III

Sedert de feestelijke inwijding van het station te Merw zijn niet meer

dan twee-en-vijftig dagen verloopen; na dit feest werd aan de troepen

zes weken rust gegund; maar nu is men overal druk bezig met bouwen,

zoowel bij het station als in de stad. Wij stappen uit den trein

en vertrouwen onze valiezen aan perzische _facchini_; omnibussen

of openbare rijtuigen vindt men hier nog niet, maar ook dat zal wel

komen. Te Askhabad bestaat zoo iets reeds. Overigens behoeft men niet

ver te gaan: de nieuwe stad grenst vlak aan het station. De wandeling

heeft dus op zich zelve niets te beteekenen: maar het stof! Tot over

de enkels waadt gij door het stof, ge ademt het met volle longen in,

het omgeeft u als eene dichte wolk. Dit is bepaald nadeelig voor de

gezondheid; hierin moet en zal ook wel verbetering komen, maar men

kan niet alles op eens verlangen.

Onder het geleide van een jongen Pool, die duitsch spreekt en ons

als tolk dient, gaan wij naar het voornaamste hôtel: daar zijn geen

kamers open. Wij vervolgen onze wandeling door de breede straten,

waar de zon brandt en nog geen lommer verkwikking schenkt, en begeven

ons achtervolgens naar vijf logementen, allen opgevuld met officieren

en ambtenaren. De zaak begint ernstig te worden: er rest ons nog

maar één logement, dat pas voor eenige dagen is geopend en zelfs nog

geen naam heeft; de metselaars leggen er de laatste hand aan en de

kalk is nog niet droog. Men geeft ons zeer kleine kamertjes in de

benedenverdieping: trouwens, alle hôtels hebben, even als de andere

huizen en gebouwen, slechts eene verdieping. Een bed, een ongeverfde

houten tafel, twee matten stoelen, maken het ameublement uit; het

bed is een eenvoudige plank, bedekt met een dunne matras, welke met

keisteenen schijnt opgevuld; als ik de deken oplicht komt een aardige

duizendpoot te voorschijn, die haastig in den grond verdwijnt: een

houten vloer is er nog niet. Ik deel al deze bijzonderheden mede,

om eenig denkbeeld te geven van de ontberingen, die de Russen in deze

streek hebben moeten lijden, van hunne taaie volharding en ontembare

energie. En nu is de tijd der groote hitte nagenoeg voorbij; de laatste

storm uit het noordoosten heeft eensklaps scheiding gemaakt tusschen

den zomer en den herfst; acht dagen te voren teekende de thermometer,

bij dag en bij nacht, tusschen de 40 en 45° (Celsius). Dan wemelt

het overal van schorpioenen en van allerlei kruipend gedierte, het

een al vergiftiger dan het andere. Nu is al dat gedierte weggekropen

in den grond, in de spleten en gaten, welke men overal ook in de

huizen aantreft, en zij houden zich daar schuil tot het volgende

voorjaar. Maar in dien tusschentijd zullen de gaten wel zijn dicht

gestopt en de planken vloeren gelegd.

Na een ontbijt, dat u, zoo ge een lekkerbek zijt, zeker zou hebben

doen walgen, gaan wij op weg om een bezoek af te leggen bij generaal

Annenkof, directeur-generaal der werken van den transkaspischen

spoorweg. Eene voorloopige houten brug van vijftig meter lengte,

waarvan ook de spoorweg gebruik maakt, voert over de Moergab. De

handelswijk, waar wij afgestapt zijn, ligt op den linker oever der

rivier; haar rechtlijnige straten, die elkander kruisen, hebben

overvloedige ruimte om zich in de oase te verlengen; zij prijken

met jonge boompjes, die nu nog geen schaduw geven, maar over eenigen

tijd de zonnige straten in fraaie boulevards zullen herscheppen. De

administratieve wijk zal op den anderen oever der rivier verrijzen. De

kern daarvan wordt reeds gevormd door een tiental groote gebouwen

van baksteen, die een vrij goed figuur maken en bestemd zijn voor

de burgerlijke en militaire ambtenaren en voor de beambten van den

spoorweg. Ook de groote turkmeensche citadel ligt op den rechter oever;

haar aarden wallen, welke de spoorweg doorsnijdt, zullen de toekomstige

russische stad omgeven, welke alzoo geheel afgescheiden zal zijn van

de handelswijk, waar het inlandsche element de overhand heeft.

