HOOFDSTUK XLIX.

Monks en de heer Brownlow komen eindelijk te zamen--hun onderhoud en de

tijding waardoor dit onderhoud gestoord werd.

De avond begon te vallen, toen de heer Brownlow voor zijn eigen deur uit

een huurkoets stapte en zachtjes klopte. Toen de deur open ging, stapte

een stevig gebouwd man uit de koets en stelde zich op aan den éénen kant

van de trede, terwijl een andere man, die op den bok had gezeten, ook

naar beneden kwam en aan den anderen kant ging staan. Op een teeken van

den heer Brownlow hielpen zij een derden man uitstappen, namen hem

tusschen zich in en liepen haastig het huis binnen. Deze man was Monks.

Op dezelfde wijze gingen zij zwijgend de trap op, en de heer Brownlow,

die vooruit ging, bracht hen in een achterkamer. Bij de deur van dit

vertrek bleef Monks, die met blijkbaren tegenzin volgde, plotseling

staan. De beide mannen keken den ouden heer aan als om van hem verdere

instructies te ontvangen.

»Hij weet waartusschen hij te kiezen heeft,« zeide de heer Brownlow.

»Als hij aarzelt of maar één vinger uitsteekt, zonder dat u het hem

beveelt, neem hem dan mee op straat, roep de hulp van de politie in en

laat hem uit mijn naam, als een schurk arresteeren.«

»Hoe durft u zoo tegen mij te spreken?« vroeg Monks.

»Hoe durft u mij daartoe te dwingen, jonge man?« antwoordde de heer

Brownlow, terwijl hij den ander strak in het gezicht keek. »Wilt u dwaas

genoeg zijn, dit huis te verlaten? Laat hem los. Zoo mijnheer. U bent

vrij om te gaan en wij om te volgen. Maar ik waarschuw u, bij alles wat

mij heilig is, dat ik u op het oogenblik, dat u een voet op straat zet,

laat arresteeren onder beschuldiging van oplichting en berooving. Ik ben

vastbesloten en onverbiddelijk. Als u besloten bent ook zoo te zijn, dan

kome uw bloed over uw hoofd!«

»Op wiens gezag wordt ik op straat opgelicht en door die honden van

kerels hier gebracht?« vroeg Monks, terwijl hij de mannen, die naast hem

stonden, beurtelings aankeek.

»Op mijn gezag,« antwoordde de heer Brownlow. »Deze personen zijn in

mijn dienst. Als u u beklaagt over vrijheidsberooving--terwijl u hier

naar toe kwam, had u de macht en de gelegenheid een klacht in te dienen,

maar het scheen u raadzamer te zwijgen--doch, ik zeg 't nog eens, stel u

onder bescherming der wet. Dan zal ik mij ook op de wet beroepen; doch

wanneer u eenmaal te ver bent gegaan om u terug te trekken, en u heeft u

onder andere machten gesteld, moet u van mij geen lankmoedigheid meer

verwachten en niet zeggen, dat ik u in 't verderf gestort heb, waarin u

u zelf hebt neergeworpen.«

Monks was blijkbaar verbijsterd en ongerust er bij. Hij aarzelde.

»U moet snel besluiten,« zei de heer Brownlow, volkomen bedaard en op

vasten toon. »Wanneer u liever heeft, dat ik mijn klacht openlijk indien

en u daardoor tot een straf verwijs, waarvan ik de zwaarte, ofschoon

ik er met een huivering aan denk, niet vooruit vast kan stellen, dan,

ik zeg 't nogmaals, weet u den weg. Wanneer u er van afziet en mijn

mededoogen inroept en de vergeving van hen, die u diep heeft beleedigd,

ga dan zonder een woord te spreken in dien stoel zitten. Die staat al

twee dagen lang op u te wachten.«

Monks mompelde enkele onverstaanbare woorden, maar aarzelde nog.

»U moet besluiten,« zei de heer Brownlow. »Een woord van mij en de keus

is voor altijd beslist.«

Nog aarzelde de man.

»Ik ben niet van plan het op een accoordje te gooien,« zei de heer

Brownlow, »en daar ik hierin voor de dierbaarste belangen van anderen

opkom, heb ik er ook het recht niet toe.«

»Is er,« vroeg Monks hakkelend--»is er--geen middenweg?«

»Neen.«

Monks keek den ouden heer angstig aan, doch toen hij op zijn gezicht

niets las als strengheid en een vast besluit, liep hij de kamer binnen,

haalde zijn schouders op en ging zitten.

