IV

7 September.--Ten acht uren des morgens melden wij ons aan bij

generaal Annenkof, wiens trein gereed is om te vertrekken. De zon is

heeter dan gisteren; wij bestijgen den open waggon, welke den trein

sluit. De burgerlijke en militaire werklieden zijn sedert lang aan

den arbeid. Langs de groepen der soldaten heengaande, zegt de generaal

met luider stemme:

"Goeden morgen, mijne kinderen!"

En de soldaten staken hun werk, stellen zich in postuur, met de pink

op de naad van de broek, en antwoorden in koor:

"Wij wenschen Uwe Excellencie eene goede gezondheid!"

De weg waarop wij rijden is eerst in de laatste dagen gelegd, sedert

de hervatting der werkzaamheden, die tijdens de groote hitte gestaakt

waren. Wij rijden niettemin met eene snelheid van twintig kilometers

in het uur; maar de lange materieel-treinen, die dikwijls uit vijftig

wagens bestaan, leggen niet meer dan vijftien kilometers in het uur

af. De weg doorsnijdt de oude turkmeensche vesting, waarbinnen geene

kibitka meer verrijzen zal, buigt zich dan naar het noordoosten, en

bereikt een minder bevolkt gedeelte van de oase. Eenige kilometers

voorbij Merw gaan wij over een vrij belangrijken arm van de Moergab:

zoo als men weet, verliest deze rivier, welke vroeger in de Amoe-darja

uitliep, zich thans in het zand van de Karakoem. De ijzeren brug

waarover wij rijden is zoo goed als voltooid; de generaal wil haar

beproeven en laat zijn trein met eene snelheid van veertig kilometers

in het uur er over heen snorren. De proef gelukt: wij komen niet in

de rivier terecht.

Twee uren na ons vertrek komen wij aan den vermaarden constructietrein,

die vijftienhonderd menschen kan bevatten, en die elken dag eene

etappe verder naar het Oosten voortschuift. Hij staat voor ons

stil, en ik tel vier-en-dertig wagens; te weten: vier wagens met

twee verdiepingen voor de officieren; een waggon-eetzaal voor de

officieren; een keuken-waggon voor de officieren; drie keuken-waggons

voor de manschappen (drie kompagniën elk van tweehonderd man); een

ambulance-waggon; een telegraaf-waggon; eene smederij-waggon; een

waggon met levensmiddelen; een reserve-waggon met al hetgeen noodig

is voor het leggen der rails over eene lengte van twee kilometers; en

eindelijk twintig waggons met twee verdiepingen voor de huisvesting

der manschappen en der werklieden (zeshonderd russische soldaten

en driehonderd inlandsche aardwerkers). De russische soldaten en de

aziatische werklieden zijn in afzonderlijke waggons gehuisvest. Een

russische waggon is zeven meter lang en drie meter breed; hij heeft

op elke verdieping ruimte voor vijf-en-twintig man, die in een soort

van kooien boven elkander slapen.

Voor de inwijding van het station te Merw bestond deze trein uit

vijf-en-veertig wagens met vijftienhonderd soldaten en werklieden: er

waren toen redenen om zooveel mogelijk voortgang met het werk te maken,

welke nu niet meer bestaan. Voorbij Merw verliest de transkaspische

spoorweg een groot deel van zijne strategische waarde. Het naaste

en onmiddellijke doel van den spoorweg was de pacificatie en de

verzekering van het rustig bezit der turkmeensche oasen: dat doel is

den 14den Juli 1886 bereikt.

Het is tien uren in den morgen: de generaal houdt algemeene

inspectie. Wij stijgen te paard en volgen Zijne Excellencie onder de

luide kreten en begroetingen van de soldaten en zelfs van de Tekkés,

die op hunne manier het russische saluut uitschreeuwen. Wij rijden

langs den trein, waarin zich nog een aantal soldaten bevinden, deels

op hunne slaapsteden uitgestrekt, deels de thee klaarmakende. Als wij

hierover onze verwondering te kennen geven, heldert de generaal ons het

raadsel op. Om, in dit klimaat, maanden lang, een moeilijken arbeid te

kunnen volhouden, is het volstrekt noodig, de krachten der arbeiders

te sparen. De manschappen worden dus in twee brigaden van gelijke

sterkte verdeeld, die dagelijks niet langer dan zes uren werken,

de eerste van zes uren in den morgen tot 's middags, de andere van

's middags tot zes uren 's avonds.

Twee spoorwegbataillons, transkaspische bataillons genaamd, worden

gebezigd voor den aanleg en de exploitatie van den weg. Het eerste

bataillon heeft in 1880 de lijn tot Kizil-Arwat gemaakt; het is

nu belast met de exploitatie en met de telegraafdienst. Het tweede

transkaspische bataillon wordt uitsluitend gebruikt voor het leggen

der rails, het plaatsen van de telegraaf, en in het algemeen voor

alle werken, die niet aan inlanders kunnen worden toevertrouwd. Dit

bataillon is eerst onlangs gevormd en werd in den tijd van twintig

dagen, van 10 Mei tot 1 Juni 1885, saamgesteld uit soldaten van het

staande leger, die de vereischte bekwaamheden bezaten. Sedert de weg

tot Merw is doorgetrokken, wordt een deel der manschappen van dit

tweede bataillon gebruikt voor de exploitatie: voor het leggen der

rails zijn nu nog zeshonderd man aangewezen.

Al de aard- en metselwerken worden door inlandsche werklieden

verricht. De soldaten met hun witte boezeroen en witte pet, die

onder het oog van hunne te paard gezeten officieren zoo vlug en

handig met de rails omspringen, raken geen schop of troffel aan. Zij

vinden de baan vooruit gereed gemaakt door de inlandsche aardwerkers,

die, onder opzicht van de ingenieurs, in ploegen verdeeld, daaraan

arbeiden. Ieders taak is juist aangewezen, en elke botsing tusschen

het militaire en burgerlijke element voorkomen.

Zijn de plannen door de ingenieurs opgemaakt en door den generaal

goedgekeurd, dan tijgt een ploeg Turkmenen, onder leiding en bevel

van de ingenieurs, aanstonds aan het werk voor het gereed maken der

aarden baan. Zulk een ploeg is dikwijls zeer talrijk en wordt dan in

onder-afdeelingen gesplitst: de hoofdzaak is dat deze werklieden steeds

vóór zijn.--Op dien eersten ploeg volgt het bataillon met het leggen

der rails belast, waaraan inlandsche opperlui zijn toegevoegd, die het

grove werk moeten doen en den soldaten alle noodelooze vermoeienis

besparen. Hieruit blijkt, dat zoo in het russische leger eene zeer

strenge discipline heerscht, de officieren ook wel degelijk voor de

gezondheid der soldaten zorgen.--Is het spoor eenmaal gelegd, dan

komen de ingenieurs met hunne werklieden om de laatste hand aan het

werk te leggen: zij gaan aan de militaire brigade vooraf en volgen

haar. Ook moeten zij voor het onderhoud zorgen.

