Wij zijn dus nu op weg naar Merw. Tien jaren geleden, zou de tocht
door de woestijn, dien wij thans, zonder ons te overhaasten, in
veertig uren volbrengen, minstens veertien dagen gevorderd hebben en
bovendien ernstige gevaren opgeleverd. Welk gevaar dreigt ons in den
trein? Zullen wij misschien slecht slapen of honger moeten lijden? Geen
nood; een kaartje voor de tweede klasse geeft u het recht op eene
slaapplaats en tevens tot het betreden van een waggon-restaurant;
waterclosets en waschtafels zijn tot beschikking van het publiek. Wel
heerscht hier niet dezelfde weelde als op de groote russische lijnen,
maar toch vindt de toerist hier meer comfort dan in menig ander land.
Intusschen zijn de huisjes van Oezoen-Ada verdwenen achter de
zandduinen, waardoor de spoorweg loopt. Zou de trein geen kans hebben,
op zekeren dag bedolven te worden in de dalen en holle wegen, waarvan
de taluds eene hoogte van vijf tot tien meter hebben en die door een
storm in weinige minuten met zand zouden worden gevuld? Dezelfde
opmerking werd gemaakt aan de ontwerpers van het Suezkanaal; de
ondervinding heeft tot dusver die vrees beschaamd. Men mag hier
hetzelfde verwachten; bovendien heeft generaal Annenkof de noodige
voorzorgsmaatregelen genomen. Ge ziet daar boven, op den top der
zandheuvels, dat lage rasterwerk, evenwijdig met de spoorbaan
loopende? De richting der spoorbaan is hier van het westen naar
het oosten; de heerschende winden waaien uit het noorden en het
noordoosten; het daardoor opgejaagde zand hoopt zich tegen en tusschen
het rasterwerk op en gaat niet verder. In noordelijk Rusland gebruikt
men hetzelfde middel om de sneeuw af te weren.
De kleine locomotief, die de vijf-en-twintig wagens voorttrekt,
doorsnijdt in enkele minuten het eiland Oezoen-Ada, en bereikt den
zeearm, die dat eilandje van den vasten wal scheidt en die ruim
twaalfhonderd meters breed is. Een met rijswerk en steenbestorting
voorziene dam hecht het eiland aan den vasten wal en dient tot
baan voor den spoorweg, die aanvankelijk langs het strand blijft
loopen en het zandige plateau beklimt, dat zich vijftig kilometers
landwaarts uitstrekt. Uitgravingen en dammen van vier tot vijf meter
hoogte wisselen onophoudelijk af. Met eene dunne laag klei bedekt,
die telkens met zout water wordt begoten, zijn die zanddammen
volkomen bestand tegen de hevigste stormen. De zee verdwijnt aan
onze linker hand: een oogenblik later zien wij haar weer ter rechter
zijde. Eindelijk neemt zij voor goed afscheid. Wij bevinden ons nu in
eene zandwoestijn, eene Sahara in miniatuur. Overal verrijzen kleine
heuvels van vijftien tot dertig en veertig el hoogte, bedekt met
eene schrale armoedige vegetatie, geel door het stuivende zand. De
catalogus der flora van dit rampzalige land is spoedig opgemaakt:
hij bevat maar een enkele struik, die laag bij den grond groeit, maar
waarvan de wortels zeer diep doordringen. Deze struik is bekend onder
den naam van _saxaoul_; aan haar is het te danken dat de duinen langs
de Kaspische-zee zijn vastgelegd, dat wil zeggen door den wind niet
meer worden verplaatst. Deze plant is dus van zeer groot nut, en het
ware onverantwoordelijk, haar als brandhout te gebruiken. Ongelukkig
heeft men het middel tot voortplanting nog niet kunnen ontdekken.
Wij naderen het station Mikhaïlowsk, op vijf-en-twintig wersten
afstands van de nieuwe haven Oezoen-Ada. Juist een uur en zes minuten
na ons vertrek van laatstgenoemde plaats komen wij te Mikhaïlowsk. Deze
sectie is eerst sedert weinige dagen voltooid; er wordt nog hier
en daar gewerkt; de weg heeft zijne zetting nog niet gekregen, en
de trein moet langzaam rijden. Er is hier een ruim station, eene
ruime bergplaats voor locomotieven, en eene groote destilleerderij,
die dagelijks vijfhonderd kubiek meters zoet water kan leveren. Hier
zette Skobeleff voet aan wal. Het landschap is niet minder woest dan
te Oezoen-Ada; zelfs zijn de duinen nog hooger; daarbij is de haven
ledig. Slechts enkele kleine vaartuigen wiegelen droomend op het water.
