Verder gingen ze zwijgend voort.--

"Waar gaan we naar toe, moeder?" vroeg Anneke, eene lange poos later.

"Wij gaan naar Brunssum. Moeder moet er eene zieke vrouw bezoeken,

de moeder van Willemke, die al wel eens bij ons thuis geweest is,

om wat voor zijn, moeder te halen. Dien ken je wel? Nu, dan mag jij

zoo lang met Willemke spelen, als ik met zijn moeder praten zal. Het

is een goed werk dat we gaan doen: de zieken bezoeken. Dat zegent

Onze Lieve Heer. Dat zul jij later ook doen, wanneer je groot ben. En

altijd vriendelijk zijn en beleefd, hoor-je!"...

Weer gingen ze zwijgend, dwars door 't dorp, langs de kerk. Vrouw

Jansen maakte het kruisteeken in 't voorbijgaan.

"Anneke,--wat zegt men als men voorbij de kerk gaat?"

"Geloofd zij Jesus Christus" klonk het schuchter en zacht.

"En wat doet men dan? Wat heb ik je geleerd?"

Anneke sloeg een kruisje.

"Zóó is 't goed, prees de moeder. Onze Lieve Heer ziet dat van het

tabernakel uit."

Anneke, omziend met een vlugge beweging van 't ranke kopje:

"Kan Hij dat werkelijk zien?"

"Hij ziet en hoort alles, wat wij zeggen en doen; en wat wij denken,

weet Hij."

Weer wandelden zij voort in stilte. Zij waren buiten het dorp. De

landweg werd mul en stoffig. De velden stonden er schraler. Hier

zagen zij er armzalig uit.

Nu waren ze de hei genaderd. Een boschje slaghout en een eerste groep

dennen,--en daar lag de leemen hut van den bezembinder.

Vrouw Stoffels was haar vijfde kind geboren, tot pijnlijke vreugde

van het gezin. Vrouw Jansen die eene der goedgezeten boerinnen was

en een der goedigste vrouwen uit den heelen omtrek, bewees de vrouw

van den bezembinder bij alle gelegenheden telkens, dat zij leefde

volgens haar woord: "men moet leven, maar ook laten leven."

"Wanneer de kinderen maar eens groot zijn," zuchtte de arme vrouw

Stoffels altijd. Ze zouden natuurlijk vroegtijdig aan het werk

gezet worden.

Twee dreumesjes wroetten voor de deur der woning in het zand. Tusschen

een armelijke omheining lag er een verwilderd tuintje. Rondom schoot

het heidekruid op in zijn donkere warrigheid. Het ving reeds aan te

bloeien. Een grootere knaap lag met bei zijn handen onder het hoofd

in het warrig gewas.

"Willemke" riep vrouw Jansen. De knaap was opgesprongen.

Stoffels zelf kwam naar buiten op 't geluid dier stem.

"Hoe is het?" vroeg ze vluchtig. "De kinderen kunnen samen hier

zoolang wel spelen. Daar is Willemke", wees zij Anna.

Mee ging zij met Stoffels naar binnen.

Anneke zette zich moede neer. Zij wendde 't kopje af, daar de knaap

haar stond te bekijken.

"Dat is de hei!" zei hij na een poosje.

Het kleine meisje keek en zag nu, dat daar wijd en diep, heel diep-weg,

donker land lag.

"Daarachter?" vroeg zij het hoofdje naar hem keerend.

"Daarachter en ginds ver, en hier, overal, tot in Pruisen."

Hij beschouwde haar oplettend met het gevoel zijner meerderheid,

staande op eigen terrein. En met het zelfbewustzijn van een

koningskind, dat tot heerschen is geboren: "Dat is allemaal van ons."

Zij zag hem scherper aan. Hij was grooter dan zij.

"Daar ginds, voegde hij er bij met gewicht en nadruk, ligt de

Heksenberg."

Zij rekte 't halsje, hem naderend.

"Zijn daar heksen?"

"O, zeker!"

Anneke voelde 't angstig aan.

"Maar zij zullen ons niets doen. Ik ben er dikwijls op geweest, maar

overdag is er niets. Alleen maar 's nachts. En in den maneschijn kun

je ze zien dansen."

"Wat doen ze dan?"

"Ze dansen den heksendans, op bezemstokken.--Daar hebben ze ook

Bokkenrijders opgehangen aan een galg. Vader weet dat allemaal. Maar

wij hoeven niet bang te zijn. De menschen van de hei doen ze toch

niets!"