Het is niet meer dan natuurlijk, dat waar het leggen van het spoor

zoo vlug geschiedt, er daarna nog het een en ander na te zien, bij

te werken en te verhelpen valt. Ongetwijfeld is de weg niet aanstonds

volkomen in orde, maar dat wordt ook niet verlangd. Het is voldoende

dat de spoorbaan geschikt zij voor den militairen trein en voor de

treinen met materieel, die tweemaal per dag aankomen: en dit doel is

bereikt, want tot heden is nog geen enkel ongeluk voorgevallen.

Terwijl de generaal mij dit een en ander mededeelt, zijn wij bij de

manschappen gekomen, die met het leggen der rails bezig zijn; de twee

laatste rails zijn juist op de dwarsliggers gespijkerd, en ik heb

ter nauwernood den tijd om mijn paard op de aarden baan te drijven,

of de twee volgende rails zijn ook gelegd: binnen weinige sekonden is

de lijn zeven meters verder doorgetrokken in de richting van Samarkand.

Vlak voor mij zie ik een licht wagentje, dat door inlanders,

onder bevel van een soldaat, op het zoo even gelegde spoor wordt

voortgeduwd; op dit wagentje liggen tusschen de twaalf en twintig

rails. Aan het einde van de laatst gelegde rails gekomen, staat het

stil; vier soldaten staan gereed, twee aan iedere zijde van den weg;

met hunne tangen nemen zij twee rails van het wagentje en leggen ze

op de baan; andere soldaten plaatsen die rails in de juiste richting

en bevestigen ze met drie hamerslagen op de dwarsliggers; dan rijdt

het wagentje weer zeven meters verder; wederom worden twee rails

ontladen en gelegd. Deze operatie wordt onafgebroken met mathematische

nauwkeurigheid uitgevoerd; gestadig verlengt zich de spoorlijn naar

het Oosten.

Waar komen nu de rails en de dwarsliggers en het verdere materieel

van daan?

Tweemaal in de vier-en-twintig uren wordt al het benoodigde voor het

leggen van twee wersten aangevoerd door een reusachtigen trein van

vijf-en-veertig tot vijftig wagens. De eerste trein komt 's nachts

aan, voor de morgenbrigade, die van 's morgens zes tot 's middags

twaalf uur werkt.--De tweede trein komt in den voormiddag, voor

de andere, wier taak om twaalf uren begint en 's avonds om zes uur

eindigt.--Deze treinen moeten achter den militairen trein stoppen,

want er is geen dubbel spoor. Zij lossen dus hun materieel achter

dien trein: de rails aan den eenen kant van den weg, de dwarsliggers

aan den anderen. Zoodra de lossing is afgeloopen, vertrekt de trein

op nieuw om voorraad te halen voor den volgenden dag.

Dan zet zich de militaire constructietrein in beweging en rijdt terug

tot voorbij de plaats waar straks de trein met materieel stond, zoodat

de baan vrij is voor het vervoer van de rails en het overige naar

het einde van het spoor. Stuit men op geen buitengewone hinderpalen,

dan zijn om twaalf uur twee kilometers voltooid; de constructietrein

rijdt nu zoo ver door, het ontbijt der soldaten met zich brengende.

Dan tijgt de tweede brigade aan het werk. De trein met materieel,

die in den loop van den morgen is aangekomen, nadert zoo dicht

mogelijk den constructietrein, lost zijne lading en vertrekt weer; de

constructietrein loopt op zijn beurt eenige honderden ellen achteruit,

en dezelfde werkzaamheden beginnen op nieuw voor het vervoer en het

leggen der rails en der dwarsliggers. Als de avond invalt zijn wederom

twee kilometers van den transkaspischen spoorweg voltooid.

Op deze wijze is het mogelijk geweest, binnen weinige maanden het

traject door de turkmeensche woestijn tot stand te brengen, en den

schijnbaar onoverkomelijken slagboom op te ruimen, dien de natuur

tusschen Rusland en Engeland had opgeworpen. Toen de generaal naar

zijn trein terugkeerde, vroeg hij mij welken indruk dit alles op mij

gemaakt had: ik gaf hem mijne ongeveinsde bewondering te kennen en

voegde er bij, dat zijne wijze van werken ongetwijfeld tot voorbeeld

zal genomen worden bij elken spooraanleg midden door woestijnen.

In waarheid, de boven omschreven regeling schijnt zeer eenvoudig; men

zou zoo zeggen, alles loopt van zelf: maar weinigen zullen beseffen,

hoeveel inspanning, hoeveel nadenken, voorzorg en oplettendheid

er noodig is geweest, om dezen regelmatigen gang van het werk te

verzekeren en vertraging te voorkomen. Daartoe bestond meer dan

eene aanleiding.

Wij zijn in een mohammedaansch land, en in den loop van het jaar

schrijft de Koran verschillende feesten voor, die soms lang duren. De

Tekkés zijn wel geen fanatieke Muzelmannen, maar toch zeer gesteld op

de feestdagen, die tevens rustdagen zijn: zij blijven dikwijls weg als

men hen het meest noodig heeft. Deze werkstakingen zijn zeer lastig,

wanneer men met vijftien- of twintigduizend arbeiders te doen heeft:

maar toch heeft het werk aan den spoorweg er nooit ernstig door

geleden. Gebeurt het soms, dat om eene of andere reden de trein met

materieel oponthoud ondervindt, dan neemt men zijn toevlucht tot den

voorraad in den constructietrein en tot de depôts van dwarsliggers

en rails, die de zorgzame generaal langs de geheele lijn heeft doen

aanleggen.

Maar de muzelmansche feesten zijn niet de grootste moeilijkheid. Alles

wat voor den bouw van den transkaspischen spoorweg noodig is, moet

uit europisch Rusland komen en dus over de Kaspische-zee worden

vervoerd. De vaart op die zee is dikwijls zeer lastig en gevaarlijk;

bovendien is de haven van Astrakan gedurende eenige maanden door

vorst gesloten. Van daar vertraging en stilstand in den aanvoer

van materieel. Toch werd het werk met de grootste regelmatigheid en

zonder eenige stoornis voortgezet: reeds aanstonds, bij den aanvang

der werkzaamheden, had de generaal een aanzienlijken voorraad van

materieel in de magazijnen doen opleggen; was het noodig, dan werd

daaruit genomen wat men behoefde, en de voorraad vervolgens weder

aangevuld en kompleet gehouden.