De trein zet zich weer in beweging en rijdt nog steeds door eene
zandwoestijn. Wij stijgen voortdurend, maar met zachte glooiing,
midden door de duinen, die al lager en lager worden. Zij strekken zich
nog eenige kilometers uit voorbij het volgende station Molla-Karry,
en zijn geheel begroeid met saxaouls, die men in de verte voor kleine
boomen zou kunnen houden: te oordeelen naar hun buitengewoon langzamen
groei moeten zij minstens honderd jaar oud zijn. De avond nadert,
en de toppen van den Grooten-Balkan, die de golf van Krasnowodsk ten
noorden omzoomen, schitteren in wondere kleurenpracht, beschenen door
de ondergaande zon. De zandwoestijn reikt tot aan hun voet. Op eenige
kilometers afstands van Molla-Karry verrijst de hoogste top van deze
berggroep, die eene hoogte bereikt van ruim duizend meter. Terwijl de
trein hier een kwartier stil houdt, neem ik even een kijkje van een
kleinen vijver met roodachtig zout water gevuld, waarop een mensch,
ook tegen zijn wil, blijft drijven.
Toch bevinden wij ons hier op zestig meters boven het peil van de
Kaspische-zee. Maar wie weet, wat er onder den grond schuilt. Eene
boring ter diepte van honderd meters, ten behoeve van een artesischen
put, levert niets op dan brak water. Wat drinken de bewoners dan
wel?--Links van het station zien wij een turkmeensch kamp, bestaande
uit twintig tot dertig ronde tenten van donker vilt. Dat zijn de eerste
bewoners, die wij sedert ons vertrek van de kust hebben ontmoet: in
de zand woestijn kan niemand leven. En ook deze lieden zijn nomaden;
twee- of driemaal in het jaar breken zij hun kamp op, met hunne
gezinnen, hunne honden en hunne kudden van schapen en kameelen. Zij
verwijderen zich evenwel niet ver van de Kaspische-zee; zij gaan tot
aan de perzische grenzen in de richting van Astrabad, maar staan
in hoegenaamd geene betrekking met de Turkmenen, die de oasis van
Akhal-Tekké bewonen. Hun aantal is niet met juistheid op te geven:
men schat het op omstreeks vijftigduizend. De Russen bemoeien zich
weinig met deze nomaden en laten hen naar welgevallen rondzwerven.
De bel klinkt voor de derde maal en wij vertrekken. Eenige minuten
later verdwijnt het zand om plaats te maken voor alluvium. Geen
duinen meer, niet de minste verheffing van terrein: eene kale,
eentonige vlakte strekt zich voor ons uit, zoo ver de blik reiken
kan, doodsch en ledig, slechts hier en daar geschakeerd door witte
plekken van zeezout. Dat is de woestijn van Karakoem. Ter linker
hand verrijzen de bergen van den Grooten-Balkan, die weldra als
in den grond verzinken; rechts verheft zich, als een eiland te
midden van deze waterlooze zee, een nog lager bergketen, die van den
Kleinen-Balkan. Deze twee bergketenen omsluiten een soort van dal,
waarin de noordoosten wind met ongewone hevigheid kan woeden. Tot
dusver zijn er op den transkaspischen spoorweg nog geen ongelukken
gebeurd, waarbij menschenlevens te betreuren vielen; maar het is wel
voorgekomen dat treinen door dien geweldigen wind werden tegen gehouden
of wel pijlsnel van het eene station naar het andere voortgejaagd. De
generaal Annenkof laat te Mikhaïlowsk een meteorologisch observatorium
inrichten, waar men de gelegenheid zal hebben de snelheid en de kracht
van deze verschrikkelijke orkanen te meten.