De oogen van 't kleine kind werden grooter. Zij zag steeds meer rondom

zich. Zij zaten naast elkaar nu, de knaap haar wijzend, waar heuvel aan

heuvel opgolfde uit de stille deining van de diepte, vervluchtigend

tegen het verre, vage kimmeblauw. Daar lag de Schrijversheide, daar

de Auverenberg "waar de Auvermannekens wonen."

Anneke dacht de puntmutsjes der kabouters te zien priemen uit het

rossig-paarse kruid.

"En daar bouwen ze den boortoren voor de nieuwe mijn."

Anneke herinnerde zich het gesprokene tusschen moeder en Hary van

den meester.

"Wat is dat?" vroeg ze.

"Wel, verklaarde hij, de kolenmijn! Nu gaan ze eerst kijken hoe

diep die zitten en boren een put in den grond; en dan komt daar de

mijn. Daar zitten hier overal kolen, en de besten van de wereld."

"Zullen de heksen daar niet kwaad om zijn?" waagde ze naïef.

"De heksen?" Willem peinsde. "Neen, verzekerde hij. De Heksenberg

blijft daar achter stil liggen. Daar hebben ze genoeg aan. De mijn

komt hier, vlak bij: hier achter die denneboomen."

En gelijktijdig stonden zij op en liepen vóór 't boschje langs,

waar ze den boortoren konden zien. Daar ginder verder stond, uit

de grauwe diepte der bedoomde heide, achter de houten keet en den

kastvormigen houten toren der boring, omlijnd als een kegel, de

Heksenberg statig op.

Hij was als de hals eener urn, zooals hij boven de kim rees.

Anneke's hoofdje hing vol vreemde fantasieën, terwijl zij naar den

strak omlijnden heuvel uitzag.

"Jij moest ook hier wonen," zei Willem. "'t Is nergens zoo goed als

op de hei."

"Ben je niet bang hier?"

"Bang? Waar zou 'k bang voor zijn? Als 'k groot ben, ga ik ook in de

mijn werken. Daar wordt geld verdiend!"

"Ik zou niet graag," huiverde ze.

"Ja maar, je ben ook geen jongen!"....

Daar was een dopheide-bloempje onder 't bereik harer vingertjes en

ze plukte het. Ze bekeek het als iets onbekends.

"Mooi, vind je niet? Heb je dat nog nooit gezien? vroeg

hij trotsch.--Bloemen genoeg hier, en 's zomers 's avonds de

lichtkevers--weet je wel?--de gloeiwormpjes; en dan van die fijne

groote vlinders. Er zijn hier meer vogels als in een groot bosch."

"Die mag je toch zeker niet vangen?"

"En waarom niet? Dat is hier immers allemaal van ons!"

"Maar de vlinders," neuswijsde ze: "die zijn immers van Onzen Lieven

Heer."

"Gekheid," zei hij. "Wij hebben hier alles te zeggen.--Nu krijgen we

ook gauw de bijen hier, ging hij voort, zoo gauw als de hei bloeit. Ze

begint nu al."

"Wat?" vroeg Anneke.

"Wel, de hei hier, alles, overal: dat gaat allemaal bloeien met heel

kleine roode bloempjes, waar de bijen op af vliegen om den honig. Heb

jij dan nooit de hei zien bloeien?"

"Neen" schudde ze nadenkend.

"Och maar, praalde hij, dat is nog 's wat. Je zou dat wel zien, als je

hier ook woonde. Kom maar eens terug hier na een week of twee. Dan is

't allemaal rood wat je ziet."

Hij praatte als een man, wiens huis vol goud zit en zilveren

kostbaarheden.

"Daar beneden loopt er ook een beekje. Zie je 't? Er zitten volop

kleine vischjes in, stekelbaarsjes."

"Ik zie geen beekje," zei ze turend.

"Kom, ik zal 't je wijzen. Ga mee."

Zij stapte moedig in 't hooge kruid met hare tengere beentjes. "Geef me

maar een hand" vroeg hij, beschermend. Zoo daalden ze, wijdschrijdend,

samen de helling af.

"Heila!" donderde een zware mannenstem. "Waarheen moet dat met

jullie daar?"

"Ik wou het beekje wijzen, daarginds."

"Wat jij, beekje, gauw terug, vlegel! Heb 'k je niet gezegd dat je

niet van de deur mocht?"

De twee kinderen kwamen terug gestapt. Hij liet haar handje los,

gekrenkt in zijn kleinen hoogmoed. Zij liet het kopje hangen, verlegen

en bevreesd. Er was iets moois gebroken.

Dan kwam vrouw Jansen, en Anneke ging zwijgend mee.

Het werd avond; de zon werd rood en daalde. En met den avond viel,

na haar heengaan, weer 't gewone zwijgen over de heide saam.

Onder den rook der mijn Eene novelle uit Limburg · 第 5 / 22 题