Na eene flinke wandeling in de brandende zon, ontdekken wij de

woning van den generaal. Het is twee uur: het uur der siesta voor

hen, die zich dat genot mogen gunnen. Maar niet ieder heeft daartoe

den tijd. Wij worden aanstonds bij den generaal toegelaten. Zijne

Excellencie, in uniform, omringd door tafels die met papieren,

teekeningen en kaarten bedekt zijn, ontvangt ons met de grootste

vriendelijkheid. Zijn geheele voorkomen teekent den werkzamen

energieken man, die al zijne krachten wijdt aan de spoedige voltooiing

van eene groote strategische onderneming.

"En uwe _otkrytyi-list?_ vraagt hij eensklaps.--O! des te beter:

alles is in orde. Ik heb zeer stellige en strenge bevelen, en het

zou mij leed hebben gedaan, maar..... Hebt gij te Askhabad generaal

Komarof gezien? Niet! Nu, dan moet ge nog heden uwe opwachting maken

bij den kolonel Alikhanoff, den gouverneur van Merw, en bij den

kolonel Liniëwitsch, den bevelhebber der troepen. En wacht niet,

met hun uwe papieren te laten zien, tot zij u daarnaar vragen. Ik

zal u mijn ordonnans medegeven en wacht u, heden avond, te dineeren,

in mijn trein. Sedert vijftien maanden heb ik geen ander logies."

Wij vertrekken, voorafgegaan door een kozak, wiens borst behangen is

met ordeteekens van Sint-George. Dit is eene ernstige onderscheiding,

die wat te beteekenen heeft. Zoo vaak gij in Rusland het geel-zwarte

lint op de borst van een officier of een soldaat ziet, weet ge met

wien ge te doen hebt. De statuten dezer orde laten geene ruimte

voor gunstbewijs of willekeur: even als bij ons ten aanzien van

de militaire Willemsorde, moet men ook, om de Sint-George-orde te

verwerven, onder bepaalde omstandigheden zijn leven hebben gewaagd,

deze of die uitstekende daad hebben verricht, om recht te hebben

op het kruis van deze of die klasse. Het eenige onderscheid is,

dat deze kruisen te gelijk gedragen worden: wie tot eene hoogere

klasse opklimt, blijft toch het insigne van de lagere dragen. Op

de handhaving van de regels dezer orde wordt zoo streng gelet, dat

zelfs de tegenwoordige Keizer het kruis der eerste klasse niet bezit:

alleen de grootvorsten Michael en Nikolaas bezitten dat, omdat zij,

gedurende den laatsten turkschen oorlog, nieuwe provinciën aan het

rijk hebben toegevoegd. De kozak, die ons vergezelt, is verscheidene

malen gedekoreerd met het soldatenkruis; generaal Annenkof heeft

het nog niet tot het officierskruis gebracht, ondanks eene ernstige

verwonding: aan het gevest van zijn degen draagt hij een geel-zwart

dragon, in zekeren zin het zinnebeeld van onnoodig moedbetoon. De

generaal zelf verhaalt ons, dat hij aan zijn arm getroffen werd,

omdat hij, zonder noodzaak, zich aan de zijde van Skobeleff aan een

moorddadig geweervuur had blootgesteld.