Op dit oogenblik verfrischt geen enkel zuchtje de heete lucht, en
toch stopt de trein eensklaps. Wat is er gaande? Soldaten stappen uit
en begeven zich naar voren. Worden wij door turkmeensche bandieten
aangevallen? Och neen: er loopen eenvoudig eenige kameelen op een rij
achter elkander over de baan. Bij de nadering van den trein zetten
zij het wel op een draf, maar zonder van de rails af te gaan. Naar
het schijnt, zijn deze dieren buitengewoon dom, en hunne inlandsche
geleiders zijn het niet veel minder: men kan hun maar niet aan het
verstand brengen dat de spoorweg geen heerbaan voor karavanen is. De
soldaten keeren terug na de kameelen verdreven te hebben, en de trein
zet zich weer in beweging. Maar ondanks alle voorzorgsmaatregelen mogen
wij Merw niet bereiken, zonder een kameel verpletterd te hebben. Het
is donker geworden: een vrij hevige schok doortrilt al de wagens:
de locomotief heeft twee dromedarissen ter aarde geworpen en de
trein rolt voort over de vermorzelde lijken. De onthutste eigenaar
heft jammerend de handen ten hemel: het is te laat! Hij krijgt
geene vergoeding voor zijne beesten, en mag zich gelukkig rekenen
dat hij de herstellingskosten van de locomotief niet moet betalen;
want ook deze is ernstig beschadigd en wij moeten anderhalf uur
ophouden aan het volgende station, Ballah-Isjem, om de machine weer
in orde te brengen. Evenmin als te Molla-Karry, is hier zoet water
te vinden. Om eene kleine bron van drinkbaar water te vinden, moet
men naar de oasis van Kazandjik gaan, op honderd-tachtig kilometers
afstands van de zee. Dit gebrek aan water was een van de ernstigste
moeilijkheden bij den aanleg van den transkaspischen spoorweg.
Maar zoo er te Balla-Isjem geen frisch water te bekomen is, zal
men er weldra zeer goedkoop vuur en licht kunnen krijgen. Men heeft
namelijk over eene uitgestrektheid van twee-en-dertig kilometers,
in de richting van het zuidwesten, petroleumbronnen ontdekt. Een
put ter diepte van driehonderd meters levert omstreeks vierduizend
poed olie per etmaal;--een russisch poed staat ongeveer gelijk
met zestien kilogrammen. De olie wordt per spoor naar het station
gevoerd. Datzelfde lijntje doorsnijdt ook nog eene uitmuntende
zoutbedding, en raakt aan een heuvel, die een soort van natuurlijk
asphalt, _kir_ genaamd, bevat.
Eindelijk is de lokomotief weer in orde; het sein wordt gegeven, en
wij stoomen verder naar Aïdin, Perewal, Aktsja-Kouima, Kazandjik,
Oezoen-Soe, Oesjak. Al deze stations, met uitzondering alleen van
Kazandjik, zijn ware verbanningsoorden: geen water, geen spoor van
groen, geene enkele levende ziel buiten de stationsbeambten. Daar er
geen maanlicht is, missen wij ook den fantastischen aanblik van de
eindelooze steppe bij helderen nacht. Het best is maar te slapen.
4 September.--De dag was nog niet aangebroken toen de trein te
Kizil-Arwat aankwam. Wij zijn hier op tweehonderd-twee-en-veertig
wersten van de Kaspische-zee, op het punt tot waar de spoorlijn in 1880
werd doorgetrokken. Hier stapten de troepen van Skobeleff uit den trein
om verder naar Ghéok-Tépé te marcheeren. Kizil-Arwat, tegenwoordig
een station van de tweede klasse, telt reeds tweeduizend inwoners,
Russen, Perzen, Turkmenen. Hier begint, naar men ons verzekert, de oase
van Akhal-Tekké, de verblijfplaats van die geduchte en onversaagde
roovers, die zoo heldhaftig voor hunne onafhankelijkheid gevochten
hebben. Het is goed, dat men het ons verzekert, want ik voor mij zou
niet gedacht hebben, dat ik mij in eene oase bevond. Op het hooren
van het woord oase, denkt gij aanstonds aan lommerrijk geboomte, aan
heldere beken, aan irrigatietoestellen; zijt ge geen vreemdeling in
Afrika, dan denkt ge bovendien aan palmen en dadels. Te Kizil-Arwat
zoudt ge vergeefs naar palmen uitzien, die trouwens nergens te vinden
zijn in geheel Turkmenië, waar brandend heete zomers worden opgevolgd
door zeer strenge winters. Een armzalig beekje, waarvan het water, om
drinkbaar te zijn, eerst gefiltreerd moet worden; akkers met graan,
geelachtige weilanden met schraal gras, enkele dwergachtige boomen:
dat is alles wat er in de vlakte van Kizil-Arwat te zien is. Die oase
zonder boomen maakt een allerzonderlingsten indruk. Het is onmogelijk,
met eenige juistheid hare grenzen te bepalen. Uit een geologisch
oogpunt is er geen verschil tusschen den bodem van de oase en dien
van de omringende woestijn: feitelijk begint de woestijn dan ook waar
de irrigatie ophoudt.