»Sluit de deur aan den buitenkant,« zei de heer Brownlow tot de helpers,

»en kom als ik schel.«

De mannen gehoorzaamden en de twee mannen bleven alleen.

»'t Is een mooie behandeling, mijnheer,« zeide Monks, terwijl hij hoed

en jas neergooide, »en dat door den oudsten vriend van mijn vader.«

»Juist omdat ik uw vader's oudste vriend was, omdat de wenschen en

verlangens van jonge gelukkige jaren aan zijn herinnering zijn verbonden

en aan dat liefelijke wezentje, zijn vleesch en bloed, die in haar jeugd

door God werd opgeroepen en mij alleen achterliet als een eenzame; juist

omdat hij als jongen met mij samen neerknielde bij het sterfbed van

zijn eenige zuster op den morgen, die--doch de Hemel beschikte het

anders--haar tot mijn jonge vrouw zou gemaakt hebben; omdat mijn

verdorde hart zich van dien tijd af tot aan zijn dood aan hem verbonden

voelde door al zijn beproevingen en dwalingen heen; omdat oude

herinneringen en ontroeringen mijn hart vervulden en zelfs, als ik u

aanzie, oude gedachten aan hem in mij opkomen; om al deze dingen ben ik

ertoe geneigd, u zacht te behandelen--ja, Edward Leeford, zelfs _nu_--en

ik bloos, omdat u zóó onwaardig bent, dien naam te dragen.«

»Wat heeft mijn naam daarmee te maken?« vroeg de ander, die in zwijgende

verbazing de ontroering van den ouden heer had gadegeslagen. »Wat

beteekent die naam voor mij?«

»Niets,« antwoordde Mr. Brownlow--»niets voor u. Maar het was _haar_

naam en zelfs nu, na dezen langen tijd, komen in mij, ouden man, de

gloed en de trilling terug, die ik eenmaal voelde, wanneer die naam maar

door een vreemde genoemd werd. Ik ben heel blij, dat u een anderen naam

hebt aangenomen--heel, heel blij.«

»Dat is allemaal mooi en wel,« zeide Monks, (dien wij bij zijn

aangenomen naam zullen blijven noemen) na een lange stilte, gedurende

welke hij in nijdige koppigheid heen en weer had zitten schuifelen,

terwijl de heer Brownlow de hand voor zijn gezicht hield. »Maar wat wilt

u eigenlijk van mij?«

»U hebt een broer,« zeide Mr. Brownlow, weer gekalmeerd, »toen ik den

naam van dien broer in uw oor fluisterde, terwijl ik achter u liep op

straat, was dit bijna genoeg om u er toe te brengen, mij verwonderd en

ongerust te volgen.«

»Ik heb geen broer,« antwoordde Monks. »U weet, dat ik eenig kind was.

Waarom praat u van broers? Dat weet u evengoed als ik.«

»Luister naar wat ik weet en u misschien niet,« zei de heer Brownlow.