Staan reeds Europeanen verbaasd over de spoedige voltooiing van

dien reuzenarbeid, dan kan men begrijpen, welken indruk dit op de

Tekkés van Merw moet maken. Zij beseffen dat het eene vergeefsche

poging zou zijn, den strijd te willen aanbinden met de Russen, die al

loopende twee ijzeren sporen hebben gelegd tusschen de zee en hunne

oase. Deze ijzeren sporen, welke de verovering mogelijk hebben gemaakt,

hebben niet minder bijgedragen tot de volledige onderwerping en de

aanvaarding van den nieuwen toestand, waarvan men gevoelt dat hij voor

goed gevestigd is. Ik durf niet beoordeelen of het precies waar is,

wat Elisée Reclus zegt, dat de Turkmenen zoo eerlijk en trouw zijn,

dat iemand die een ander geld leent daarvoor geene schuldbekentenis

vordert of die bekentenis in handen van zijn schuldenaar laat; maar

al zou ik niet zoo onbepaald op hun nakomen van het gegeven woord

vertrouwen, dit is zeker, dat de vreeze het begin der wijsheid is.

Wij ontbijten met generaal Annenkof in zijn open wagen en hebben van

daar het uitzicht op uitgestrekte ruïnen, waarvan ik nog niet gesproken

heb. De plaats waar wij ons bevinden heet Baïram-Ali; daar stond het

Oude-Merw, op een plateau dat minder aan de overstroomingen van de

Moergab was blootgesteld dan het lage land langs den oever. Rechts en

links van den spoorweg, tot op een afstand van drie of vier kilometers,

zien wij brokken van muren, van vierkante torens, van vestingwerken,

en te midden van die bouwvallen een grafmonument met een grooten

koepel gedekt.

De geschiedenis van deze streek, die tegenwoordig bijna onbewoond

is, maar vroeger de zetel was eener bloeiende beschaving, is nog

zeer in het duister gehuld. Naar het schijnt, kan men haar in drie

groote tijdperken verdeelen, waarvan het eerste zich tot omstreeks

de zesde of zevende eeuw onzer jaartelling uitstrekt. Volgens de

traditie zouden er in dien tijd twee groote bloeiende steden hebben

bestaan, waarvan de eene door Zoroaster, de andere door Alexander de

Groote zou zijn gesticht. Wel wijst men u enkele ruïnen aan, welke

voor overblijfselen dezer steden worden gehouden; maar met zekerheid

weet men omtrent dat tijdperk niets. Misschien zullen nasporingen en

opgravingen daaromtrent eenig licht kunnen verspreiden.

Het tweede tijdperk begint met de muzelmansche verovering. Omstreeks

acht eeuwen geleden werd door sultan Sandjar de naar hem genoemde

stad Sultan-Sandjar-Kala gesticht: het met den koepel gekroonde

gebouw is zijn grafmonument. Deze machtige monarch, die uitgebreide

waterwerken aanlegde, om de Moergab aan de uitbreiding van den landbouw

dienstbaar te maken, was eigenlijk niet meer dan de stedehouder van

den Khalief van Bagdad, die zich, als zoo vele andere stadhouders,

bij het zinken van het khaliefaat, onafhankelijk had gemaakt. In de

vijftiende eeuw werd Turkmenië door de Mongolen overstroomd: Merw,

destijds de mededingster van Samarkand, werd verwoest. Men verhaalt

dat Dsjenghis-Khan al de bewoners der rampzalige stad, ten getale

van zevenhonderd-duizend, liet ombrengen.

Het derde tijdperk eindelijk omvat het zoogenaamde perzische tijdvak,

toen een groot deel van Turkmenië, althans in naam, van den Shâh van

Perzië afhankelijk was. In dien tijd valt de stichting van een nieuw

Merw, thans nog onder den naam van Baïram-Ali bekend. Ook deze stad

telde in haar bloeitijd, naar men verzekert, eenige honderdduizenden

inwoners: en de uitgestrektheid der ruïnen schijnt voor de waarheid

der traditie te pleiten. De waterwerken werden hersteld; het land

bloeide en genoot eene hooge mate van welvaart; maar in 1787 werden

de Turkmenen van Merw geslagen door Maäzoen-Khan, emir van Bokhara,

die de stad verwoestte, een groot deel der inwoners als gevangenen

wegvoerde en de stuwen en waterwerken vernielde, waardoor een groot

stuk van de oase tot een woestijn werd gemaakt.

De oase schijnt toen gedurende eenigen tijd onbewoond te zijn

geweest: daarna werd zij weder ingenomen door de Turkmenen van

Pendjdeh, bekend onder den naam van Sarikhs. Hunne heerschappij

duurt tot omstreeks 1830, toen zij door de ingeborenen des lands, de

Tekkés, werden verdreven. Deze Tekkés, aangevoerd door een befaamden

bandietenhoofdman, Kaoetsjoe-khan, werden de schrik van alle buren;

zelfs de Russen hadden van hunne strooptochten te lijden. In 1855

verslaat Kaoetsjoe de troepen van den khan van Khiwa, maakt hem

zelven gevangen en slaat hem het hoofd af, dat hij aan den Shâh

van Perzië zendt. Pogingen, door de perzische regeering aangewend,

om de vroegere opperhoogheid over Merw te herwinnen, mislukken ten

eenenmale; in 1861 werden de Perzen geslagen en moesten terugtrekken

met achterlating van een dertigtal kanonnen, die men nog te Merw, naast

de woning van kolonel Alikhanoff zien kan. Latere expeditiën hadden

geen beter gevolg of werden wel ontworpen maar niet uitgevoerd. Om

zich tegen een dreigenden aanval der Russen te kunnen verdedigen,

liet Kaoetsjoe-khan de groote citadel van Merw bouwen, die een omtrek

heeft van acht kilometers. Toen de oorlog met Rusland eindelijk,

in 1879, uitbrak, was Kaoetsjoe-khan reeds overleden: voor de

muren van Ghéok-Tépé bracht zijn opvolger het russische leger eene

nederlaag toe. Een veldtocht van een jaar, een geregeld beleg van

eenige weken was noodig om deze krijgshaftige bandieten te dwingen

en tot onderwerping te noodzaken. Omstreeks drie jaren na den val

van Ghéok-Tépé bood Merw vrijwillig zijne onderwerping aan en werd

de geheele oase bij het reusachtig rijk der Tsaren ingelijfd.

De Russen schijnen er zich op te verstaan, om de verschillende

volksstammen, die zij onder hun gezag vereenigen, ook voor zich te

winnen en met de vreemde heerschappij te verzoenen. Hier althans

zou niets u doen vermoeden, dat ge in een veroverd land zijt;

uit de inlanders worden speciale korpsen gevormd, die bij een

eventueelen oorlog groote diensten kunnen bewijzen, en waarbij de

khans of aanzienlijken den graad van officier kunnen verwerven. Maar

tusschen deze inlandsche en de russische officieren bestaat volstrekt

geene gelijkstelling: al zijn de khans ook tot den rang van kolonel

opgeklommen, zal hun toch nimmer het bevel over eene afdeeling

kozakken worden opgedragen, en de tweede luitenants van het nationale

leger bewijzen hun wel de eer, die zij hun volgens de militaire wet

verschuldigd zijn, maar laten zich verder niet met hen in. Men acht

de handhaving van dit onderscheid noodig voor het prestige van het

heerschende ras.

