HOOFDSTUK L.

Vervolging en ontsnapping.

Aan dat deel van de Theems, dat in de buurt van de kerk van Rotherhithe

ligt, waar de gebouwen aan de oevers het vuilst zijn en de schepen op

de rivier het zwartst door het stof van de kolenschepen en den rook

van de dicht op elkaar gebouwde lage huizen, ligt de smerigste, de

zonderlingste, de vreemdste warwinkel van gebouwen die Londen bergt, en

die de groote massa der bewoners van de groote stad zelfs niet bij naam

kent.

Om hier te komen moet de bezoeker een warnet van enge, nauwe, vuile

steegjes doorgaan, waar de ruwsten en armsten der oeverbewoners bij

elkaar hokken en hun armoedige zaakjes drijven. In de winkeltjes liggen

de goedkoopste en onsmakelijkste eetwaren opgehoopt; de grofste en

gemeenste kleedingstukken bengelen aan de deur en ramen en kozijnen

der uitdragers. Zich een weg banend door troepen werkelooze arbeiders

van het minste soort, door sjouwerlui, kolendragers, brutale wijven,

kinderen in lompen en het schuim en vuil van de rivier, komt de bezoeker

slechts met moeite vooruit; in de nauwe sloppen rechts en links, ziet

en ruikt hij walgelijke dingen, en zijn ooren worden verdoofd door het

geratel van zware wagens, die groote voorraden koopwaar vervoeren naar

en van de pakhuizen, die aan elken hoek oprijzen. Wanneer hij eindelijk

in meer afgelegen, stillere straten komt, loopt hij onder overhellende

huisgevels door, die zich over de straat heenbuigen, vervallen muren,

die schijnen te waggelen als men er voorbij loopt, afgebrokkelde

schoorsteenen, die klaar staan, geheel in elkaar te vallen, ramen

beschermd door roestige ijzeren roeden, bijna vergaan door tijd en vuil,

en alles wat de verbeelding uit kan denken aan teekenen van verval en

verwaarloozing.

In zulk een buurt, tegenover Dockhead, in het vlek Southwark, ligt het

Jacob's eiland, omgeven door een modderige gracht, bij hoog tij zes of

acht voet diep en vijftien of twintig voet breed; vroeger heette deze

Mill-Pond, maar in den tijd waarin ons verhaal speelt stond ze bekend

als Folly Ditch. Het is een kreek of inham van de Theems en men kan hem

bij vloed altijd vol laten loopen, door de sluizen te openen bij de

loodpletmolens, waaraan het water zijn vroegeren naam ontleende. Op zulk

een oogenblik ziet een vreemdeling, die op een der houten bruggetjes

staat, die bij Mill Lane over Folly Ditch zijn geslagen, hoe de bewoners

der huizen aan beide kanten uit hun achterdeuren en ramen emmers, tobbes

en andere huishoudelijke gereedschappen naar beneden laten om het water

op te vangen; en wanneer de vreemdeling dan tevens zijn oogen wendt naar

de huizen zelf, zal, wat hij daar ziet, hem in de hoogste verwondering

brengen. Bouwvallige, houten galerijen, die langs den achterkant van

een half dozijn huizen loopen, met gaten er in om doorkijk te gunnen

op den modderpoel beneden; gebroken en dichtgeplakte ramen, waaruit

stokken naar buiten steken om linnengoed op te drogen, dat er nooit is;

kamertjes zoo klein, zoo smerig, zoo eng, dat de lucht er te benauwd

schijnt zelfs voor al het vuil dat zij bergen; houten gebouwtjes, die in

den modder vooruitsteken en er in neer dreigen te storten--zooals met

enkelen al gebeurd is; muren met vuil besmeerd en fondamenten, die in

elkaar zakken; elke walgelijke trek der armoede, elk afstootend bewijs

van bederf en verrotting; dit alles versiert de oevers van Folly Ditch.

Op Jacob's eiland zijn de pakhuizen dakloos en leeg, de muren vallen

in elkaar, de ramen zijn geen ramen meer, de deuren liggen op straat,

de schoorsteenen zijn zwart maar rooken niet. Dertig of veertig jaar

geleden, eer de plaats in verval kwam door verliezen en processen, was

het een drukke handelsbuurt; maar nu is het niets als een ellendig

eiland. De huizen hebben geen eigenaar; wie er den moed toe hadden

zijn er in getrokken en daar leven zij en daar sterven zij. Wie een

wijkplaats zoekt op Jacob's eiland moet wel krachtige redenen hebben,

zich te verbergen, of tot den uitersten toestand van verval zijn

gekomen.