Te zes uur zet de trein zich weer in beweging, op hetzelfde oogenblik
waarop de zon zich boven de kim vertoont. De effen, sombere steppe,
die telkens aan de zee doet denken, reikt tot aan den voet van een
rechtlijnig voortloopenden bergwand, den eersten onderbouw van de
hoogvlakten van Iran, waarmede de spoorweg, op eenige kilometers
afstands, evenwijdig loopt. Deze bergen, waarvan de hoogte tusschen de
vijfhonderd en duizend meter bedraagt, dragen de namen van Koeren-dagh,
Köhn-dagh, Köpet-dagh. Uit kalksteen gevormd, even als de Balkans,
zijn zij mede bekleed met eene dikke laag kleiaarde, waarin het
water tallooze geulen en ravijnen heeft gegraven, die elkander in
alle richtingen kruisen en een zeer schilderachtig effect maken. De
perzische grens loopt aan gene zijde van deze bergketen, welke aan
Rusland behoort.
Kodj. Een klein station; verder geene levende ziel. Een ongeladen
goederentrein snelt ons voorbij, die naar Oezoen-Ada gaat om materieel
in te nemen, dat van Astrakan wordt aangevoerd. Nog steeds ter
rechter hand de bergketen, en ter linker de eindelooze vlakte. Wij
zijn nog niet in de eigenlijke oase: wij zien slechts enkele kudden,
maar nog geen boomen. De schapen moeten zich tevreden stellen met het
weinige schrale gras, dat de struiken en heesters vervangen heeft.--Wij
begroeten het eerste turkmeensche dorp of kamp van eenige beteekenis;
nabij de tenten, tegen de helling van den heuvel, verrijst een vierkant
fort met torens aan de hoeken. Tien minuten later komen wij weder aan
een dorp, ook aan den voet der heuvelketen, ook met een groot fort,
dat in goed onderhouden staat schijnt te verkeeren, en de bouwvallen
van een klein fort. Iets verder zien wij nog twee verlaten forten.
Wij komen aan het station Bakuri, waar de spoorlijn naar de Atrek--eene
rivier die zich in de Kaspische-zee uitstort--aan de hoofdlijn
aansluit. Links van den spoorweg een groot turkmeensch dorp met een
fort; rechts, een russische militaire post, met europeesche huizen als
te Kizil-Arwat, en boomen. Ja, inderdaad, boomen. Er vloeit hier eene
kleine beek, die sedert lang dienstbaar wordt gemaakt aan de bebouwing
van den grond; generaal Annenkof heeft, tot verbazing der inlanders,
eene ijzeren buis laten leggen, waardoor het water van den naburigen
berg wordt aangevoerd. Men heeft dus hier geen gebrek aan water:
daarvan getuigt trouwens die gemetselde kom naast het station, waaruit
een straal van tien el hoog opspringt. De turkmeensche eenden, die in
het vijvertje plassen en ploeteren, hebben nooit zoo iets aanschouwd.