Wij mogen de gelegenheid niet verzuimen, om de ruïnen van het oude

Merw te bezoeken, die in Europa bijna geheel onbekend zijn. Paarden

worden gezadeld; een turkmeensche gids in russische dienst wordt

ontboden: wij gaan op weg. Het zijn prachtige, sierlijke dieren,

die turkmeensche paarden, met hun fijnen kop, hunne smalle borst,

hunne gespierde pooten. Van gemengd arabisch ras, zijn zij nog

beter tegen vermoeienissen bestand dan de volbloed arabische

paarden. Zonder bezwaar kunnen zij een week lang honderd kilometer

per dag afleggen. Zij worden in de tent, met de kinderen van het

gezin groot gebracht en door de vrouwen gestreeld en geliefkoosd;

het ontbreekt hun aan niets; ook waar, in eene armzalige kibitka,

de meester en zijn gezin met lompen zijn gekleed, heeft het paard

nog een goed warm dek.

Aan de linkerzijde van de spoorbaan liggen de overblijfselen der oude

stad Sultan-Sandjar-Kala, waarvan slechts de voornaamste monumenten

nog staande zijn gebleven. Van de gewone huizen is hier, evenmin

als in het latere Baïram-Ali, bijna geen spoor meer over: trouwens,

dit laat zich begrijpen, daar verreweg de meeste gebouwen van pisé,

gestampte aarde, zijn opgetrokken. Waar zal men ook in de eindelooze

steppe steen vinden? De kleiaarde, in de zon gedroogd, verkrijgt

voldoende hardheid om muren te bouwen van ettelijke ellen hoogte

bij eene dikte van veertig tot vijftig duim. Het vervaardigen van

baksteen was en is nog zeer kostbaar: niet dan bij uitzondering werd

daarvan gebruik gemaakt. Met verbazing staat men stil voor deze vaak

kolossale gebouwen, waarbij geen enkele steen is gebruikt, en die

toch betrekkelijk goed bewaard zijn gebleven. Uit de verte zou men

ze voor gewone gebouwen aanzien, en toch is alles louter aarde.

Wij rijden langs een vormeloozen wal of dijk, volgens onzen gids,

de omwalling der stad van Alexander. Heel zeker is hij daarvan niet,

want als ge hem met vragen lastig valt, zal hij gereedelijk toegeven

dat gij de overblijfselen voor u hebt van de stad van Zoroaster,

van Ghiaoer-Kala (de sterkte van den ongeloovige). Als ge den wal

beklimt, ziet ge niets dan de vlakke kale steppe, met hoog geel gras

begroeid, en hier en daar eenige heuvels van aarde of scherven en

puin. Vermoedelijk zouden hier niet onbelangrijke opgravingen zijn

te doen.

Wij begeven ons naar de weinige monumenten, die in de stad van sultan

Sandjar nog de aandacht trekken. Dat zijn vooreerst twee groote

gewelfde portieken of nissen, waarvan de achterwand met gekleurde

tegels bekleed is: ongetwijfeld behoorden deze ruïnen vroeger tot eene

moskee. Tegenover de portieken ziet men twee sarkophagen, insgelijks

van baksteen, en in die sarkophagen twee kisten van dezelfde bouwstof,

met een wit marmeren zerk gedekt. Niemand kan mij zeggen, wie daar

begraven ligt. De graven schijnen nieuw, maar zijn toch, volgens

onzen gids, eenige eeuwen oud.--Wij rijden vervolgens langs eene

soort van citadel, waarvan de aarden wallen aan de buitenzijde met

regelmatige vertikale insnijdingen zijn versierd, die een zonderling

effekt maken: het is als zag men eene rij reusachtige overeind staande

worsten. Eindelijk komen wij aan de belangrijkste ruïne der geheele

streek, aan het graf van sultan Sandjar, op eene hoogte of terp

gebouwd, waardoor het monument, uit de verte gezien, veel hooger

schijnt dan het werkelijk is. Verbeeld u een rechthoekig gebouw,

aan iedere zijde achttien tot twintig el breed, en gedekt door een

koepel, die zich vijf-en-twintig el boven den grond verheft; alles

van baksteenen, die door zoo hard cement verbonden zijn, dat zelfs

het breekijzer daarop afstuit. Twee kleine deuren tegenover elkander

geven toegang tot het inwendige van het gebouw, maar zij zijn zoo laag,

dat een der officieren, prins Gagarin, even hoog van statuur als van

geboorte, zich bijna in tweeën moet vouwen om binnen te gaan. Binnen

getreden, moet ge twee of drie el afdalen om den vloer van het monument

te bereiken. Waar is nu de tombe van sultan Sandjar? Is zij ergens

verborgen of door Dsjenghis-Khan vernield? Misschien zullen latere

onderzoekingen dit raadsel ophelderen.

Wij begeven ons nu naar de perzische stad Baïram-Ali, waardoor de

spoorweg loopt. Een vrij groot aantal partikuliere woningen, vroeger

zeker het eigendom van aanzienlijken en hoofden, zijn nog in tamelijk

goeden toestand bewaard gebleven en bieden des noods den reiziger nog

eene verblijfplaats aan. Bijna allen zijn naar hetzelfde model gemaakt,

en bestaan in de eerste plaats uit een vierkant gebouwtje van zes tot

tien meter hoog, in twee verdiepingen verdeeld. Eene zeer smalle lage

deur geeft toegang tot de benedenverdieping; een trap ontbreekt, zoodat

de bovenverdieping alleen met behulp van een ladder bereikbaar was;

blijkbaar is dit zoo gemaakt met het oog op de verdediging tegen

een vijandelijken aanval: dan was die bovenverdieping de laatste

wijkplaats. Dit gebouwtje--men zou kunnen zeggen, deze vestingtoren--is

op eenigen afstand omringd door een muur van omstreeks drie el hoogte,

waarbinnen zich ongetwijfeld de eigenlijke woning van het gezin bevond:

in dien muur was slechts een enkele doorgang, waartegenover, aan de

buitenzijde, zich een klein gebouwtje bevond, bestemd tot wachthuis

voor soldaten of tot verblijfplaats voor de slaven.

