Hary Gerards zou onderwijzer worden. Zijn vader was te Brunssum hoofd
der school. Van hem had hij zijn studielust en zijn werkkracht. Doch
er was eene schoonheidsliefde in hem geboren, die hij van niemand had
geërfd. Hij wist dat de velden schoon waren in hun bloei en in hun
rijpte. Hij hield van zijn dorp. Hij had het niet kunnen uitdrukken
wellicht, doch hij wist het: waar hij over het land uitzag, was
schoonheid; er was vreugd in elk seizoen. Of 't de barre heide was in
haar winterslaap, of het bosch wanneer er de nachtegalen sloegen,--de
rand van 't veld met zijn wilden bloei van kelkjes en klokjes, die
verachtelijk onkruid heetten, of de blauwe einders die in kringen
lagen om het glooiende landschap,--het vervulde hem met een blijheid,
waarvoor hij in zijn stille uren heimelijk naar woorden zocht.
Hij kende 't land, van Aken tot Maastricht. De oude kathedralen
dezer grijze steden hadden een diepen indruk op hem gemaakt. Als
zwijmend avondgoud in diepe vensternissen neergelegd, vervullen
dagen en legenden met hun rooden, gulden schijn het mystisch donker
harer gewijde schemeringen. De ogieven rijzen er boven het gebed
der knielenden uit, den spitsboog voltrekkend met het gebaar van
biddend-saamgehouden handen. De schimmen van den Grooten Karel
en Servatius zweven door de duisterheden dier heilige hallen; in
haar schaduw blijven de voorbijgegane eeuwen onbewegelijk in hare
werkelijkheid, gelijk een tastbare droom. De branding der dagen in hun
stijgenden vloed, breekt er telkens weer op de grauwe drempelsteenen,
terwijl daar binnen onverstoorbaar de stilte leeft, met wierookgeuren
aangedaan en 't zacht geflonker van een kleurigen zonneschijn,
die getemperd binnenvalt, gewijd tot meditatie in de wemeling van
't bonte glas. En alle lijnen die de wijde wulfsels onderspannen,
zingen in hare blijde vaart een nimmer eindigend, heilig, heilig....
Het was dat "heilig Hallel" dat de peinzende geest van den jongen
Brunssumer weervond in de nieuwe paterskerk van Merkelbeek. Daar
was dezelfde ingetogen stemming niet, maar dezelfde vlucht en vaart
omhoog der oude kathedralen. Het lied dat verstild was tot zachte
fluisteringen in den grauwen dom, werd hier weer uitgeschaterd. Hier
was licht en luide vreugde in dit heiligdom van rood steen, met de
klare vensters die de drie even-hooge beuken verijlen. Hare gewelven
zijn als breedgewiekte vogelvluchten over u. Rank als bloemen-stengels
zijn de pijlers die ze schoren.
Die kerk ging als een juichlied voor zijn ziel omhoog. En het greep
hem diep in het gemoed, dat die Benediktijnsche kathedraal van
Merkelbeek geboren was uit Limburg's eigen klei. Uit Limburg's eigen
grond gebouwd, was zij hem dierbaarder, dan zij hem om hare slanke
vormen alléén geweest ware. Zij stond er opgerezen als veld en bosch
en heide uit de aarde groeit,--rood van baksteen, dáár uit den grond
gewonnen. Geen van Limburg's vele nieuwe kerken was grootscher dan
deze, in haren wijden, gothischen zwier.
Zoo rees zij in zijn verbeelding telkens naast de gulden mergelkerk
van Meersen, die juweelenschrijn uit een ver verleden. Daar had hij de
verrukking over zich gevoeld van den middeleeuwschen schoonheidsdroom;
hij was er neergeknield in stom verbazen. Maar de Merkelbeeksche was
méér. Want deze greep hem dieper in 't hart. Zij was zijn eigen. Te
Meersen was hij een vreemde: de mergel was hem vreemd. Maar dit was
zijn eigen Limburg--het Limburg van den klei en van de heide, niet
van den witten zandsteen der groeven van Maastricht en Valkenburg. Het
heiligdom van Merkelbeek gevoelde hij als de apotheose van zijn eigen
Limburgs "heiligen moedergrond."
Had hij daar vertoefd in stille en gelukkige beschouwing, dan ging
hij telkens gaarne vader Jansen groeten en even neerzitten voor een
praatje. Hij ging dan door de herbergskamer heen, naar het tweede
vertrek dat meer een huiskamer was. In de eerste zaten de drinkers,
de voorbijgaanders die binnen kwamen, de mindere klanten, reeds naar
Duitsch gebruik aan tafeltjes bespreid met bonte kleedjes. Vrome
platen hingen er aan den wand; en boven de deur een "Oog Gods" met
het opschrift in groote letters: "God ziet ons. Hier vloekt men
niet." Daartegen over een kruis. Reklameplaten en aanplakbrieven
staken helder af tegen het donker behang.
De tweede kamer was gezelliger en huiselijk. Wel stond er de toonbank
met het buffet. Doch moeder Jansen had er ook haar porcelein-kast,
waarvan de plankjes die de servisen droegen, omzoomd waren met
gehaakte kant in twee kleuren. De oudste dochter zat er 's middags
bij hare naaimachine. Naast de ronde ijzeren kachel had vader zijn
lievelingsplaatsje. Daar troonde hij in zijn gevlochten zetel. Zijn
pijpje rookend, overzag hij dan de twee vertrekken, terwijl moeder
de vrouw er heen en weer ging, het huishouden beredderend. Vader
bezorgde de klanten. Lize hielp, wanneer er menschen kwamen die om
koffie vroegen. Dan maakte zij spek en eieren klaar, en snee van
't groote roggebrood. Anders zat zij te werken en wees kleine Anna
na schooltijd al eens, hoe een zoompje behandeld werd.