Wij waden inmiddels door het afschuwelijke stof, waartegen onze hooge

laarzen ons ter nauwernood beschermen. De kolonels Liniëwitsch en

Alikhanoff, die niet onder de bevelen staan van generaal Annenkof,

aan wien uitsluitend de leiding der spoorwegwerken is opgedragen,

ontvangen ons zeer vriendelijk, al is hunne gebrekkige kennis van het

fransch een hinderpaal voor onze conversatie. Vooral de kennismaking

met Alikhanoff interesseerde mij zeer. Wie heeft niet hooren spreken

van dien held, in het russische leger weinig minder beroemd dan

Skobeleff zelf? Hij woont niet in een huis, maar in eene reusachtige

tent, versierd met perzische en turkmeensche tapijten, met tropeeën van

oostersche wapenen en soortgelijke zaken; met zijne hooge vorstelijke

gestalte, zijn mannelijk schoon indrukwekkend gelaat, zijn prachtigen

blonden baard, zou men hem, in deze omgeving, voor den beheerscher, den

khan des lands kunnen aanzien. En dat is hij ook inderdaad. Afkomstig

uit den Kaukasus, van geboorte een lesghische khan, wiens ware naam

eigenlijk Ali is, heeft hij meer dan iemand anders bijgedragen tot de

onderwerping van Merw: zijne hoedanigheid van Muzelman maakte hem bij

voorkeur geschikt tot het voeren der onderhandelingen met de weduwe

van den laatsten khan van Merw, die hare onderdanen tot onderwerping

aan Rusland wist te bewegen. Hij oefent een bijna onbeperkten invloed

uit op zijne geloofsgenooten, die te eerder zich aan zijne bevelen

onderwerpen, omdat zij daardoor althans den schijn kunnen vermijden,

aan een Christen te gehoorzamen. Daarbij is de roem van zijne schier

fabelachtige dapperheid alom verspreid en omgeeft hem de glans van

het avontuurlijke. Reeds tot den rang van kolonel opgeklommen, werd

hij wegens een ongelukkig duel--het duel is in het russische leger

verboden--van zijn rang ontzet; tot gemeen soldaat gedegradeerd, herwon

hij in weinige jaren zijne epauletten; het laatst onderscheidde hij

zich te Koetska, waar hij, onder de oogen van zijn chef, den generaal

Komarof, eene ernstige kastijding toediende aan de Afghanen, die zich

zelven voor onoverwinnelijk hielden. Alikhanoff, thans voor de tweede

maal kolonel, gouverneur van het district Merw, opperste khan van de

groote oase, is eerst vijf-en-dertig jaar oud!

Deze bezoeken hielden ons bezig tot zeven uur, het uur voor het

diner. De generaal had ons vooruit gewaarschuwd, dat wij het zonder

dames moesten stellen: inderdaad zijn in het kamp geene vrouwen

te vinden. Men heeft hier zoo veel te doen en werkt zoo ijverig,

dat men het gemis niet voelt. Zelfs onder het diner wordt de arbeid

niet vergeten. De generaal, die open tafel houdt, spreekt met zijne

officieren en zijn ingenieurs over de te verrichten werkzaamheden,

wint hunne adviezen in en laat zich tot in de geringste bijzonderheden

omtrent alles inlichten. Zoodra de koffie is rondgediend, staat Zijne

Excellencie op, groet en begeeft zich naar zijn waggon. Men gaat hier

over het algemeen vroeg ter ruste om den volgenden morgen vroeg te

kunnen beginnen.

De trein, waarin wij zoo vriendelijk en gastvrij ontvangen worden,

verdient wel eene korte beschrijving. Hij bestaat uit vijf wagens:

een waggon met twee verdiepingen, die logies bevat voor den generaal,

voor den dienstdoenden adjudant, voor den particulieren sekretaris

en voor de ordonnancen; een waggon-eetzaal, waar gemakkelijk twintig

personen kunnen aanzitten; een keuken-waggon; een bureau-waggon, waar

de stukken, kaarten enz. zijn geborgen en waar de adjudant arbeidt;

een open wagen, die met een licht dak is overdekt en van stores

voorzien, waaruit men den weg kan overzien en waar, bij mooi weer,

ook gegeten wordt.