Om half acht in den morgen wordt de reis voortgezet. Er is geen
wolkje aan den hemel te zien; de lucht is zoo helder en doorschijnend,
dat men op dezen afstand zeer duidelijk de ravijnen en kloven in de
wanden van de perzische bergketen kan onderscheiden. In de verte zien
wij, in de vlakte, verschillende groepen van tenten; tegenover ons,
aan den voet der bergen, een goed onderhouden fort van belangrijken
omvang. Achtervolgens komen wij aan de stations Artsjman, Soedsja,
Bokharden en Kelata; de oase wordt gaandeweg groener en beter
bebouwd; het geboomte vermenigvuldigt zich; telkens zien wij groepen
van in een kring geplaatste tenten, benevens talrijke kudden en de
bouwvallen van een aantal forten, door de Turkmenen opgeworpen als
verdedigingsmiddelen tegen de Russen. Eindelijk, omstreeks twaalf uren,
stopt de trein te Ghéok-Tépé.
Met licht verklaarbare belangstelling zagen wij op naar deze vesting,
waarvan de naam onafscheidelijk verbonden blijft met dien van den
beroemden _blanken generaal_. De spoorweg loopt vrij dicht langs de
muren der citadel, die zich tien tot twaalf meter boven de vlakte
verheffen; op het gezicht, schat ik den omtrek der vesting op niet
minder dan zes kilometers. Van afstand tot afstand steken torens, als
bolwerken, vooruit. De dikte dezer muren of wallen staat in verhouding
tot de hoogte; wat vermochten kanonkogels tegen deze reusachtige
aarden wallen? Want deze vestingwerken zijn uitsluitend gemaakt van
de kleiaarde der oase. De vorderingen der artillerie en de uitvinding
van nieuwe vernielingsmiddelen nopen de europeesche ingenieurs om, in
afwijking van het stelsel van Vauban, het metselwerk zooveel mogelijk
achter zware bekleedingen met aarde te verbergen; sedert eeuwen reeds
was deze wijze van vestingbouw bij de Tekkés in zwang:--alweer een
bewijs, dat er niets nieuws onder de zon is. Het russische geschut,
met ontzaglijke moeite hier heen gevoerd, was machteloos tegenover
deze primitieve bolwerken. Ge onderkent nog duidelijk de gaten door
de bommen geboord, in de verte niet ongelijk aan de gaten van ratten:
de projectielen drongen wel in de kleiachtige massa door, maar hadden
verder hoegenaamd geene uitwerking. Het bleek volstrekt onmogelijk,
een bres te schieten; en daar het hem aan de noodige macht ontbrak om
de vesting te blokkeeren, zou Skobeleff van zijne onderneming hebben
moeten afzien, indien hij niet op de gedachte was gekomen om eene mijn
aan te leggen. Dit middel van aanval, dat bij de Turkmenen volslagen
onbekend was, slaagde naar wensch. Men verhaalt dat zij, bespeurende
dat er onder den grond gewerkt werd, in de meening verkeerden dat
de Russen, bij het ondermijnde bolwerk, een voor een uit den grond
te voorschijn zouden kruipen: zij hielden dus onafgebroken, dag en
nacht, de wacht op de bedreigde plek, met de sabel in de vuist, om
den vijanden, zoodra zij zich vertoonden, het hoofd af te slaan. De
mijn ontplofte: de wal sloeg aan stukken; de ongelukkige verdedigers
vlogen in de lucht; de russische infanterie rukte met den stormpas
voorwaarts. Binnen de omwalling bevonden zich veertigduizend man,
waaronder tienduizend ruiters, allen vast besloten, zich tot het
uiterste te verdedigen. Zij vochten met onbezweken moed; maar de
schrik, door de ontploffing veroorzaakt, besliste de overwinning. De
Tekkés bezaten slechts twee kleine kanonnen, waarmede zij niet wisten
om te gaan; maar daarentegen hadden zij goede geweren en uitmuntende
sabels. Naar men verzekert, lieten vijftienduizend inlanders bij de
bestorming van Ghéok-Tépé het leven.
Thans is het eenzaam en stil op de verlaten plek. Eenige turkmeensche
ruiters rijden kalm en vreedzaam aan den kant van het nieuwe station,
waar andere inlanders aan den arbeid zijn naast russische werklieden
en soldaten van den Tsaar. Naar het schijnt, is de vrede voor goed tot
stand gekomen: de indruk van de vreeselijke nederlaag van den 14den
Januari 1880 zal niet licht wijken uit het geheugen dezer stammen,
die in dergelijke feiten de beschikking van het noodlot zien, waaraan
zij zich hebben te onderwerpen. Ook zullen zij het niet vergeten,
dat de overwinnaars, nadat eenmaal de bittere kamp was volstreden,
de verwonnelingen met goedheid en verschooning behandelden.