»Langzamerhand zult u er wel belang in gaan stellen. Ik weet dat u de

eenige onnatuurlijke spruit bent uit het ongelukkige huwelijk, waartoe

uw ongelukkige vader, toen hij nauwelijks meer dan een jongen was,

gedwongen werd door familietrots en door de meest bekrompen en gierige

eerzucht.«

»U kunt die harde benamingen wel achterwege laten,« viel Monks met een

smadelijken lach in. »U kent het feit en dat is mij genoeg.«

»Maar ik ken ook,« ging de oude heer voort, »de ellende, de langzame

foltering, de voortdurende angst van die ongelukkige verbintenis. Ik

weet, hoe onverschillig en moe dat ongelukkige paar den zwaren keten

meesleepte, terwijl de wereld voor hen als vergiftigd was. Ik weet,

hoe koude vormelijkheid gevolgd werd door openlijke verwijten, hoe

onverschilligheid veranderde in weerzin, weerzin in haat en haat in

walging, totdat zij eindelijk den drukkenden keten verbraken, ver van

elkaar weggingen, ieder een deel van den keten torsend, waarvan alleen

de dood de schakels kon verbreken en die zij in een nieuwen kring onder

een vroolijk uiterlijk trachtten te verbergen. Uw moeder slaagde er in,

zij vergat spoedig. Maar het knaagde en vrat jarenlang aan uw vaders

hart.«

»Nou ja, ze waren gescheiden,« zei Monks, »en wat verder?«

»Toen zij eenigen tijd gescheiden waren,« hernam de heer Brownlow, »en

uw moeder, die geheel opging in de vermaken van het vasteland, voor 't

uiterlijk den tien jaar jongeren echtgenoot had vergeten, ontmoette hij,

die, nu al zijn verwachtingen teleurgesteld waren, in zijn ouderlijk

huis verbleef, nieuwe vrienden. _Deze_ omstandigheid is u ten minste

bekend.«

»Ik weet er niets van,« zei Monks, terwijl hij zijn oogen afwendde en

met zijn voet op den grond stampte, als een man, die besloten is, alles

te ontkennen. »Niets.«

»Uw houding en niet minder wat u gedaan heeft, geeft mij de overtuiging,

dat u het nooit hebt vergeten en nooit hebt opgehouden er met bitterheid

aan te denken,« antwoordde de heer Brownlow. »Ik spreek van vijftien

jaar geleden, toen u niet ouder was dan elf jaar en uw vader pas één en

dertig--want hij was, dat herhaal ik, nog een jongen, toen _zijn_ vader

hem beval te trouwen. Moet ik gebeurtenissen ophalen, die een schaduw

werpen op de nagedachtenis van uw vader, of wilt u dat voorkomen en mij

de waarheid onthullen?«

»Ik heb niets te onthullen,« wierp Monks tegen. »Praat u maar door, als

u er lust in hebt.«

»Die nieuwe vrienden dan,« zei de heer Brownlow, »was het gezin van een

zeeofficier, die zich uit den actieven dienst had teruggetrokken; zijn

vrouw was een jaar te voren gestorven en liet hem twee kinderen na--er

waren er meer geweest, maar van het geheele gezin waren er gelukkig maar

twee in leven gebleven. Beiden waren dochters; de ééne was een mooi

meisje van negentien jaar, de andere een kind van twee of drie jaar.«

»Wat gaat mij dat aan?« vroeg Monks.

»Zij woonden,« ging de heer Brownlow voort, schijnbaar zonder de

opmerking te hooren, »ergens buiten, waar ook uw vader op één van

zijn zwerftochten was gekomen en zich had gevestigd. Kennismaking,

vertrouwelijke omgang, vriendschap, volgden elkaar ras op. Uw vader was

begaafd als weinig menschen. Hij geleek innerlijk en uiterlijk op zijn

zuster. Toen de oude officier hem beter leerde kennen, begon hij van hem

te houden. Ik wenschte, dat het daarbij gebleven was. Zijn

dochter--kreeg ook uw vader lief.«

De oude heer zweeg; Monks beet zich met neergeslagen oogen op de lippen;

toen hij dit zag, ging de oude heer dadelijk voort:

»Na een jaar was hij verbonden, plechtig verbonden aan die dochter en

was hij het voorwerp van de eerste, trouwe, vurige, eenige hartstocht

van een onervaren meisje.«

»Uw verhaal is vrij lang,« merkte Monks op, terwijl hij onrustig op zijn

stoel heen en weer schoof.

»Het is een waar verhaal van droefenis, beproevingen en leed, jonge

man,« hernam de heer Brownlow, »en zulke verhalen zijn gewoonlijk lang;

als het vertellen kon van onvermengde vreugde en geluk, zou het heel

kort zijn. Ten laatste stierf één der rijke bloedverwanten, aan wiens

belang en positie uw vader was opgeofferd, zooals zoo dikwijls

gebeurt,--het is niets bijzonders. Om de ellende, die hij mede

veroorzaakt had, goed te maken, liet hij aan uw vader _zijn_ heilmiddel

voor alle kwalen na--_geld_. Het was noodzakelijk dat uw vader

onmiddellijk naar Rome reisde, waar die bloedverwant voor zijn

gezondheid heen was gegaan, en waar hij bij zijn sterven zijn zaken in

groote verwarring had achtergelaten. Uw vader ging, werd daar overvallen

door een doodelijke ziekte en werd op het oogenblik toen het bericht te

Parijs aankwam, nagereisd door uw moeder, die u meenam; den dag na haar

aankomst stierf hij zonder testament na te laten--zonder

testament--zoodat de geheele bezitting aan haar en u ten deel viel.«

Bij dit gedeelte van het verhaal, hield Monks den adem in en luisterde

met een uitdrukking van gespannen aandacht op zijn gezicht, ofschoon

zijn oogen niet op den spreker waren gericht. Toen de heer Brownlow een

oogenblik zweeg, veranderde hij van houding op de wijze van iemand, die

zich plotseling verlicht voelt en veegde zijn gezicht en handen af.