Het appartement van den generaal is keurig, smaakvol, maar is

een miniatuurkamer. Verbeeld u dat ge in een _sleeping-car_ moest

wonen! Maar het is gemakkelijk: men heeft alles vlak bij de hand. Als

ge u des avonds ter rust begeeft, bepaalt gij het uur van vertrek:

middernacht, twee uur, vijf uur in den morgen; de trein vertrekt

zonder dat ge voor uw gewonen tijd behoeft op te staan; en op het

bepaalde uur zijt gij ter plaatse uwer bestemming, met uw papieren,

uw teekeningen, uwe geheele bibliotheek.

Bij het heengaan spreekt de generaal met ons af, dat wij overmorgen

ochtend bij hem zullen komen: wij zullen dan met hem een tocht maken

in de richting van de Amoe-darja.

6 September.--Wij hebben zeer slecht geslapen in ons logement, dat

sedert weinige uren den weidschen naam draagt van Slavisch hôtel. Ik

herinner mij, dat ik in Griekenland--niet te Athene, maar in de kleine

binnenstadjes--aan tafel een zelfde servet gedurende verscheidene

dagen door verschillende gasten heb zien gebruiken. Maakte iemand

er aanmerking op, dat hij een vuil servet kreeg, dan antwoordde

de bediende dood bedaard: "Kyrie (Heer), het is pas twee keer

gebruikt."--Hier gebeurt hetzelfde, niet enkel met servetten, maar ook

met de beddelakens of liever met het eenige laken, waarin ge u zoo goed

mogelijk wikkelen kunt. Al het linnengoed van onze gastwaardin wordt,

met haar oude japonnen, in een koffer bewaard. Erger u daarover niet:

al wat ge hier aanschouwt bestaat eerst sedert drie of vier maanden:

deze stad van drieduizend zielen is als uit den grond verrezen:

zij breidt zich met den dag uit en voltooit langzamerhand hare

inrichting. In het volgende jaar zult ge hier ongetwijfeld goed logies

kunnen vinden; over twintig jaar zal zij een der groote metropolen van

Azië zijn. Na de voltooiing van den transkaspischen spoorweg zal Merw

de stapelplaats worden van den handel van Centraal-Azië, van Bokhara,

Kokhan, Badaksjan, Afghanistan; hare strategische beteekenis zal haar

voor de russische regeering nog hooger belang bijzetten.

In de vorige eeuw was de oase van Merw beroemd, zoowel om hare

uitgestrektheid (zeshonderd-duizend hektaren), als om hare buitengewone

vruchtbaarheid: de klaver leverde hier zeven oogsten per jaar,

het koren gaf honderd korrels voor één. Volgens een oud oostersch

spreekwoord, bracht te Merw een schepel koren honderd schepels

voort. Deze staat van zaken heeft eene groote verandering ondergaan

ten gevolge van de eindelooze oorlogen en veeten, waarin de Tekkés met

al hunne naburen waren gewikkeld; maar de natuur van den grond schijnt

geene verandering te hebben ondergaan, en niets belet de Russen om aan

de streek hare vroegere welvaart terug te geven. Zij zullen dit kunnen

doen door het herstellen van vervallen stuwen en andere werken, die

het water van de Moergab ophielden en naar een aantal irrigatiekanalen

afleidden. Reeds is daarmede een aanvang gemaakt; en na de voltooiing

van die werken zal Merw op nieuw de korenschuur van Voor-Azië worden

en, zoo noodig, ruimschoots kunnen voorzien in de behoeften van een

russisch leger, dat in de vallei van den Indus zou moeten opereeren.