Na een kwartier oponthoud gaat de trein weer verder. De oase wordt
steeds groener en bloeiender, vooral rechts van de spoorbaan, aan
den voet der bergen, waar geen gebrek aan water is. De perzische
bergketen levert hier een schilderachtigen aanblik op. Overal zien
wij boomen en bebouwde velden, benevens kudden van runderen en ezels
in menigte. Deze laatsten kunnen hun hart ophalen aan de distels;
maar de koeien hebben het hard te verantwoorden in deze magere, door
de zon verschroeide weilanden. Ik twijfel, of zij wel veel melk zullen
geven: trouwens, de inboorlingen drinken uitsluitend kameelenmelk.
Om half twee komen wij te Askhabad, de hoofdplaats van de
transkaspische provincie. Links van den spoorweg een turkmeensche
post; daar tegenover, naast de nieuwe stad, die met inbegrip van
het garnizoen eene bevolking van bijna achtduizend zielen telt,
een russisch kamp. Eenige rijen wit bestoven boomen verbergen de
europeesche woningen, de perzische wijk, den bazar en het hotel van
generaal Komarof, den chef van het gewestelijk bestuur. De generaal
is op eene inspectiereis langs de grenzen; bij onze terugkomst hopen
wij hem te ontmoeten, en dan tevens zijne hoofdstad in oogenschouw
te nemen.
Bij het verlaten van het station rijdt de trein tusschen de ruïnen
van twee inlandsche forten en tusschen verschillende kampementen of
dorpen, het best met arabische _doears_ te vergelijken. Rechts trekt
een vrij hooge tumulus de aandacht; verder ziet men overal eene menigte
kleine torentjes van leem, die eene hoogte bereiken van omstreeks
drie meter. Waartoe dienen deze torentjes, waarin ten hoogste vier of
vijf menschen eene schuilplaats kunnen vinden, en die slechts door
eene smalle zeer lage deur, waardoor men niet dan gebogen gaan kan,
toegankelijk zijn? Deze miniatuurforten strekten den Turkmenen van
Akhal-Tekké tot schuilplaats bij de invallen en strooptochten der
ruiters van Merw; zij dienden tevens tot observatieposten voor de
wachters, die van de nadering der roovers kennis moesten geven. Zoodra
het alarmsein gegeven was, verlieten de landbouwers hun akker en de
herders hunne kudde, om eene wijkplaats te zoeken in de naastbij
gelegen torentjes. De verschillende stammen leefden namelijk met
elkander in bijna onophoudelijken oorlog; roof- en strooptochten waren
aan de orde van den dag. In 1880, bij de nadering der Russen, namen
zes duizend soldaten van Merw deel aan de verdediging van Ghéok-Tépé:
eenige dagen voor de bestorming deserteerden zij en keerden naar
hunne oase terug.
Twintig minuten na ons vertrek van Askhabad, houdt de weelderige
plantengroei eensklaps op; de boomen, akkers en tuinen verdwijnen en
wij rijden weer door eene zandwoestijn. Langs den voet der perzische
bergen evenwel, die meer en meer wijken en in hoogte toenemen, is
de grond nog altijd bebouwd. Aan tenten en kameelen overigens geen
gebrek. Op twaalf wersten afstands van Askhabad, zien wij aan onze
rechter hand de vrij uitgestrekte ruïnen van eene zeer oude stad,
waaronder vooral de aandacht trekken fraaie portieken met geëmailleerde
tegels: zeer vermoedelijk de overblijfselen van eene perzische moskee.
Om vier uren komen wij aan het station Gheoers, waar het panorama
van de perzische bergketen bij uitnemendheid schoon is. De voorste
heuvelen verlagen zich en vormen eene breede groene vallei, die u een
kijkje gunt op de hooge toppen van het plateau van Iran. Daar loopt
het thans alleen voor muildieren toegankelijke pad, dat van Askhabad
naar de belangrijke stad Mesjhed voert. Wanneer die weg eens gebaand
en voor rijtuigen toegankelijk zal zijn gemaakt, dan zal hij een groot
strategisch gewicht hebben: deze pas toch is het eenige punt, waar
een engelsch leger van het perzische hoogland in de vlakte zou kunnen
afdalen en de gemeenschap tusschen Merw en de Kaspische-zee verbreken.