Deze woningen zijn geheel van leem en kleiaarde en bevatten maar zeer

weinig baksteen. Het gebruik van pisé of van in de zon gedroogde

steenen is niet alleen veel goedkooper, maar verdient ook uit het

oogpunt van koelte en frischheid de voorkeur. Generaal Annenkof heeft

opgemerkt, dat, in het heete jaargetijde, een verschil in temperatuur

van tien tot twaalf graden valt waar te nemen te nemen tusschen huizen

die van gebakken steen en huizen die van in de zon gedroogden steen

zijn gebouwd.

Het voornaamste monument van Baïram-Ali is de citadel, waarvan de muren

met halfronde torens onwillekeurig aan het Kremlin herinneren. De

omwalling is rechthoekig, en beslaat eene oppervlakte van omstreeks

drie kilometers. De overblijfselen der poorten van de vesting zijn zeer

bezienswaardig. In waarheid, de ruïnen van het oude Merw verdienen de

aandacht der geleerden: wij zijn geen geleerden, en toch vergeten wij

hier onzen tijd. Waarom is kolonel Alikhanoff niet bij ons? Hij zou ons

misschien kunnen zeggen, wat die brokstukken van gebouwen eigenlijk

beteekenen, waarvan wij te vergeefs de oorspronkelijke gedaante

trachten te raden; hij zou ter verklaring de toevlucht kunnen nemen

tot de turkmeensche traditiën, waarvan hij volkomen op de hoogte is.

De avond was reeds gedaald, toen wij onze paarden in galop zetten om

naar den trein van den generaal terug te keeren, waarvan de lichten

ons op een afstand van drie kilometers tegenblonken. Maar wij hebben

het ongelukkig getroffen met onzen gids. Het terrein dezer verlaten

steden wordt doorsneden door diepe grachten, die geheel begroeid en

daardoor, vooral in de duisternis, voor de paarden niet te onderkennen

zijn. Wij komen veel te laat ter plaatse onzer bestemming; gelukkig

is de generaal voorkomend en ziet hij wat door de vingers ter wille

van onze archeologische liefhebberijen.

Het is vinnig koud op den open wagen: de uit Siberië komende

noordoosten wind verstijft ons met zijn ijzigen adem. Voeg daarbij,

dat een fijne regen ons voortdurend in het gezicht waait, nog

verschroeid door de gloeiende zonnestralen van den vorigen dag. Er is

inderdaad niet meer noodig om de koorts te krijgen; deze plotselinge

overgangen van temperatuur maken het klimaat van deze streek voor vele

gestellen zeer gevaarlijk. Na twee maanden van tropische hitte (Juli

en Augustus), steekt plotseling een koude noordenwind op, waarmede de

herfst aanvangt, die tot November duurt. De boomen ontbladeren zich

en het voorkomen der oase ondergaat eene geheele verandering. Dan

begint de winter met zeer strenge koude (vijftien tot twintig graden

Celsius onder nul) en aanhoudende stormen uit het noordoosten. De lente

(April en Mei) is misschien het eenige wezenlijke goede en aangename

jaargetijde, waarin weldadige regens de warmte temperen en het aardrijk

verkwikken, dat zich dan weer met zijnen groenen dos tooit. Men moet

echter wel in het oog houden, dat er geene vergelijking is te maken

tusschen de zon van Merw en die van sommige lage vochtige streken

nabij de evennachtslijn: gevallen van zonnesteek zijn hier zeldzaam en

niet gevaarlijk, hoewel de russische soldaten slechts eene eenvoudige

witte pet dragen, die den nek onbedekt laat. Dit alleen bewijst, dat

de zonnestralen, hoe ze ook mogen branden, hier veel minder te duchten

zijn dan bij voorbeeld in de Roode-zee of in de indische kustlanden.

V

8 September.--De trein met materieel is zoo even vertrokken, maar de

militaire constructietrein staat nog onbewegelijk. Het is vijf uren

in den morgen. Ik bibber van de koude en heb geen ander gezelschap

dan een russisch ingenieur, die noch duitsch, noch fransch verstaat,

want mijn reisgenoot tot hiertoe is ongesteld geworden en met den

trein voor het materieel naar Merw teruggekeerd om van daar naar

Europa te vertrekken. Zou het niet mogelijk zijn, in dit vroege

morgenuur een kop thee te krijgen? _Tchaï_, _tchaï_? De ingenieur

begrijpt mij, en wij gaan te zamen op weg naar eene kleine cantine

voor de Turkmenen en de soldaten. Vier stevige palen aan de hoeken,

boomtakken bij wijze van latwerk, wanden van leem, een dak van riet

met aarde bedekt: ziedaar de cantine, die, zoo als ge bespeurt,

niet zondigt door overmatige weelde. Van binnen een kleine houten

tafel, twee banken, een soort van buffet met eenige flesschen _wodka_

(brandewijn), tabak en de onmisbare samovar. Aanvankelijk moesten

de russische officieren zich met zulke krotten tevreden stellen:

zij hebben er niet tegen geprutteld en er zich nog minder door laten

afschrikken. Op verschillende nog niet afgewerkte stations vindt men

nog van die keten, half in den grond bedolven en door eene dikke laag

aarde tegen de zonnehitte beschermd; er behoort geene geringe mate van

moed toe om daar te leven, te midden van eene woestijn; maar dit is

altijd toch nog beter dan, bij den noordenwind, onder den blooten hemel

te slapen. Ik was althans zeer blijde, toen ik dit hol binnentrad,

waar _tchaï_ te krijgen was, al struikelde ik half over twee Tekkés,

die nog lagen te snorken, maar zich haastten om ruimte te maken.

Na verloop van een uur, verkwikt en verwarmd door de heete thee,

maakte ik mij gereed naar den trein terug te keeren, toen ik het

fluiten hoorde eener lokomotief: dat was mijn trein, die vertrok. Maar

in plaats van naar Merw terug te keeren, reed hij twee wersten verder

in de richting van de Amoe-darja, daarmede bezit nemende van het stuk

weg, dat den vorigen avond was afgewerkt, gedurende ons uitstapje naar

de ruïnen. Ik moet tot mijne schande bekennen, dat ik naïef genoeg

was om den trein na te loopen--natuurlijk te vergeefs. Indien er nog

lieden mochten zijn, die niet aan het bestaan van den transkaspischen

spoorweg gelooven, dan raad ik hun soortgelijke proef te nemen.

Na een geforceerden marsch, waarbij ik gelukkig geen last had

van de opkomende zon, kwam ik eindelijk aan de plek waar de trein

stilstond. De arbeiders zijn aan het werk; de generaal is met zijne

officieren te paard gestegen; overal heerscht dezelfde regelmatige en

kalme drukte als bij den bouw van een fort, wanneer de vijand reeds

in aantocht is. Ik heb reeds verhaald, hoe de arbeid is geregeld en

verdeeld, en behoef dat dus niet te herhalen; laat ons liever enkele

wagens bezichtigen.