Terwijl wij een kop thee gebruiken, komen kolonel Liniëwitsch en

vervolgens generaal Annenkof ons een bezoek brengen. Het is nog zeer

warm; de kolonel heeft zijn groen laken uniform aangetrokken, maar de

generaal draagt een tenue van wit coutil met eene blauwe roodgestreepte

broek. Zoo mag ik het zien: dat is praktisch. In de warme en gematigde

provinciën des rijks hebben de russische soldaten een zomer- en een

wintertenue, de groene en de witte uniform met eene groene en eene

witte pet. Men schikt zich naar het klimaat, en alleen bij buitengewone

gelegenheden kunnen de soldaten van koude huiveren: maar dan wikkelen

zij hun hoofd en hun hals in een wollen _bashlik_, die geen tochtje

doorlaat. Alleen de laarzen, die het been steunen zonder den marsch

te bemoeilijken, worden het geheele jaar door gedragen.

Wij doen den generaal uitgeleide. Eene karavaan zwaar beladen kameelen

trekt juist voorbij, vergezeld van den onvermijdelijken ezel; op den

ezel zit een jongen met eene vervaarlijke muts van schapenwol op het

hoofd, die zonder ophouden met zijn stok het grauwtje slaat. Naar het

schijnt, voelt de kameel zich bijzonder tot den ezel aangetrokken:

hij volgt hem gedwee en regelt trouw zijn stap naar dien van zijn

geleider, aan wien hij door een touw, dat hem in den mond gelegd

wordt, is verbonden. Twee afschuwelijke Turkmenen, gekleed met de

vuile gescheurde lange jas en met de reusachtige muts op het hoofd,

dribbelen achter de karavaan aan. De generaal ziet hen met blijdschap:

zij komen van Bokhara. Sedert de laatste tien of twaalf maanden, is de

uitvoer van Bokhara naar Merw, bestaande in katoen, wollen stoffen,

zijde, fijne houtsoorten, gestegen tot vijf millioen pond, dat wil

zeggen tachtigduizend ton. Dat is een goed begin, en de bazar van

Merw heeft reeds zekere beteekenis verkregen. Tweemaal per week wordt

er op een open terrein, in de onmiddellijke nabijheid der stad, eene

markt gehouden, die zeer druk wordt bezocht en wel, voor liefhebbers

van lokale kleur, de moeite van een bezoek waard is.

Maar, mijn hemel! wat zijn die Turkmenen voor verreweg het meerendeel

leelijk! Waar zijn de fiere, indrukwekkende krijgslieden, met den

vlammenden, doorborenden blik, met de vorstelijke, krijgshaftige

houding, waarvan de vroegere reizigers in de turkmeensche woestijn

met zooveel ophef spreken. Om mij heen zie ik mannen met een breed

laag voorhoofd, kleine, eenigszins schuin staande oogen, een min

of meer platten neus, vrij dikke lippen, wijd uitstaande ooren,

een dunnen zwarten baard en kort dik hair. Voeg daarbij dat hunne

kleur zeer donker is, hun lichaamsbouw forsch en gespierd, hunne

gestalte boven het middelmatige, en dat zij in den regel sterker zijn

dan de Westerlingen. Maar iets edels of krijgshaftigs kan ik in hun

voorkomen niet vinden; mijns inziens komen zij niet in vergelijking

met de Arabieren. Is het oorspronkelijke ras misschien verbasterd

door de vermenging met iranisch bloed? Wij zijn hier wel op tamelijken

afstand van Perzië, maar de strooptochten der Turkmenen strekten zich

zeer ver uit. Even als in de oasen van Atek en Akhal-Tekké en nog

op andere plaatsen, heeft ook te Merw de verbintenis met uit Perzië

medegevoerde vrouwen den oorspronkelijken type van het tartaarsche

ras kunnen wijzigen. Zij erkennen zelven dat deze vermenging met een

ontaard en diep vervallen volk geene goede vruchten heeft opgeleverd;

de Turkmenen van het binnenland zien dan ook met zekere minachting

neder op de stammen langs de grenzen, wier bloed niet meer zuiver

is. Elke krijgsman van naam acht zich verplicht, althans ééne vrouw

van zuiver turkmeensch ras te hebben, en de uit haar geboren kinderen

worden van edeler bloed gerekend dan de anderen.