"Dáár", en vader Jansen stond op: "Hary Gerards!"
De ontmoeting was hartelijk. Jansen zag den aanstaanden meester reeds
in den studeerenden jongeling.
"En wat nieuws?" vroeg deze glimlachend.
"Dat ze op de hei, bij jullie daar, boren!" zei Jansen.
"Ja," antwoordde Hary dof, "wat een zegen voor ons dorp!"....
"Daar krijgen ze nog wat van. Wacht maar eens!"
De pijp van vader Jansen dampte geweldig.
"Nu worden we opeens allemaal rijk, schimpte Hary. Alle boeren
mijnwerkers, en alle mijnwerkers goudrapers. En na tien jaar eten we
rijstebrei van zilveren schotels."
"Als de engeltjes in den hemel," lachte Lize.
"Een ongeluk voor Brunssum, schudde Jansen het hoofd. Je zult eens
zien! Kijk eens naar Heerlen. Kan daar nog een vrouwspersoon veilig
over straat gaan 's avonds?"
"Maar 't zal toch wel een hoop geld onder de menschen brengen."
"Geld? ja-wat, en de boeren dan? Hoe krijgt de boer, die met kleine
kinderen zit te kijken, zijn veld geploegd, als er geen boerenknechten
meer zullen zijn? Wie zal hem zijn koren maaien?"
"Daar krijgen we machinen voor."
"En wie betaalt die? Krijgen we die van de koningin gestuurd?"
"Daar zorgen de boerenbonden voor."
"Boerenbonden, als er geen veld meer is? Het is de ondergang van den
boerenstand, want het is de ondergang van het veld. Denk je dat het
brood vanzelf in den oven komt, als de mijn maar zorgt voor brandstof?
"Ja maar, bracht Hary in, daar zijn toch altijd ook lui van hier naar
Pruisen getrokken, om steenen te bakken bij voorbeeld."
"En wat zijn die rijker geworden? Wat hebben die meegebracht van hunne
vijf mark daags? Zeg dat zelf nu eens. Geen dak boven hun hoofd,
geen kleeren aan 't lijf; en hoe meer ze verdienen, hoe armer ze
zijn. Met de mijnwerkers is 't nog erger gesteld."
"Ja, kwam Lize ertusschen, als je dat toch allemaal 's hoort...."
"En dan tien zoo'n mijnen, met een duizend man ieder om te
beginnen.... Verzopen kerels en bedelpak."
"Ze zouden 't niet zijn, als ze niet wilden!"
"Eén rotte appel is genoeg,--en die ééne ontbreekt er nooit. Wie
houdt den hond als hij van de ketting komt? Laat zoo'n dozijn, of
een vijftig van die losgebroken duivels, op Brunssum neerstrijken en
wensch je dan geluk met dien zegen...."
Jansen verschoof zijn stoel met een heftigen ruk, zoodat de rieten
zetel kraakte.
"Vroeger, ging hij rustiger voort, had ieder zijn eigen stukje grond
en trachtte er naar, een eigen huis te bezitten. Ieder werkte en
was gelukkig met weinig. Daar was geen kwestie van maar fietsen en
maar feesten als nù. Daar was een flinke kermis en basta. 's Zondags
een pint en een praatje. De jongens beugelden en kegelden; de ouden
rookten hun pijp samen. Ieder ging naar de Vesper 's middags, wat nu
ook niet meer gebeurt. De menschen waren arm, maar ze verlangden niet
naar meer. De een gunde den ander den dauw op zijn veld, en de peren
aan zijn boomen. Ieder bleef in zijn eigen dorp en trouwde een meisje
van zijn eigen straat. De menschen waren eenvoudig en tevreden.--Maar
wie is er nog tevreden op vandaag?"
"Zeker, zeker, dat is volkomen waar," zei Gerards ernstig, dof.
"Ik wist dat je 't met me eens was, Hary. Daarom zei ik 't ook
niet. Maar er zijn er toch, die zich gouden bergen voorstellen, ook
van die boring nu weer in Brunssum. Doch wacht maar. Ge beleeft dat
nog, en ik ook, als ik ten minste tijd van leven heb. Ik zeg maar,
zie-je, dat het jammer is voor ons landje."
"Nu had die hei toch wel geen waarde" meende Lize.
"Alsof ze daarop letten! Kijk maar eens in Amstenrade. Al dat akkerland
wordt den boer toch maar onttrokken. Maar dat is nog het ergste
niet. De Socialisten die er van komen, dat is nog wat anders!--Het
is alsof de levende Satan in de mijn zijn netten spande."
"Ze hadden de hei moeten sparen," zei Hary, "al was 't maar omdat
ze zoo mooi is. Je kunt vèr gaan in 't land, eer je er 't gelijke
van vindt."
"Daar wordt naar niets gekeken, als het op de duiten aankomt."
"Ja, zuchtte de jonge man, ze meenen het arme Limburg rijker te moeten
maken; en ze maken het mooie Limburg dood."
"En het goede wordt bedorven," voegde vader Jansen er aan toe en trok
aan zijn pijp dat het dampte.