Het was reeds volslagen donker, toen wij, na langs een paar
stations te zijn gespoord, de oase van Atek bereikten. Alvorens
wij onze slaapplaats gereed maken, gaan wij even naar den
waggon-restaurant. Want wij zijn, Goddank! niet opgesloten in nauwe
kompartimenten, waar de reizigers elkander onnoozel zitten aan te
kijken en dikwijls uren en dagen lang geen woord met elkander
wisselen. De welbekende rit van Brindisi naar Parijs duurt
twee-en-vijftig uren; als gij ter plaatse uwer bestemming komt,
kunt ge u niet meer verroeren, en verkeert ge in een toestand van
verdooving en verstomping, die niet wel te beschrijven is. Wie dat
eenmaal ondervonden heeft, vergeet die marteling nooit. In de treinen
van den transkaspischen spoorweg kunt ge ongehinderd rondloopen,
gaan zitten waar ge verkiest, en pleizierige reisgenooten opzoeken,
die ge in Rusland zeer licht vindt. De waggon-restaurant, die in
onmiddellijke gemeenschap staat met een keuken, bevat niets dan eene
groote tafel, waaraan twintig personen kunnen zitten. Wij treffen
hier zeer vriendelijke officieren aan, die dadelijk plaats voor ons
maken. Want, om de waarheid te zeggen, dient de spoorweg voornamelijk
tot het vervoer van het militaire personeel, dat bij den aanleg
en de exploitatie werkzaam is; andere passagiers zijn er nog niet
veel. Natuurlijk ontbreekt hier de samovar niet; maar zoo ge, boven de
geurige thee, de voorkeur geeft aan een zeer goeden wijn uit de Krim of
het uitmuntende bier van Kazan, dan hebt ge maar voor het kiezen. De
_borchtch_, de nationale soep of brei, met zure melk toebereid, zal u
misschien minder aanstaan; maar ge kunt malsche lamskoteletten krijgen
en smullen aan de overheerlijke meloenen van de oase van Akhal-Tekké,
die ook zeer smakelijke peren en druiven oplevert.
5 September.--Gedurende den nacht zijn wij door de oase van Atek
gestoomd, die langs den voet der bergen een vruchtbare strook vormt,
minder lang en ook minder bevolkt dan de voorafgaande oase,--de
bevolking wordt op omstreeks vijftigduizend zielen geschat--maar rijker
aan groen en geboomte. Zij eindigt aan het belangrijke station Doesjak,
het zuidelijkste punt van den transkaspischen spoorweg, van waar later,
als de omstandigheden en bovenal de politieke verhoudingen het toelaten
of vorderen, de lijn kan worden doorgetrokken naar de afghaansche
grenzen, naar Herat, Kandahar en de beroemde passen van Bolan. Ook
wanneer wij de eventualiteit van eene verovering van Indië door de
legers van den Tsaar buiten rekening laten, zou toch de aansluiting van
de indische spoorwegen aan de transkaspische lijn, uit een economisch
oogpunt, een feit zijn van overwegend gewicht. De afstand tusschen
Calcutta, Delhi, Lahore en westelijk Europa zou met de helft worden
verkort: in tien of twaalf dagen zou men van Parijs de oevers van
den Ganges kunnen bereiken. Zal deze verbinding binnen kort tot stand
komen? Het is niet waarschijnlijk, hoewel het werk geene bijzondere
moeilijkheden oplevert. De afstand van Doesjak naar de grenzen van
Afghanistan bedraagt niet veel meer dan tweehonderd kilometers; van
daar tot de passen van Bolan, waar het indische spoorwegnet eindigt, is
de afstand omstreeks achthonderd kilometers; maar in die uitgestrekte
landstreek stuit men niet op natuurlijke moeilijkheden, als in de
turkmeensche woestijn. Nergens vindt men hier zand, maar daarentegen
bijna overal menschen en water. Doch hoe zal Engeland te bewegen zijn
om in Centraal-Azië de hand te reiken aan zijn eeuwenouden mededinger,
wiens geringste beweging Groot-Brittanje sidderen en beven doet?