Van één der alleenstaande, vrij groote huizen, dat met den achterkant

naar de sloot stond, op de wijze, zooals het hierboven reeds werd

beschreven, waren deuren en ramen--hoe vervallen het ook in andere

opzichten mocht zijn--zeer stevig verzekerd.

In één der bovenkamers van dit huis zaten drie mannen bij elkaar; van

tijd tot tijd keken ze elkaar aan met oogen vol angst en verwachting en

vervielen dan weer in diep en somber zwijgen. Eén van de drie was Toby

Crackit; de tweede Mr. Chilling en de derde een misdadiger van vijftig

jaar, wiens neus vroeger bij een of andere vechtpartij was ingeslagen en

die een verschrikkelijk litteeken over zijn gezicht had, waarschijnlijk

bij dezelfde gelegenheid opgeloopen. Deze man was een ontvluchte

galeiboef en heette Kags.

»Ik wou,« zeide Toby, terwijl hij zich tot Mr. Chilling wendde, »dat jij

een ander hol had opgezocht, toen de twee oude te warm werden en dat je

niet hier was gekomen, kereltje.«

»Waarom heb je dat niet gedaan, stomkop?« vroeg Kags.

»Ik had gedacht, dat jullie wel een beetje blijder zou zijn als je me

zag,« antwoordde Mr. Chilling op droeven toon.

»Ja, kijk eris hier, jongmensch,« zei Toby, »als een man zoo op zichzelf

blijft als ik altijd gedaan heb en daardoor een aardig huis boven zijn

hoofd heeft, waar geen mensch zijn neus in kan steken, dan kijk je raar

op, als je de eer van een bezoek wordt aangedaan door een jongmensch,

(hoe aardig en hoe geschikt dat jongemensch overigens mag zijn om kaart

mee te spelen) in jouw omstandigheden.«

»Vooral als de man, die graag op zichzelf blijft, hier een vriend heeft,

die een beetje eer dan verwacht werd uit verre landen is teruggekeerd en

die te bescheiden is om zich bij zijn terugkomst aan de rechters voor te

gaan stellen,« voegde Kags er bij.

Er was een oogenblik van stilte, waarna Toby Crackit, die blijkbaar

het hopelooze inzag van verdere pogingen, zijn rol van 't

kan-me-niet-schelen vol te houden, zich tot Chilling wendde met de

vraag:

»Wanneer is Fagin ingerekend?«

»Net tegen etenstijd--om twee uur vanmiddag; Charley en ik zochten ons

fortuin in den schoorsteen van het waschhok en Bolter kroop met zijn

hoofd naar beneden in de leege waterton, maar zijn beenen waren zoo

heerlijk lang, dat ze er boven uit staken en dus werd hij ook

ingerekend.«

»En Bet?«

»Arme Bet! Zij ging het lijk zien om te zeggen wie het was,« antwoordde

Chilling, terwijl zijn gezicht al meer betrok, »zij liep weg als een

razende, gillend en schreeuwend en vloog met haar hoofd tegen den muur.

Dus deden ze haar een dwangbuis aan en brachten haar naar 't

ziekenhuis--en daar is ze nu nog.«

»Wat is er van Bates geworden?« vroeg Kags.

»Hij liep nog wat rond, omdat hij hier niet vóór donker aan wou komen,

maar hij zal gauw hier zijn,« antwoordde Chilling. »We kunnen nergens

anders naar toe, want al de menschen uit de »Kreupelen« zijn gevangen

genomen, en de gelagkamer daar--ik heb 't met m'n eigen oogen

gezien--zit vol dienders.«

»Dat is leelijk,« merkte Toby op, terwijl hij zich op de lippen beet.