In het kabinet van den generaal ontvangt zijn partikuliere secretaris

de telegrammen uit Petersburg en stelt de antwoorden op, die door

den generaal in der haast worden gedicteerd; kozakken, met de

lange tsjerkesse gekleed, komen en gaan onophoudelijk: dat zijn de

ordonnansen van Zijne Excellencie. Onder deze flinke manschappen,

naar de circassische mode gekleed, bevindt zich een Kirghizen-sultan,

een geboren vorst, dien ge u wachten moet voor een gewoon oppasser

te houden. Hij heet Araslanof, is geboortig van Orenburg en heeft

den rang van adjudant. Zijne geschiedenis is merkwaardig genoeg. Na

aan het hoofd te hebben gestaan van een opstand zijner stamgenooten,

bood hij den Tsaar zijne onderwerping aan. Tot russisch officier

benoemd, deserteerde hij en trad in dienst bij den khan van Khiwa,

die hem tot minister van oorlog benoemde. Dank zij zijne maatregelen

en beschikkingen, kon Khiwa gedurende zekeren tijd aan de Russen

weerstand bieden. Toen hij eindelijk zag, dat het spel verloren was,

aarzelde onze vriend niet langer: hij begaf zich naar de russische

voorposten en leverde zich zelven over. "Ik weet wel, zeide hij,

dat ik den kogel verdiend heb; maar als gij verstandig zijt, zult

gij mij niet doodschieten, doch liever van mijn raad en hulp gebruik

maken."--Inderdaad verschafte hij aan de russische officieren alle

inlichtingen omtrent de sterkte van den vijand en de meest geschikte

punten voor den aanval; in ruil voor dit verraad kreeg hij vergiffenis

en werd in zijn vroegeren rang hersteld. Het voorval is typisch:

beter dan een lang vertoog teekent het de aziatische zeden. Maar dat

de russische militairen zulke officieren niet bijzonder hoog achten,

is niet meer dan natuurlijk. Trouwens, zoo als ik zeide, zij voeren

nooit het bevel over russische soldaten.

De ambulance-waggon is ledig; de verblijven van de soldaten en de

turkmeensche werklieden zijn ontruimd en aangeveegd (van tijd tot

tijd worden zij uitgestoomd); de slaapsteden zijn bedekt met de groote

grijze kapotjassen, die zoo goed tegen de koude beveiligen; de soldaten

van de tweede, de namiddag-brigade slapen, of verrichten partikulier

werk, of wel zitten in troepjes rondom reusachtige samovars. Zingen

doen zij alleen des avonds, als de dagtaak is volbracht.

De koks zijn bezig met het gereedmaken van het ontbijt in de

keuken-waggons. Het is voorzeker iets zeer ongewoons, in een

goederenwagen een grooten steenen oven te zien. Wij hebben reeds iets

dergelijks in den trein van Oezoen-Ada kunnen opmerken. De oven wordt

noch met hout, noch met steenkolen gestookt: men gebruikt daarvoor

het bezinksel dat bij het distilleeren van petroleum overblijft en

van Bakoe wordt aangevoerd. Voor het stoken van de lokomotieven wordt

dezelfde brandstof gebruikt, zonder dat dit eenig gevaar oplevert. De

ontvlambare vloeistof wordt, na eerst door heet water verwarmd te

zijn, in aanraking gebracht met den heeten damp van kokend water:

de brandbare deeltjes vatten vuur, en zoo ontstaat een vlam, die de

gansche breedte van den oven of den haard beslaat.

Deze wijze van verwarming met petroleum heeft het groote voordeel,

dat men eenvoudig door het omdraaien van een kraantje het vuur

onmiddellijk kan uitblusschen. Dit is van overwegend belang zoodra er

gevaar ontstaat voor springen. Bovendien beveelt dit stelsel zich aan

door goedkoopheid: vergeleken bij de kosten van verwarming door hout,

worden op deze wijze per maand vijf-en-dertig roebels uitgewonnen

voor de voeding van eene kompagnie van tweehonderd man. Voor de

lokomotieven berekent men dat het gebruik van deze naphta zes maal

goedkooper is dan dat van steenkolen. In dat opzicht profiteert

de transkaspische spoorweg van de nabijheid van petroleum-bronnen,

wier rijkdom, volgens sommige geologen, onutputtelijk is.

De militaire constructietrein voert, als alle treinen op de

transkaspische lijn, niet alleen zijn petroleum of naphta, maar

ook zijn water mede in speciale wagens, hetzij van hout, hetzij van

geslagen plaatijzer, die elk zeshonderd pond--ongeveer negenduizend

liter--vloeistof kunnen bevatten.

Ten slotte gaan wij een bezoek afleggen bij den adjudant van den

generaal, den heer Milioutin, in den bureau-waggon. Men kan altijd

iets leeren van de zeer beschaafde en ontwikkelde officieren van het

russische leger: mocht gij soms lust gevoelen om een uitstapje te

maken naar Bokhara, dan zal de heer Milioutin u weten te verhalen

van den met het walgelijkste ongedierte gevulden kuil, waarin de

emir weleer zijne vreemde bezoekers placht op te sluiten. Sedert

Bokhara het russische protektoraat heeft moeten erkennen, is daarin

verandering gekomen; maar toch, indien ge niet zeer op uw hoede

zijt en de ontevredenheid of het wantrouwen van den emir opwekt,

dan.... Hij zal u ook het vermakelijke verhaal doen van de lotgevallen

van een engelschen dagblad-correspondent, een zekeren heer O'Donovan,

een dier onuitstaanbare lieden, die overal bij willen zijn en over

alles willen babbelen. Deze kwant wilde volstrekt den veldtocht der

Russen in Turkmenië mede maken: een aanval van typhus verhinderde

hem aan de eerste expeditie van Ghéok-Tépé deel te nemen; Skobeleff,

die niet van reporters hield, zond hem bij de tweede expeditie uit

het leger; niettemin volhardde hij bij zijn voornemen om naar Merw te

gaan, en werkelijk gelukte het hem, onder eene vermomming, het eerst

tot deze bijna onbekende oase door te dringen; maar eenmaal te Merw,

werd hij gevangen genomen, en ondanks zijne hoedanigheid van onderdaan

van Koningin Victoria, in den kerker opgesloten, waaruit hij eindelijk

door de Russen moest worden bevrijd.