»Eer hij naar het vasteland overstak en toen hij op zijn weg daarheen

door Londen kwam,« zeide de heer Brownlow langzaam, met zijn oogen op

het gezicht van den ander gericht, »kwam hij bij mij.«

»Daar heb ik nooit van gehoord,« viel Monks in, op een toon, die

ongeloovig moest schijnen, doch waarin meer een onaangename verrastheid

doorklonk.

»Hij kwam bij mij en liet met andere dingen, een schilderij achter--een

portret, dat hijzelf had geschilderd--het portret van dat arme

meisje--hij wilde 't niet in zijn eigen woning laten en kon het ook niet

meenemen op zijn overhaaste reis. Hij was vol zelfverwijt, elke schaduw

bijna joeg hem angst aan, hij sprak in wilde onsamenhangende woorden van

ondergang en oneer, die hij over anderen had gebracht, en vertrouwde mij

zijn voornemen toe, zijn geheele bezitting in elk geval te gelde te

maken en na op zijn vrouw en u een deel van zijn nieuwverworven bezit

vastgezet te hebben, het land uit te gaan--ik begreep maar al te wel,

dat hij niet alleen zou gaan--en er nooit meer terug te keeren. Zelfs

voor mij, zijn ouden jeugdvriend, wiens vriendschap wortelde in den

grond, waarin iemand rustte, die ons beiden zoo dierbaar was geweest,

zelfs mij nam hij niet in vertrouwen; hij beloofde mij alles te zullen

schrijven en mij dan nog eenmaal weer te zullen zien, voor de laatste

maal op aarde. Helaas! _Dit_ was de laatste maal. Ik kreeg geen brief en

zag hem nooit meer.

»Toen alles voorbij was,« vervolgde de heer Brownlow na een oogenblik,

»toen alles voorbij was, ging ik naar de plek van zijn--ik zal de

uitdrukking gebruiken, die de wereld zeker zou gebruiken, want hij is

toch buiten het bereik van de goed- of afkeuring dier wereld--zijn

schuldige liefde, vastbesloten, dat, als mijn vrees bewaarheid werd, dat

arme dwalende kind een huis en een hart zou vinden om haar te beschermen

en te troosten. De familie was de week te voren vertrokken; zij hadden

de kleine schulden in het dorp betaald en waren 's nachts heengegaan.

Waarom of waarheen, kon niemand zeggen.«

Monks haalde steeds vrijer adem en keek met een triomfantelijken

glimlach rond.

»Toen uw broertje«--zei de heer Brownlow, zijn stoel dichter bij dien

van Monks schuivend--»toen uw broertje, een zwak, arm, verwaarloosd

kind--door een hoogere macht dan het toeval op mijn weg gevoerd werd,

en door mij behoed werd voor een leven van schande en misdaad--«

»Wat?« riep Monks.

»Door mij,« zei de heer Brownlow, »ik heb u immers gezegd, dat u belang

zoudt gaan stellen in mijn verhaal. Door mij, zeg ik nog eens--ik zie,

dat uw sluwe helper mijn naam verzwegen heeft, ofschoon die, voor zoover

hij weet, u geheel vreemd in de ooren moet klinken. Toen hij dan door

mij opgenomen was en in mijn huis herstelde van een ziekte, werd ik

getroffen door de sprekende gelijkenis tusschen hem en het portret,

waarvan ik u gesproken heb. Zelfs toen ik hem voor 't eerst zag, vuil en

ellendig als hij was, lag er op zijn gezicht dikwijls een uitdrukking,

die mijn aandacht trok zooals 't gezicht van een oud vriend ons soms

in een flits verschijnt in een levendigen droom. Ik behoef u niet te

vertellen, dat hij opgelicht werd eer ik zijn geschiedenis wist....«

»Waarom niet?« vroeg Monks haastig.

»Omdat u dat al weet.«

»Ik?«

»Het is vergeefs, dit te ontkennen,« hernam de heer Brownlow, »ik zal u

laten zien, dat ik nog meer weet.«

»U--u--hebt geen bewijzen tegen mij,« stamelde Monks. »Ik tart u om ze

bij te brengen.«

»We zullen zien,« antwoordde de oude heer, met een onderzoekenden blik.