»Meer dan één zal er bij gelapt worden.«

»De zittingen zijn begonnen,« zei Kags; »als de instructie voorbij is

en Bolter hoofdgetuige wordt--wat hij natuurlijk zal zijn na wat hij al

gezegd heeft--dan kunnen ze Fagin van medeplichtigheid beschuldigen;

Vrijdag zal 't vonnis worden uitgesproken en over zes dagen hangt hij te

bengelen, bij God--!«

»Je had moeten hooren hoe 't volk te keer ging,« zei Chilling, »de

agenten vochten als duivels, anders hadden ze hem verscheurd. Eéns viel

hij, maar ze maakten een kring om hem heen en sloegen er zich door. Je

had moeten zien, hoe hij er uitzag, vol bloed en modder en hoe hij zich

aan de agenten vastklemde, of ze zijn liefste vrienden waren. Ik zie ze

nog vóór me; ze konden bijna niet blijven staan in het gedrang en ze

sleepten Fagin bijna mee; ik zie de menschen nog achter mekaar springen

en tieren, ze knarsetandden en scholden hem uit; ik zie nog 't bloed op

zijn haar en baard en hoor 't geschreeuw, waarmee de vrouwen zich op den

hoek van de straat midden in 't gedrang werkten en zwoeren, dat zij 't

hart uit zijn lijf zouden scheuren!«

Chilling drukte in ontzetting de handen tegen zijn ooren en liep als een

waanzinnige met gesloten oogen eenige malen de kamer op en neer.

Terwijl hij dit deed en de beide mannen er met neergeslagen oogen

zwijgend bij zaten, werd op de trap een getrippel gehoord en de hond van

Sikes sprong de kamer binnen. De mannen sprongen op, holden eerst naar

het raam en toen de trap af naar buiten. De hond was door een open raam

binnengekomen; hij deed geen poging hen te volgen en zijn meester was

niet te zien.

»Wat beteekent dat?« zei Toby, toen zij weer terug waren. »Hij zal toch

niet hier komen? Dat--dat--hoop ik niet.«

»Als hij hier kwam, zou hij met den hond zijn meegekomen,« zei Kags en

boog zich over het dier, dat op den grond lag. »Hier! geef es wat water

voor 'm, 't beest heeft zich een ongeluk geloopen.«

»Hij heeft 't tot den laatsten druppel opgedronken,« zei Chilling,

nadat hij een poosje zwijgend naar den hond had gekeken. »Hij zit vol

modder--hij loopt kreupel en is half blind--hij komt van heel ver.«

»Waar kan hij vandaan zijn gekomen!« riep Toby uit. »Natuurlijk is hij

eerst naar de andere holen geweest en toen hij daar vreemden vond, naar

hier gekomen, waar hij dikwijls geweest is. Maar waar kan hij eerst

vandaan zijn gekomen en hoe komt hij hier alleen, zonder hem?«

»Hij--(niemand van hen noemde den moordenaar bij zijn gewonen naam)--hij

zal zich toch niet van kant hebben gemaakt? Wat denk je?« vroeg

Chilling.

Toby schudde het hoofd.

»Als dat zoo was,« zeide Kags, »zou de hond ons mee willen hebben naar

de plek, waar hij 't gedaan heeft. Neen. Ik denk, dat hij 't land uit is

gegaan en de hond achter heeft gelaten. Hij moet hem op een of andere

manier de bons hebben gegeven, anders zou 't beest niet zoo rustig

zijn.«

Deze verklaring, die de meest waarschijnlijke leek, werd als de rechte

aangenomen; de hond kroop onder een stoel en rolde zich, zonder meer van

iemand notitie te nemen, in elkaar om te gaan slapen.

Daar het donker was, werd het luik gesloten, een kaars aangestoken

en op tafel gezet. Alle drie waren diep onder den indruk van de

verschrikkelijke gebeurtenissen der laatste twee dagen, nog drukkender

door het gevaar en de onzekerheid, waarin zij zelf verkeerden. Ze

schoven hun stoelen dicht bij elkaar en schrikten op bij elk geluid. Ze

spraken weinig en dat weinige fluisterend; wanneer de overblijfselen van

de vermoorde vrouw in de kamer daarnaast hadden gelegen, hadden zij

niet stiller en meer verslagen kunnen zijn.

Zoo hadden ze eenigen tijd bij elkaar gezeten, toen zij plotseling

haastig op de deur beneden hoorden kloppen.

»Bates,« zeide Kags en keek met boos gezicht om zich heen om zijn eigen

angst te bedwingen.

Er werd opnieuw geklopt. Neen, hij was 't niet. Hij klopte nooit zóó.

