuwe blaadjes met gespitste ooren naar ze luisteren.
Boven de groene velden stijgt de leeuwerik in den wervel zijner
zangen naar het blauw. De groene beemdenwereld ziet reeds wit van àl
maar Sint Jans bloemen. Van alle populieren steken vlaggetjes uit:
zóó warrelen hunne zilverige blaadjes. Van alle verten wemelen de
geluiden op: het zachte ruischen, het zachte gonzen, het speelsche
ritselen. De muggen dansen in den zonneschijn bij zwermen.
Het zonneschijnen zelf schijnt ruischend door de lucht te stroomen. Het
zingt door het groen, het trilt tegen het blauw als snaren trillen. Het
is muziek voor de oogen. En de hette wemelt over het veld.
Er wordt een warme innigheid om u uitgeademd, die met de geuren stijgt
van bloemen en van kruid. Zij stijgt en zweeft, àl weelde wevend. Dat
is het gouden spinsel, wanneer de zomermiddag aan het spinkrokken
zit. De lucht is louter geneuchte.
Gelijk een witte kerk in de zon op groenen heuvel, staat de Pinksterdag
in het bloeiend lentetij.--
De zondagsklokken luiden. Door 't koren komen de menschen, over
ongeziene paden, ter Vesper.
Daar is veel volk vandaag in Merkelbeek. De paters zingen plechtigen
zang. Het galmt zoo breed, het klimt zoo wonder-hoog op de zachte
akkoorden der begeleiding, dat het is alsof de wijdsche gewelven
hooger stijgen bij 't geluid dier stemmen, als konden zij ze met hun
armen niet meer omvademd houden.
Dan sterven de gezangen weg, de laatste orgeltonen. Alles staat weer
roerloos, onveranderd in het grootsche kerkgebouw. Er hangt alleen nog
wat wierook na te dampen, traagjes wegtrekkend langs de zonnestreep,
die door het venster bundelt voor het altaar, en opklimt als een
gulden ladder dwars door 't hooge koor. En de menschen zijn heengegaan.
Om 't feest schijnt zelfs de straat in feestdos: de Canada's tegen
't ongerepte blauw, de heerlijk frissche hagen, met de groene
weiden daarachter; al die menschen die geen haast maken, in het
zondagsche kleed; de rumoerige stemmen in de herberg, de drukte op
de beugelbaan; de vroolijke gezichten achter de bloeiende geranium
op 't raamkozijn. De mannen poozen in afwachting; de vrouwen komen
later en trekken langzaam voort, in pratende groepjes, door de rij
der monsterende kerkgangers heen....
Maar de meisjes daar, op 't eind der straat? Het is een wit gevleugel
van al maar witte schortjes. Het is een dichte groep van druk jong
volkje, trippelende en babbelende, leenig en luid, alsof het een
kibbelen was. Maar opeens beginnen ze allen samen te zingen:
De pinksterbruid is opgestaan
Met haar prinsessenkleedje aan.
Wat heeft zij lang geslapen!
Zij lacht zoo lief naar u en mij.
Zij wandelt door de groene wei
Met al haar witte schapen.
En de ouden lachten, daar zij het lied herkenden hunner jeugd:
Zij draagt een kransjen om het haar.
Dat heeft de roode rozelaar
Ze tot geschenk gegeven.
Zij houdt een ruiker in de hand.
Dien hebben wij van amarant
En reseda geweven.
En de kinderen kwamen aanzetten, het pinksterbruidje verborgen in
hun midden meevoerend.
Sta op, sta op nu, Pinksterbruid.
De dag is om, de wijn is uit;
Gij kunt vandaag niet trouwen.
Ik weet niet waar uw vrijer is.
Gij sliept te lang,--en hij gewis
Ging elders kennis houën.
De kinderen steken de handen uit en vragen om centen. Ze willen ze
niet voor niets laten zien.
Het pinksterbruidje zit op een stoeltje dat ze in hun midden
dragen. Een stuk gordijn dient ze tot sluier, die ze heelemaal
verbergt, over het hoofdje neerhangend tot de voetjes.
"Laat ze toch maar eens kijken", zeiden de oudere vrouwen.