Eenige dagen geleden, had een fransch reiziger, de heer Bonvalot,

in dezen zelfden waggon inlichtingen gevraagd omtrent de beste wijze

om met zijne reisgenooten in Afghanistan door te dringen, waar hij

eene of andere wetenschappelijke missie had te vervullen. Zoowel

de generaal als de heer Milioutin trachtten hen van dit voornemen

terug te brengen. Sedert had men niets meer van hen vernomen; de

vergunning om over de grenzen te gaan was hun geweigerd, hetgeen

ieder zeer begrijpelijk vond. Eene maand later ontmoette ik een

engelsch officier, aan wien vergunning was verleend om langs den

transkaspischen spoorweg en door Kaukasië naar zijn vaderland terug

te keeren; hij deelde mij mede dat het verbod om de grenzen te

overschrijden louter in het belang der reizigers was uitgevaardigd:

in Afghanistan heerschen burgeroorlog en anarchie, en de vreemdelingen

loopen zeer groot gevaar gevangen genomen en zelfs wel vermoord te

worden. Wanneer zullen Europeanen te Herat, even als thans te Merw,

in volkomen veiligheid kunnen rondwandelen?

9-14 September.--Merw ligt achthonderd-twee-en-twintig kilometers van

de Kaspische-zee; Baïram-Ali is de zevenhonderd-vijf-en-negentigste

werst, en wij naderen de mijlpaal achthonderd-vijftien, waar eene

kleine halte, Koerban-Kala, zal werden gemaakt. Wij hebben de grens

van de oase bereikt; wij bevinden ons op nieuw in de zandwoestijn,

afgewisseld door onbebouwd alluvium, dat zich tot de Amoe-darja

uitstrekt. Over deze rivier zal eene brug worden gebouwd te Tsjardjoeï,

eene stad van dertigduizend inwoners, die tot het khanaat van Bokhara

behoort; de afstand van deze stad tot Oezoen-Ada bedraagt duizend-vijf

wersten. Op den achtsten September 1886 moest de spoorweg dus nog

over ruim tweehonderd wersten worden doorgetrokken om den alouden

Oxus te bereiken; de bouw van dit vak, het moeilijkste van de geheele

lijn, was reeds den dertigsten November daaraanvolgende voltooid,

zoo dat men nu slechts eenige uren noodig heeft voor de reis door

eene woestijn, welke vroeger drie of vier dagen vorderde, waarbij

men dan nog de kans liep, half verblind te worden door de wolken van

zand, die de sterke wind voor zich uitdrijft. Ik had eigenlijk mijn

bezoek drie maanden moeten uitstellen. Om de reis voort te zetten,

moeten wij nu nog te paard stijgen en voor nachtverblijf ons met

eene tent tevreden stellen. Gelukkig is de weg althans afgebakend;

zelfs zou men reeds, over eene lengte van honderd kilometers, met

een rijtuig de baan kunnen volgen.

Want, zoo als ik zeide, de inlandsche arbeidersploegen, die de

aardwerken moeten uitvoeren, zijn den constructietrein zeer ver

vooruit. De turkmeensche werklieden, die met hunne groote mutsen van

schapenwol het steken van de zon kunnen trotseeren, hebben den ganschen

zomer doorgewerkt. Ook treft men overal langs de baan ingenieurs en

landmeters aan, die het opzicht houden over de werkzaamheden, het

terrein bestudeeren en opnemen, en de richting van den weg bepalen;

hunne kampementen zijn van vijf-en-twintig tot dertig kilometers van

elkander verwijderd. Deze ijverige mannen, die zich ter wille hunner

plichtsvervulling allerlei ontberingen getroosten en letterlijk

buiten de beschaafde wereld leven, zullen u steeds met de grootste

hartelijkheid en gastvrijheid ontvangen. Een hunner heeft zelfs zijne

vrouw bij zich.

En deze onvermoeide ingenieurs konden niet volstaan met het bestudeeren

van slechts eene richting voor de te maken baan. De turkmeensche

woestijn was nog ten vorigen jare zoo volkomen eene _terra incognita_,

dat men aan gene zijde van Merw zoo goed als op den tast te werk

moest gaan. Behalve de richting van Tsjardjoeï, waarop ten slotte

de keuze is gevallen, omdat in die richting aan den rechter oever

van de Amoe-darja minder zand wordt aangetroffen en de spoorweg door

het meest bevolkte gedeelte van Bokhara loopt; behalve deze richting

heeft men ook nog het ontwerp opgemaakt voor eene andere lijn met eene

afwijking van minstens driehonderd kilometers, die te Boerdalik, nabij

de afghaansche grens, over de rivier zou gaan. Onder de leiding van den

hoofdingenieur Danilof, zijn al de terreinsopnemingen en voorbereidende

werkzaamheden tusschen Askhabad en Samarkand, over eene uitgestrektheid

van negenhonderd-dertien wersten of negenhonderd-zeven-en-zeventig

kilometers, in weinige maanden, van Mei tot December 1885, verricht;

als men de mede bestudeerde afwijkingen en wijzigingen daarbij in

rekening brengt, omvat de arbeid eene uitgestrektheid van meer dan

dertienhonderd kilometers. Bedenkt men daarbij, wat het zegt te leven

en te werken in eene woestijn waar zelfs geen water is te vinden,

dan zal men moeten toegeven, dat hetgeen hier door de russische

ingenieurs is verricht, zonder voorbeeld was.

Negen stations scheiden Merw van de Amoe-darja; ik geef hier de lijst

dier stations met vermelding van den afstand van Oezoen-Ada:

Baïram-Ali........... 795 wersten.

Koerban-Kala......... 815 id.

Keltsji.............. 839 id.

Ravina............... 862 id.

Oetsjadji............ 887 id.

Peski................ 912 id.

Repetek.............. 936 id.

Esjek-Rabat.......... 959 id.

Selim................ 982 id.

Met uitzondering van het eerste station, dat wij bezocht hebben en

waar eene vrij waterrijke beek wordt aangetroffen, liggen al de andere

midden in de woestijn; geen enkel inlandsch kamp of dorp, behalve dat

van Selim, brengt eenige afwisseling in deze doodsche eenzaamheid;

overal ontbreekt drinkwater, uitgenomen bij de stations Koerban-Kala,

Oetsjadji, Repetek en Selim, waar men met veel moeite geslaagd is in

het opsporen van wellen; de kale zandduinen zijn ontbloot van iedere

soort van plantengroei:--in één woord, de gansche landstreek is niet

meer dan eene akelige naakte wildernis, waar slechts nu en dan de kreet

van het wild gedierte de stilte verbreekt. En toch stonden hier eenmaal

bloeiende steden en woonde hier eene talrijke beschaafde bevolking.