Voorbij Doesjak verlaat de spoorweg eensklaps de zuid-oostelijke
richting en buigt zich naar het noordoosten. De woestijn van het
alluvium strekt zich uit tot aan de belangrijke rivier de Tedsjen,
die van Afghanistan komt en onder den naam van Heriroed langs
Herat stroomt; over de rivier ligt, ten behoeve van den spoorweg,
eene voorloopige houten brug, welke eerlang door eene ijzeren zal
vervangen worden. In de nabijheid staat het station Karabent, onlangs
gebouwd in eene kleine oase, die zich ongetwijfeld zal uitbreiden,
wanneer het water van de Tedsjen zich niet langer doelloos in het
zand van de Karakoem zal verliezen, maar behoorlijk benuttigd en door
irrigatiekanalen geleid zal worden.
Het onvruchtbaar alluvium begint opnieuw aan gene zijde van de
Tedsjen en strekt zich, over eene lengte van zeventig wersten, tot
aan de oase van Merw uit. De drie volgende stations liggen midden in
de woestijn; er is geen water dan voor zoover het kunstmatig wordt
aangevoerd. Weer vertoonen zich de zandduinen; overal is de grond als
met gaten doorboord, die het werk zijn der witte ratten. Volgens de
Russen zijn deze ratten veel meer te duchten dan hun grijze broeders
en zullen zij eenmaal alle andere rattensoorten verdelgen.
De zon was juist boven de kim opgegaan toen wij de oase van Merw
bereikten. Wij zien een kamp van militaire arbeiders, die bezig zijn
met het leggen van de telegraaf. Twee telegraaflijnen zullen Merw,
Tsjardjoeï, Bokhara en Samarkand met het russische rijk verbinden;
generaal Annenkof, niet tevreden met de oude lijn, kort na de bezetting
aangelegd, heeft voor zich eene bijzondere lijn laten maken, die in
zijn kabinet uitkomt en hem ook volgt in zijn specialen trein.
De zandduinen verdwijnen allengs; naarmate men de Moergab nadert
neemt de plantengroei toe; een fluweelig grastapijt bekleedt de
zoomen van kunstmatige beken, overblijfselen van groote waterwerken,
omstreeks het jaar 1000 aangelegd door een beroemden sultan, wiens
graf wij weldra zullen bezoeken, sultan Sandjar. Tenten en hutten,
ruiters en voetgangers verlevendigen dit landschap, dat welhaast
een paradijs schijnt, vergeleken bij de woestijn van zoo even. Maar
boomen, echte boomen, zien wij nog niet.--Het station Karibata, het
laatste voor Merw. Er is hier een groot militair kamp, met talrijke
hutten en tenten; een aantal inlandsche werklieden arbeiden, onder
het bevel van russische soldaten, aan de voltooiing van den weg.
Eensklaps neemt de plantengroei weer af en vertoont het zand zich
weer. Wij zijn hier in een deel van de oase, dat niet meer kunstmatig
besproeid wordt. Negen kilometers verder wordt alles weer groen;
de groepen van tenten naderen al dichter tot elkander; talrijke
kudden van groote fraaie runderen loopen rustig te grazen, zonder
zelfs om te kijken naar den voorbij snorrenden trein. De streek
is bij uitnemendheid wildrijk. Weldra beginnen ter wederzijde de
bebouwde akkers, en vertoonen zich de eerste boomen. Dorp grenst aan
dorp; geen duim gronds blijft ongebruikt; aarden muren en wallen
vormen de scheiding tusschen de verschillende eigendommen; overal
goed besproeide moestuinen en boomgaarden; eene menigte paarden en
kameelen, vooral dromedarissen.--Wij stoomen langs een groot dorp,
waarvan de leemen huizen met ronde koepeldaken zijn gedekt. De flora
is rijk en weelderig; alom prachtig geboomte. Kort daarna zien wij
ter linkerhand eene groote citadel, waarvan de aarden wallen door
eene breede rivier worden besproeid: wij zijn te Merw.