Terwijl wij den rechter oever van de Moergab volgen, langs den

voet der aarden wallen van de inlandsche citadel, zeker niet minder

uitgestrekt dan die van Ghéok-Tépé, komen wij aan een groot kamp,

waarvan de tenten welhaast eene inlandsche stad mogen heeten, naast

de handelswijk, welke voor een groot deel door Joden uit Bokhara wordt

bewoond. Gaarne zouden wij zulk eene _kibitka_ (tent) hebben bezocht,

en een blik geworpen op de tapijten waarmede zij versierd is, en

vooral op de turkmeensche vrouwen, die in de straten van Merw niet

te zien zijn. Maar de woeste, zeer gevaarlijke honden, die rondom

het kamp de wacht houden, noodzaken ons op een eerbiedigen afstand

te blijven: zonder onderscheid vallen zij iederen Europeaan aan; en

wij zouden niet gaarne het lot deelen van dien russischen officier,

die per rijtuig van Wladikaukas naar Tiflis reizende, een eind weegs

te voet wilde afleggen, en wiens laarzen alleen werden teruggevonden:

hij was door de honden opgegeten.

Wij keeren naar de stad terug om de winkels te bezoeken: die winkels

zijn evenwel niet anders dan de bekende kleine oostersche winkeltjes

of kraampjes, die men overal in de Levant aantreft. De baksteenen

huisjes, die geene bovenverdieping hebben, zijn in twee winkels, een

aan de voor- en een aan de achterzijde, verdeeld. Het gebouwtje is met

een planken zoldering gedekt, in afwachting dat eene verdieping worde

opgetrokken. Daar de grond niets of zoo goed als niets kost, heeft men

de goedkoopste en vlugste manier van bouwen aangenomen. De winkeliers

zijn voor het meerendeel Joden uit Bokhara of Perzen. Het voornaamste

produkt van de inlandsche nijverheid zijn de tapijten, waarvan het

fijne weefsel, de sierlijke patronen en de nooit verbleekende kleuren

algemeen beroemd zijn. Deze tapijten, die sedert de komst der Russen

zeldzaam zijn geworden, worden door de vrouwen, en wel vooral door de

oude vrouwen, vervaardigd. In de winkeltjes ziet men enkele van deze

vrouwen, die zich niet, als bij de Arabieren, het gelaat omsluieren. De

bewoners der turkmeensche steppen zijn wel orthodoxe Mohammedanen,

maar godsdienstig fanatisme is hun ten eenemale vreemd. Zoo gij er

op staat, zal het u niet veel moeite kosten, in de gelegenheid te

worden gesteld om de jonge meisjes van zuiver turkmeensch bloed

te bewonderen in haar dagelijksch kostuum, een lang zijden hemd;

of zelfs in haar feesttoilet: een sjerp van roode of gele zijde,

muiltjes, armbanden, halskettingen, oorringen, goud borduursel,

en op het hoofd dat monumentale kapsel, met muntstukken, valsche of

echte steenen, gouden en zilveren ornamenten behangen, en dikwijls

van zoodanigen omvang dat het gelaat er bijna in wegschuilt.

De Tekkés zijn van nature veeleer landbouwers dan handelaars; sedert de

komst der Russen arbeiden zij met veel ijver aan de spoorwegwerken. Zij

zijn zeer goede werklieden, zeer ijverig en zeer nauwgezet. Generaal

Annenkof gebruikte twee-en-twintigduizend inlandsche werklieden

te gelijkertijd voor het leggen der spoorbaan. Men kan ook hieruit

afmeten, met hoeveel energie het werk werd aangevat en voltooid. Voor

het zeer matige loon van achttien tot twintig roebels per maand,

verrichten de Tekkés, naar het schijnt, meer werk dan de beste

perzische aardwerkers; zelfs knapen van vijftien, zestien jaar arbeiden

even goed als de volwassenen en verdienen hetzelfde loon.

Reis naar Merw De Aarde en haar Volken, 1887 · 第 3 / 6 题