»Ik verloor den jongen en welke pogingen ik ook aanwendde, hij werd niet

gevonden. Daar uw moeder gestorven was, begreep ik, dat u de eenige was,

die het geheim zou kunnen ontsluieren en daar u, toen ik 't laatst van u

hoorde, op uw eigen bezitting in West-Indië verblijf hield,--waarheen u,

zooals u weet, bij uw moeders dood uitweek om de gevolgen van uw slechte

leven hier te ontgaan--deed ik de reis daarheen. U was al maanden te

voren vandaar vertrokken en men dacht u in Londen, maar niemand kon

zeggen _waar_. Ik ging terug. Uw zaakwaarnemers waren niet op de hoogte

van uw verblijfplaats. U kwam en ging, zeiden zij, even vreemd als u

altijd gedaan had; soms zagen zij u eenige dagen achter elkaar, soms in

maanden niet; naar alle waarschijnlijkheid leidde u hetzelfde slechte

leven met dezelfde schandelijke menschen, waarmee u zich reeds had

opgehouden toen u nog een wilde, ontembare jongen was. Ik viel hen

steeds opnieuw met aanvragen lastig. Ik doorkruiste dag en nacht de

straten, maar tot twee uur geleden bleven al mijn pogingen tevergeefs en

ik kreeg niets van u te zien.«

»En nu u mij ziet,« zeide Monks, terwijl hij met een driest gebaar

opstond, »wat nu? Oplichting en berooving--'t klinkt heel erg, en dat

wilt u rechtvaardigen omdat u u verbeeldt gelijkenis te ontdekken

tusschen een of anderen snotjongen en een kladschilderij van een

gestorven man. Broeder! U weet niet eens, of er een kind bestaat van dat

mooie paar; dat weet u niet eens.«

»Ik _wist_ 't niet,« hernam de heer Brownlow, terwijl hij ook opstond,

»maar in de laatste veertien dagen heb ik alles gehoord. U heeft een

broer; u weet 't en u kent hem. Er was een testament, dat uw moeder

vernietigd heeft; dit geheim en de winst ervan vertrouwde ze u toe op

haar eigen sterfbed. Het testament hield een aanduiding in, dat er

waarschijnlijk een kind uit deze droeve verbintenis geboren zou worden;

het kind werd geboren en u ontmoette het toevallig, waarbij uw argwaan

werd opgewekt door zijn gelijkenis met uw vader. U ging naar zijn

geboorteplaats. Er bestonden bewijzen--bewijzen, die lang verborgen

waren gehouden--van zijn geboorte en de namen zijner bloedverwanten.

Deze bewijzen werden vernietigd door u en om uw eigen woorden aan uw

medeplichtige, den Jood, te herhalen: »_de eenige bewijzen voor de

identiteit van den jongen liggen op den bodem der rivier en de oude

heks, die ze van de moeder gekregen heeft, ligt te rotten in haar

kist_.« Onwaardige zoon, lafaard, leugenaar--jij, die 's nachts

in donkere holen samenkomt met dieven en moordenaars, jij, wiens

schanddaden een gewelddadigen dood gebracht hebben over het hoofd van

iemand, die millioen maal zooveel waard is als jij--jij, die van de wieg

af niets dan bitterheid bracht in je vaders hart en in wien alle slechte

hartstochten, ondeugden en verdorvenheden voortwoekerden, totdat zij een

uitweg vonden in een afschuwelijke ziekte, die je gezicht tot den

spiegel van je ziel heeft gemaakt--jij, Edward Leeford, durf je mij nog

te trotseeren?«

»Neen, neen, neen!« antwoordde de lafaard, verslagen door dezen vloed

van beschuldigingen.

»Elk woord!« riep de oude heer uit--»elk woord, dat tusschen jou en dien

schurk is gesproken, weet ik. Schaduwen op den muur hebben je gefluister

opgevangen en 't mij overgebracht; het bijzijn van het vervolgde kind

zelf heeft de ondeugd op zijn weg tegengehouden en er den moed van de

deugd aan verleend. Er is een moord gepleegd, waarin je moreel of

daadwerkelijk betrokken bent.«

»Neen, neen,« viel Monks in. »Ik--ik--daar weet ik niets van; ik wou

juist gaan hooren, wat er van waar was, toen u mij overviel. Ik wist

niets van de zaak af. Ik dacht, dat het een gewone twist was.«

»Het was de onthulling van uw geheim,« vulde de heer Brownlow aan. »Wilt

u mij nu het geheele geheim onthullen?«

»Ja.«

»Uw hand zetten onder een schriftelijke getuigenis van de waarheid en ze

in 't bijzijn van getuigen herhalen?«

»Dat beloof ik.«

»Wilt u rustig hier blijven tot zulk een document is opgemaakt en met

mij naar de plaats gaan, die ik het meest geschikt acht om het te

onderteekenen?«

»Als u er op staat, zal ik dat ook doen,« antwoordde Monks.