Maar de kinderen hielden voet bij stuk.
Dan kwam vrouw Jansen aan, en Anneke hield de hand al bedelende voor
haar op.
"Nu," zei vrouw Jansen, "als 'k jullie dan een "groschen" geef, mogen
we dan allemaal eens zien? Maar dan ook het liedje nog eens zingen!"
Nu werd het een blij gejoel door elkaar. Het stoeltje werd neergezet en
voorzichtig ging het sluierende gordijn de hoogte in. Het was een dotje
van een kind. "Wat een lief diertje" zeiden de boerinnen. De blauwe
oogjes pinkelden schalks, maar het wicht verroerde zich niet. Haar
kleedje was met bonte prentjes volgestoken. Een kransje van bloemen
liep om 't blonde kopje heen en kransjes had ze als armbandjes om
de polsen.
"Ach nee, hoe lief!...."
Een paar mannen-gezichten keken door 't venster eener herberg naar
buiten. Toen schoten er eenige van de kinderen naar hen toe, om een
cent te vragen. Het gordijntje was neergedaan.--
Ze hadden hun pinksterbruidje verder 't dorp ingedragen en het nu
voor een groote boerenwoning neergezet.
Onder de hooge ronding der poort, tegen de groen geverfde vleugels
leunend, zat op stoelen een groepje vrouwen. Jonge meisjes stonden er
in een kleurig groepje naast. Een oud moedertje droeg nog de linten
muts, hoog-op gewerkt, met bloemen en veeren er in, en 't bonte
doekje om de schouders. Op een boomstam onder 't venster zat manvolk,
pijpen rookend.
Kinderen liepen om het kringetje te hoop, in afwachting van 't
gebeuren. Maar 't scheen niet gauw te zullen gaan. De meisjes stonden
te trippelen van ongeduld. Zij begonnen een ander liedje:
Pinksterbruid, de wijn is uit:
Nu wordt er bier geschonken.
En wie de kruik niet tijdig sluit
Die wordt er wel beschonken.--
Zeg je neen, of zeg je ja,
Waar je vóór gaat, volgen we na.
Pinksterbruid, het bier is uit:
Nu moogt gij water drinken.
Water geeft uw stem geluid;
Het doet uw oogen blinken.--
Zeg je ja, of zeg je nee,
Waar je vóór gaat, gaan wij mee.
Pinksterbruid, de lente is uit:
Nu gaan wij aren lezen.
En wie niet weet wat dat beduidt,
Die krijgt de deur gewezen.--
Zeg je neen of zeg je ja,
Waar je vóór gaat, volgen we na.
"Laat ze mij eens kijken," zei Willem Stoffels tot Anneke.
Haar kameraadje van dien dag op de heide! Het was bijna een jaar dat
ze hem niet meer gezien had.
"Je moet betalen," zegt ze en bloost.
"Kom, knipoogt hij; ik toch niet, wel? Even maar."
En Anneke liet het pinksterbruidje zien.
"Ben je gek, An!" vlogen de anderen op en sloegen haar op den arm,
dat hare vingers den sluier lieten glippen.
"Zeg, sprong Willem op, tegen de eene die 't vinnigst was: laat jij
dat meisje wel met rust, of 't gaat je niet goed."
Maar die: "Wat jij, bezembinder van Brunssum! Scheer je naar de hei,
jij voddenraper...."
En Willem met gebalde vuist voor haar:
"Nog een woord, zeg! Jij, kakkerlak! en ik...."
Maar de groote lieden waren toe geschoten. "Is me dat een ruzie hier;
schaamt je...."
De kinderen kregen geld, de jongens harde woorden. Dan gingen ze uit
elkaar. Maar Willem keerde zich nog eens naar de meisjes om en riep
woedend: "Wacht maar!"
Als een schuldige stond Anna blozend ter zijde. Maar toen ze opkeek,
zag ze Willem vriendschappelijk en met een lachje wenken.
De jongens hoonden samen 't pinksterliedje na.
Maar de meisjes stieten elkander aan en ginnegapten:
"Die An' van Jansen!.... De pastoor moest 't maar eens weten!"....