Crackit ging naar het raam; toen hij zijn hoofd naar binnen trok, beefde

hij over al zijn leden. Hij behoefde niet te zeggen, wie het was, zijn

bleeke gezicht zeide genoeg. De hond was ook terstond opgesprongen en

liep jankend naar de deur.

»We moeten hem binnenlaten,« zeide Crackit, terwijl hij de kaars opnam.

»Is daar niets aan te doen?« vroeg de andere man met heesche stem.

»Niets. Hij _moet_ binnen worden gelaten.«

»Laat ons niet in donker,« zei Kags; hij nam een kaars van den

schoorsteen en stak hem aan met zóó bevende hand, dat het kloppen zich

tweemaal herhaald had, eer hij er mee klaar was.

Crackit ging naar beneden, naar de deur en kwam terug met een man, die

het benedengedeelte van zijn gezicht met een halsdoek had omwonden en

nog een halsdoek om zijn hoofd had onder zijn hoed. Langzaam deed hij

ze af en vertoonde een aschgrauw gezicht, diepliggende oogen en holle

wangen, met een baard van drie dagen; zijn vermagerde lichaam scheen nog

slechts met moeite adem te halen; het leek de geest van Sikes.

Hij legde zijn hand op een stoel, die midden in de kamer stond, maar

toen hij op het punt stond er in neer te vallen, huiverde hij en keek

over zijn schouder; hij trok den stoel dicht tegen den muur--zoo dicht

als 't kon--en ging zitten.

Er was nog geen woord gewisseld. Zwijgend keek hij van den één naar den

ander. Als de oogen van één der mannen de zijne toevallig ontmoetten,

werden zij terstond weer afgewend. Toen hij eindelijk met holle stem de

stilte verbrak, sprongen zij alle drie op. Het was of zij den klank

ervan nooit te voren gehoord hadden.

»Hoe komt die hond hier?«

»Alleen, drie uur geleden.«

»In de avondbladen staat, dat Fagin gevat is. Is 't waar of een leugen?«

»Waar.«

Opnieuw zwegen zij.

»Vervloekt zijn jullie allemaal!« zeide Sikes, terwijl hij met de hand

over zijn voorhoofd streek. »Hebben jullie me niks te zeggen?«

Ze schenen onrustig te worden, maar niemand sprak.

»'t Is zoo goed als jouw huis hier,« zeide Sikes, zich tot Crackit

wendend, »zal je mij uitleveren of laat je me hier blijven tot ze me

niet meer zoeken?«

»Je kan hier blijven als je denkt dat 't veilig is,« antwoordde de

toegesprokene na een lichte aarzeling.

Sikes richtte langzaam zijn oogen naar den muur achter zich; hij

trachtte meer zijn hoofd om te keeren dan dat hij het werkelijk deed en

vroeg: »Is--het--het lijk--is 't begraven?«

Ze schudden het hoofd.

»Waarom niet?« zei hij met denzelfden schuwen blik achter zich. »Waarom

laten ze zulke leelijke dingen boven aarde? Wie klopt daar?«

Terwijl hij de kamer uitging, beduidde Crackit met een beweging van zijn

hoofd, dat er niets te vreezen was en kwam terstond terug met Charley

Bates achter zich aan. Sikes zat tegenover de deur, zoodat de jongen

hem op het oogenblik, dat hij binnenkwam, in het gezicht zag.

»Toby,« zei de jongen, terugdeinzend toen Sikes zijn oogen op hem

richtte, »waarom heb je mij dit niet beneden gezegd?«

Er was zoo iets verschrikkelijks geweest in het terugschrikken van de

drie mannen, dat de ongelukkige man tenminste dezen jongen gunstig voor

zich wilde stemmen. Dus knikte hij hem toe en maakte een beweging om hem

de hand toe te steken.

»Laat mij in een andere kamer gaan,« zei de jongen, nog verder

achteruitwijkend.

»Charley!« zeide Sikes, terwijl hij een stap vooruit deed, »ken je me

niet meer?«

»Kom niet dicht bij me,« antwoordde de jongen, terwijl hij steeds

achteruitweek en den moordenaar met oogen vol ontzetting aanzag.

»Monster!«

De man bleef half-weg staan en zij keken elkaar aan; maar Sikes sloeg

langzamerhand zijn oogen neer.