Eenige kilometers voor men aan het station Ravina komt, beginnen de

zandduinen zich te vertoonen, die zich dan onafgebroken over eene

lengte van omstreeks vijf-en-zestig kilometers uitstrekken. De bouw

van dit gedeelte van den spoorweg leverde de grootste moeilijkheden

op. De duinen zijn misschien niet hooger dan die langs het strand

van de Kaspische-zee, maar zij zijn volstrekt onbegroeid en daardoor

aan voortdurende verstuiving onderhevig. Een sterke wind, die eenige

dagen achtereen in dezelfde richting waait, kan de duinen soms van

een tot twee meter verplaatsen. Het zal dus veel meer moeite kosten,

deze losse duinen vast te leggen dan de reeds half begroeide duinen

langs de Kaspische-zee; maar voor vernieling van den spoorweg behoeft

men niet te vreezen. Wanneer ondanks de genomen voorzorgen, zoo als

het plaatsen van paalrijen en staketsels om het zand tegen te houden,

op sommige punten verplaatsingen mochten voorkomen, dan zullen die

toch niet meer te beteekenen hebben dan aardstortingen op iedere

andere lijn: een arbeid van eenige uren zal voldoende zijn om den

hinderpaal weg te ruimen en het verkeer te herstellen. De hoogte

der uitgravingen bedraagt niet meer dan tien el; de inhoud van de

zandheuvels per werst bedraagt gemiddeld elfduizend kubiek meter.

Heeft men deze duinen achter den rug, dan komt men op nieuw in

de woestijn, die zich onafgebroken tot de Amoe-darja uitstrekt en

afwisselend uit alluvium en zand bestaat. Welk eene verschrikkelijke

streek; en hoe volkomen begrijpelijk is, wanneer men deze onherbergzame

wildernis aanschouwt, de kalme gerustheid der beheerschers van

Hindostan! Zulk eene woestijn mocht inderdaad het beste aller bolwerken

worden gerekend, bijna even onoverkomelijk als de oceaan. Maar

binnen weinige maanden is alles veranderd: de slagboom is opgeruimd,

de kracht van het bolwerk gebroken. Al ware het meer dan vermetel,

vooral in dit geval, de toekomst te willen voorspellen, zoo ligt

toch eene verovering van Indië--gesteld dat de russische politiek

daarop is gericht--vermoedelijk niet in het naaste verschiet. Maar

toch.... met welk doel voegt de Tsaar deze afschuwelijke wildernissen

en kale steppen bij zijn onmetelijk rijk?

Wij komen te Tsjardjoeï. Bij deze belangrijke stad zal de spoorweg

de Amoe-darja moeten oversteken; de ontworpen brug zal eene lengte

verkrijgen van meer dan anderhalve kilometer. De oude klassieke Oxus

stuwt zijne wateren voort tusschen steile, eenigszins zandige oevers,

die eene hoogte hebben van acht tot tien meter. Generaal Annenkof

is nog onzeker, of hij hier eene vaste ijzeren brug met wijde bogen

zal laten bouwen; en die aarzeling is alleszins verklaarbaar, want

hoewel het bed der rivier uit zand bestaat met een dunne laag klei

overdekt, en hoewel de diepte, gedurende de helft van het jaar, niet

veel meer dan drie voet bedraagt, zouden toch de kosten van zulk een

werk zeer aanzienlijk zijn. Naar het schijnt, bestaat nu het plan om

gebruik te maken van een eilandje, dat de rivier in twee bijna gelijke

takken verdeelt en waaraan een kabel zou worden bevestigd, waarvan

het andere uiteinde aan eene stoomponton wordt vastgemaakt. Op die

ponton zouden dan de passagiers- en goederenwagens worden overgezet,

terwijl de lokomotief zou achterblijven.

Door het doortrekken van den transkaspischen spoorweg tot aan

Tsjardjoeï verzekert Rusland zich het bezit van eene rivier, die

wat de lengte van haar loop (vijf-en-twintighonderd kilometers)

en het jaarlijksch volume van haar watermassa aangaat, in Europa

alleen door den Donau en de Wolga wordt overtroffen. Zij vormt

de grensscheiding tusschen Bokhara, dat feitelijk eene russische

provincie is, en noordelijk Afghanistan. Langs dezen weg kan men

troepen vervoeren tot aan de grenzen van Badaksjan, aan den voet

der bergpassen van den Hindoekoesh, waarover de wegen naar Engelsch

Indië loopen: men begrijpt dus van welk strategisch gewicht het bezit

dezer rivier is. Ongelukkig gaat de scheepvaart op de Amoe-darja

met bezwaren gepaard, die wel niet onoverkomelijk zijn, maar welker

opruiming toch zeer veel inspanning en maatregelen van bijzonderen

aard zal vorderen. In het voorjaar en in den zomer, na het smelten

der sneeuw op het Pamirgebergte, waar de Amoe-darja ontspringt,

bereikt de rivier eene hoogte van vijf tot zes meter; in den winter

en den herfst daarentegen bedraagt de diepte niet meer dan twee of

drie voet. Om van dezen waterweg in zijn tegenwoordigen toestand

gebruik te kunnen maken, moet men dus eene flottille van platboomde

stoombooten tot zijne beschikking hebben. Wordt met den bouw van deze

vloot evenveel spoed gemaakt als met den spoorweg, dan zal zij zeker

binnen niet langen tijd de wateren van den Oxus klieven.

Na eene aanhoudende ingespannen werkzaamheid van achttien maanden,

schijnt de verdere voortzetting van de transkaspische spoorlijn

voorloopig te blijven rusten. Wij zullen dus ook hier, aan de oevers

van de Amoe-darja, het einddoel van onze reis vinden, hoewel het minder

gevaarlijk is om een bezoek te gaan afleggen bij den emir van Bokhara,

dan bij zijn buurman van Kaboel. Blijft de vrede in Europa bewaard,

dan zullen wij in het volgende jaar, zonder eenige vermoeienis of

inspanning, in tien uren den afstand van driehonderd-vijf-en-zeventig

kilometers kunnen afleggen, die ons van Samarkand scheidt. De

aanleg van dit gedeelte der lijn zal veel gemakkelijker zijn dan

van de andere. Van de Amoe-darja tot Karakoel, over eene lengte

van omstreeks vijftig wersten, heeft men eene waterlooze woestijn;

maar verderop kan de lijn den loop volgen van de Sarafsjan, de groote

rivier, die naar de oude aziatische metropolis voert. Zal Samarkand

dan het eindpunt zijn van den transkaspischen spoorweg? Misschien. De

groote stad Tashkend met haar honderdduizend inwoners is nog geen

driehonderd kilometers van Samarkand verwijderd; en de eenige ernstige

moeilijkheid, die overwonnen zou moeten worden, is de overgang van

de Sir-darja, eene rivier die in breedte en beteekenis vrij wel met

de Amoe-darja gelijk staat.

En na Tashkend? Op die vraag is geen antwoord te geven; maar de

onderstelling is zeker niet gewaagd, dat zulke onvermoeide pionniers

als de Russen niet halverwege blijven stilstaan bij hunne vreedzame

verovering van Centraal-Azië.

Reis naar Merw De Aarde en haar Volken, 1887 · 第 4 / 6 题