II.

Hary Gerards zou onderwijzer worden. Zijn vader was te Brunssum hoofd

der school. Van hem had hij zijn studielust en zijn werkkracht. Doch

er was eene schoonheidsliefde in hem geboren, die hij van niemand had

geërfd. Hij wist dat de velden schoon waren in hun bloei en in hun

rijpte. Hij hield van zijn dorp. Hij had het niet kunnen uitdrukken

wellicht, doch hij wist het: waar hij over het land uitzag, was

schoonheid; er was vreugd in elk seizoen. Of 't de barre heide was in

haar winterslaap, of het bosch wanneer er de nachtegalen sloegen,--de

rand van 't veld met zijn wilden bloei van kelkjes en klokjes, die

verachtelijk onkruid heetten, of de blauwe einders die in kringen

lagen om het glooiende landschap,--het vervulde hem met een blijheid,

waarvoor hij in zijn stille uren heimelijk naar woorden zocht.

Hij kende 't land, van Aken tot Maastricht. De oude kathedralen

dezer grijze steden hadden een diepen indruk op hem gemaakt. Als

zwijmend avondgoud in diepe vensternissen neergelegd, vervullen

dagen en legenden met hun rooden, gulden schijn het mystisch donker

harer gewijde schemeringen. De ogieven rijzen er boven het gebed

der knielenden uit, den spitsboog voltrekkend met het gebaar van

biddend-saamgehouden handen. De schimmen van den Grooten Karel

en Servatius zweven door de duisterheden dier heilige hallen; in

haar schaduw blijven de voorbijgegane eeuwen onbewegelijk in hare

werkelijkheid, gelijk een tastbare droom. De branding der dagen in hun

stijgenden vloed, breekt er telkens weer op de grauwe drempelsteenen,

terwijl daar binnen onverstoorbaar de stilte leeft, met wierookgeuren

aangedaan en 't zacht geflonker van een kleurigen zonneschijn,

die getemperd binnenvalt, gewijd tot meditatie in de wemeling van

't bonte glas. En alle lijnen die de wijde wulfsels onderspannen,

zingen in hare blijde vaart een nimmer eindigend, heilig, heilig....

Het was dat "heilig Hallel" dat de peinzende geest van den jongen

Brunssumer weervond in de nieuwe paterskerk van Merkelbeek. Daar

was dezelfde ingetogen stemming niet, maar dezelfde vlucht en vaart

omhoog der oude kathedralen. Het lied dat verstild was tot zachte

fluisteringen in den grauwen dom, werd hier weer uitgeschaterd. Hier

was licht en luide vreugde in dit heiligdom van rood steen, met de

klare vensters die de drie even-hooge beuken verijlen. Hare gewelven

zijn als breedgewiekte vogelvluchten over u. Rank als bloemen-stengels

zijn de pijlers die ze schoren.

Die kerk ging als een juichlied voor zijn ziel omhoog. En het greep

hem diep in het gemoed, dat die Benediktijnsche kathedraal van

Merkelbeek geboren was uit Limburg's eigen klei. Uit Limburg's eigen

grond gebouwd, was zij hem dierbaarder, dan zij hem om hare slanke

vormen alléén geweest ware. Zij stond er opgerezen als veld en bosch

en heide uit de aarde groeit,--rood van baksteen, dáár uit den grond

gewonnen. Geen van Limburg's vele nieuwe kerken was grootscher dan

deze, in haren wijden, gothischen zwier.

Zoo rees zij in zijn verbeelding telkens naast de gulden mergelkerk

van Meersen, die juweelenschrijn uit een ver verleden. Daar had hij de

verrukking over zich gevoeld van den middeleeuwschen schoonheidsdroom;

hij was er neergeknield in stom verbazen. Maar de Merkelbeeksche was

méér. Want deze greep hem dieper in 't hart. Zij was zijn eigen. Te

Meersen was hij een vreemde: de mergel was hem vreemd. Maar dit was

zijn eigen Limburg--het Limburg van den klei en van de heide, niet

van den witten zandsteen der groeven van Maastricht en Valkenburg. Het

heiligdom van Merkelbeek gevoelde hij als de apotheose van zijn eigen

Limburgs "heiligen moedergrond."

Had hij daar vertoefd in stille en gelukkige beschouwing, dan ging

hij telkens gaarne vader Jansen groeten en even neerzitten voor een

praatje. Hij ging dan door de herbergskamer heen, naar het tweede

vertrek dat meer een huiskamer was. In de eerste zaten de drinkers,

de voorbijgaanders die binnen kwamen, de mindere klanten, reeds naar

Duitsch gebruik aan tafeltjes bespreid met bonte kleedjes. Vrome

platen hingen er aan den wand; en boven de deur een "Oog Gods" met

het opschrift in groote letters: "God ziet ons. Hier vloekt men

niet." Daartegen over een kruis. Reklameplaten en aanplakbrieven

staken helder af tegen het donker behang.

De tweede kamer was gezelliger en huiselijk. Wel stond er de toonbank

met het buffet. Doch moeder Jansen had er ook haar porcelein-kast,

waarvan de plankjes die de servisen droegen, omzoomd waren met

gehaakte kant in twee kleuren. De oudste dochter zat er 's middags

bij hare naaimachine. Naast de ronde ijzeren kachel had vader zijn

lievelingsplaatsje. Daar troonde hij in zijn gevlochten zetel. Zijn

pijpje rookend, overzag hij dan de twee vertrekken, terwijl moeder

de vrouw er heen en weer ging, het huishouden beredderend. Vader

bezorgde de klanten. Lize hielp, wanneer er menschen kwamen die om

koffie vroegen. Dan maakte zij spek en eieren klaar, en snee van

't groote roggebrood. Anders zat zij te werken en wees kleine Anna

na schooltijd al eens, hoe een zoompje behandeld werd.