»Jullie drieën bent getuigen,« riep de jongen, terwijl hij zijn gebalde

vuist schudde en zich onder het spreken meer en meer opwond. »Jullie

drieën bent getuige--ik ben niet bang voor hem--als zij hem hier komen

zoeken, dan verraad ik hem, dan verraad ik hem! Ik zeg 't eens voor

altijd. Hij mag me der voor doodmaken als hij wil, of als hij durft,

maar als ik hier ben, zal ik hem verraden. Ik zou 't doen, al werd hij

levend verbrand. Moordenaar! Help! Als jullie drieën maar iets van

mannen hebt, dan help je me! Moord! Help! Sla 'm neer!«

Terwijl hij deze kreten uitstootte en ze door heftige gebaren vergezeld

deed gaan, wierp de jongen zich werkelijk alleen op den sterken man;

door de spanning van zijn krachten en het plotselinge van zijn aanval,

deed hij Sikes met een smak op den grond vallen.

De drie toeschouwers schenen gansch verbijsterd. Zij kwamen niet

tusschenbeiden en de man en de jongen rolden te zamen over den grond; de

jongen scheen de slagen, die op hem neerregenden, niet te voelen; vaster

en vaster grepen zijn handen den moordenaar bij de borst en

onophoudelijk klonken zijn kreten om hulp.

Maar de strijd was te ongelijk om lang te kunnen duren. Sikes had hem

ondergekregen en zette hem zijn knie op de keel, toen Crackit hem met

een verschrikten blik achteruittrok en op het raam wees. Beneden glommen

lichten, klonken stemmen, die luid en ernstig spraken, het getrappel van

haastige voetstappen--er scheen geen einde aan te komen--die over de

houten brug vlakbij kwamen. Er scheen een man te paard onder de menigte

te zijn, want op het ongelijke plaveisel klonk het geklikklak van

paardenhoeven. De lichtschijn werd sterker, de voetstappen werden luider

en drukker. Er werd hard op de deur geklopt en daarna klonk het heesche

gehuil van zooveel woedende stemmen, dat de stoutmoedigste ervoor

gesidderd zou hebben.

»Help!« gilde de jongen met snijdende stem. »Hij is hier! Breek de deur

open!«

»In naam des Konings,« riepen de stemmen buiten en het heesche gebrul

verhief zich opnieuw, luider dan te voren.

»Trap de deur in!« schreeuwde de jongen. »Ze doen niet open. Loop recht

naar de kamer waar 't licht brandt. Trap de deur in!«

Toen hij zweeg hagelden zware, dichte slagen neer op de deur en de

luiken en de menigte barstte in een luid hoerageroep los, waardoor de

luisterende voor 't eerst eenig idee kreeg van het groote aantal.

»Doe de deur open van een of andere kamer, waar ik dat schreeuwende

duivelskind in kan stoppen,« riep Sikes woest, terwijl hij heen en weer

liep en den jongen even gemakkelijk meesleepte of hij een leege zak

was. »Die deur. Gauw!« Hij slingerde den jongen naar binnen, gooide de

deur dicht en draaide den sleutel om.

»Is de benedendeur dicht?«

»Met slot en ketting,« antwoordde Crackit, die, evenals de twee andere

mannen, nog geheel hulpeloos en verbijsterd zitten bleef.

»Zijn de paneelen sterk?«

»Met ijzer beslagen.«

»De ramen ook?«

»Ja, de ramen ook.«

»Vervloekt zijn jullie!« schreeuwde de wanhopige schurk, terwijl hij het

raam opschoof en de menigte buiten bedreigde. »Doe wat je kan! Ik ben

jullie toch te slim af!«

Van al de vreeselijke kreten, die ooit door sterfelijke ooren gehoord

zijn, kon er geen vreeselijker zijn dan de schreeuw van de woedende

menigte. Enkelen riepen tot hen, die 't dichtstbij stonden, het huis in

brand te steken; anderen brulden de agenten toe, hem dood te schieten.

Niemand van hen allen scheen zoo woedend als de man te paard; hij wierp

zich uit den zadel, drong door de menigte heen, alsof hij door water

zwom en riep onder het raam met een stem, die boven alle anderen

uitklonk: »Twintig guineas voor wie een ladder brengt!«

De dichtstbijzijnden namen den kreet over en honderden herhaalden hem.