»U moet nog meer doen. Schadevergoeding geven aan een onschuldig en

braaf kind, want dat is hij, al is hij de spruit van een schuldige en

ongelukkige liefde. U heeft de voorwaarden van het testament niet

vergeten. Voer ze uit in zoover zij uw broertje betreffen en ga dan

waarheen het u goeddunkt. In deze wereld zult u hem niet meer

ontmoeten.«

Terwijl Monks op en neer liep en met somberen, nijdigen blik dezen eisch

bepeinsde en de mogelijkheid om er aan te ontkomen, aan den éénen kant

getrokken door zijn angst en aan den anderen door zijn haat, werd de

deur haastig opengeworpen en een heer (Mr. Losberne) kwam in vreeselijke

opgewondenheid de kamer binnenstuiven.

»De man wordt gearresteerd!« riep hij. »Vanavond wordt hij

gearresteerd!«

»De moordenaar?« vroeg de heer Brownlow.

»Ja, ja! Ze hebben zijn hond om een of ander oud krot zien dwalen en 't

schijnt wel zoo goed als zeker, dat de baas daar binnen is of er, als 't

donker is, komen zal. In alle richtingen zijn speurders aan 't zoeken.

Ik heb de mannen gesproken, die hem gevangen moeten nemen en ze zeggen,

dat hij onmogelijk ontsnappen kan. Het stadsbestuur heeft vanavond een

belooning van honderd pond voor zijn gevangenneming uitgeloofd.«

»Ik geef er nog vijftig bij,« zeide Mr. Brownlow, »dat zal ik met mijn

eigen mond bevestigen, als ik er bij kan zijn. Waar is mijnheer Maylie?«

»Harry? Zoodra hij gezien had, dat uw vriend hier veilig en wel met u in

een rijtuig zat, ging hij naar de plaats, waar hij dit laatste bericht

heeft gehoord,« antwoordde de dokter, »hij is te paard gestegen en

weggehold om zich op een afgesproken plaats in een der voorsteden bij de

eerste afdeeling van de vervolgers aan te sluiten.«

»En Fagin?« vroeg de heer Brownlow, »hoe is 't met hem?«

»Volgens de laatste berichten was hij nog niet gearresteerd, maar dit

zal gauw genoeg gebeuren of 't is al zoover. Van hem zijn ze zeker.«

»Bent u besloten?« vroeg de heer Brownlow met zachte stem aan Monks.

»Ja,« antwoordde hij. »Zult u--mijn--mijn geheim bewaren?«

»Dat zal ik. Blijf hier tot ik terugkom. 't Is uw eenige hoop op

veiligheid.«

Zij gingen de kamer uit en de deur werd opnieuw gesloten.

»Wat heeft u gedaan?« vroeg de dokter fluisterend.

»Alles wat ik gehoopt had te doen en meer zelfs. Door het verhaal van

het arme meisje te verbinden met wat ik zelf wist en met wat onze goede

vriend ter plaatse te weten was gekomen, liet ik hem geen gaatje over

om te ontsnappen en legde de geheele schurkenstreek bloot; 't werd mij

alles zoo klaar als de dag. We moesten overmorgenavond om zeven uur

vaststellen voor onze samenkomst. Wij komen er eenige uren eerder aan,

maar moeten eerst wat uitrusten; vooral Rose, die _misschien_ meer

kracht noodig zal hebben dan u of ik nu nog kunnen voorzien. Maar mijn

bloed kookt van verlangen om dat arme vermoorde schepsel te wreken.

Welken kant zijn zij uitgegaan?«

»Rijd rechtdoor naar het politiebureau, dan komt u nog net bijtijds,«

antwoordde dokter Losberne. »Ik blijf hier.«

De heeren namen haastig afscheid van elkaar; beiden verkeerden in

koortsachtige opwinding.

De avonturen van Oliver Twist · 第 109 / 118 题