"Dáár", en vader Jansen stond op: "Hary Gerards!"

De ontmoeting was hartelijk. Jansen zag den aanstaanden meester reeds

in den studeerenden jongeling.

"En wat nieuws?" vroeg deze glimlachend.

"Dat ze op de hei, bij jullie daar, boren!" zei Jansen.

"Ja," antwoordde Hary dof, "wat een zegen voor ons dorp!"....

"Daar krijgen ze nog wat van. Wacht maar eens!"

De pijp van vader Jansen dampte geweldig.

"Nu worden we opeens allemaal rijk, schimpte Hary. Alle boeren

mijnwerkers, en alle mijnwerkers goudrapers. En na tien jaar eten we

rijstebrei van zilveren schotels."

"Als de engeltjes in den hemel," lachte Lize.

"Een ongeluk voor Brunssum, schudde Jansen het hoofd. Je zult eens

zien! Kijk eens naar Heerlen. Kan daar nog een vrouwspersoon veilig

over straat gaan 's avonds?"

"Maar 't zal toch wel een hoop geld onder de menschen brengen."

"Geld? ja-wat, en de boeren dan? Hoe krijgt de boer, die met kleine

kinderen zit te kijken, zijn veld geploegd, als er geen boerenknechten

meer zullen zijn? Wie zal hem zijn koren maaien?"

"Daar krijgen we machinen voor."

"En wie betaalt die? Krijgen we die van de koningin gestuurd?"

"Daar zorgen de boerenbonden voor."

"Boerenbonden, als er geen veld meer is? Het is de ondergang van den

boerenstand, want het is de ondergang van het veld. Denk je dat het

brood vanzelf in den oven komt, als de mijn maar zorgt voor brandstof?

"Ja maar, bracht Hary in, daar zijn toch altijd ook lui van hier naar

Pruisen getrokken, om steenen te bakken bij voorbeeld."

"En wat zijn die rijker geworden? Wat hebben die meegebracht van hunne

vijf mark daags? Zeg dat zelf nu eens. Geen dak boven hun hoofd,

geen kleeren aan 't lijf; en hoe meer ze verdienen, hoe armer ze

zijn. Met de mijnwerkers is 't nog erger gesteld."

"Ja, kwam Lize ertusschen, als je dat toch allemaal 's hoort...."

"En dan tien zoo'n mijnen, met een duizend man ieder om te

beginnen.... Verzopen kerels en bedelpak."

"Ze zouden 't niet zijn, als ze niet wilden!"

"Eén rotte appel is genoeg,--en die ééne ontbreekt er nooit. Wie

houdt den hond als hij van de ketting komt? Laat zoo'n dozijn, of

een vijftig van die losgebroken duivels, op Brunssum neerstrijken en

wensch je dan geluk met dien zegen...."

Jansen verschoof zijn stoel met een heftigen ruk, zoodat de rieten

zetel kraakte.

"Vroeger, ging hij rustiger voort, had ieder zijn eigen stukje grond

en trachtte er naar, een eigen huis te bezitten. Ieder werkte en

was gelukkig met weinig. Daar was geen kwestie van maar fietsen en

maar feesten als nù. Daar was een flinke kermis en basta. 's Zondags

een pint en een praatje. De jongens beugelden en kegelden; de ouden

rookten hun pijp samen. Ieder ging naar de Vesper 's middags, wat nu

ook niet meer gebeurt. De menschen waren arm, maar ze verlangden niet

naar meer. De een gunde den ander den dauw op zijn veld, en de peren

aan zijn boomen. Ieder bleef in zijn eigen dorp en trouwde een meisje

van zijn eigen straat. De menschen waren eenvoudig en tevreden.--Maar

wie is er nog tevreden op vandaag?"

"Zeker, zeker, dat is volkomen waar," zei Gerards ernstig, dof.

"Ik wist dat je 't met me eens was, Hary. Daarom zei ik 't ook

niet. Maar er zijn er toch, die zich gouden bergen voorstellen, ook

van die boring nu weer in Brunssum. Doch wacht maar. Ge beleeft dat

nog, en ik ook, als ik ten minste tijd van leven heb. Ik zeg maar,

zie-je, dat het jammer is voor ons landje."

"Nu had die hei toch wel geen waarde" meende Lize.

"Alsof ze daarop letten! Kijk maar eens in Amstenrade. Al dat akkerland

wordt den boer toch maar onttrokken. Maar dat is nog het ergste

niet. De Socialisten die er van komen, dat is nog wat anders!--Het

is alsof de levende Satan in de mijn zijn netten spande."

"Ze hadden de hei moeten sparen," zei Hary, "al was 't maar omdat

ze zoo mooi is. Je kunt vèr gaan in 't land, eer je er 't gelijke

van vindt."

"Daar wordt naar niets gekeken, als het op de duiten aankomt."

"Ja, zuchtte de jonge man, ze meenen het arme Limburg rijker te moeten

maken; en ze maken het mooie Limburg dood."

"En het goede wordt bedorven," voegde vader Jansen er aan toe en trok

aan zijn pijp dat het dampte.

Onder den rook der mijn Eene novelle uit Limburg · 第 6 / 22 题