Enkelen riepen om ladders, anderen om smidshamers; sommigen liepen

met fakkels heen en weer als om hem te zoeken, kwamen weer terug en

begonnen opnieuw te brullen; anderen verspilden hun adem aan onmachtige

verwenschingen en vervloekingen; enkelen drongen vooruit met de

opgewondenheid van waanzinnigen en hielden daardoor degenen, die na hen

kwamen, tegen; onder de stoutmoedigsten waren er, die probeerden langs

de goot en den verbrokkelden muur omhoog te klimmen en heel de menigte

golfde in de duisternis beneden op en neer als een korenveld, door een

stormwind bewogen, en liet van tijd tot tijd te zamen een luid en

woedend gehuil weerklinken.

»De vloed,« riep de moordenaar, terwijl hij terugdeinsde de kamer in, om

de gezichten niet meer te zien; »de vloed was aan het opkomen, toen ik

hier kwam. Geef mij een touw, een lang touw. Ze staan allemaal aan den

voorkant. Ik kan me in de Folly Ditch laten vallen en langs dien weg

ontkomen. Geef me een touw of ik doe nog drie moorden en dood mezelf.«

De mannen, die als door een panischen schrik bevangen waren, wezen naar

de plaats, waar touw te vinden was; de moordenaar koos haastig het

langste en sterkste touw en klom op den nok van het huis.

Alle ramen aan den achterkant van het huis waren lang geleden

dichtgemetseld, behalve één luikje in de kamer, waar de jongen was

opgesloten, maar dat was zóó klein, dat zelfs diens lichaam er niet

door kon. Maar van uit deze opening was hij voortdurend tot de menschen

buiten blijven roepen, den achterkant in 't oog te houden; en dus, toen

de moordenaar eindelijk door het dakraampje op den nok van het huis was

geklommen, werd deze gebeurtenis door een luiden kreet aan hen, die aan

den voorkant stonden, kenbaar gemaakt; dezen begonnen dadelijk om te

loopen, als een dichte ononderbroken stroom.

Sikes drukte een plank, die hij tot dit doel had meegenomen, zóó stevig

tegen het luik, dat 't heel moeielijk moest zijn, het van binnen open te

krijgen; hij schoof over de pannen vooruit en keek over de lage daklijst

naar beneden. Het water was afgeloopen en de gracht een modderpoel.

Gedurende deze oogenblikken had de menigte in gespannen aandacht zijn

bewegingen gevolgd, waarvan zij de bedoeling niet dadelijk begrepen;

maar op het oogenblik, toen zij deze begrepen en wisten, dat het plan

verijdeld was, steeg een triomfkreet op, waarbij vergeleken al het

vorige geschreeuw niets als gefluister was. Nog eens en nog eens steeg

dezelfde kreet op. Zij, die te veraf stonden om de beteekenis ervan te

begrijpen, namen den klank over; de kreten klonken en weerklonken; het

was alsof de bevolking van de gansche stad was toegestroomd om den

moordenaar te vervloeken.

Het volk van den voorkant drong op, steeds op, in een dichten,

vastgesloten stroom van woedende gezichten, hier en daar verlicht en in

al zijn razernij getoond door den schijn der fakkels. In de huizen aan

den overkant van de gracht was de menigte binnengedrongen; ramen werden

opengegooid of kloekweg losgerukt; voor elk raam verscheen een dichte

massa gezichten; op elk dak groepten hoopen menschen. Alle bruggen (er

waren er drie) bogen onder het gewicht van de menigte, die er op stond.

De stroom ging steeds voort, om een hoek of een gat te vinden, van

waaruit men zijn kreten de lucht in kon stooten en den moordenaar, al

was het maar voor een oogenblik, te zien kon krijgen.

»Ze hebben hem!« riep een man op de dichtstbijzijnde brug. »Hoera!«

Zooveel mutsen en hoeden werden in de hoogte geworpen dat de menigte

door de ontbloote hoofden lichter scheen dan te voren.

»Ik geef vijftig pond,« riep een oude heer van af dezelfde plek, »aan

wie hem levend vangt. Ik blijf hier staan, tot die man mij om het geld

komt vragen.«

Weer klonk gebrul. Op dit oogenblik ging de tijding door de menigte,

dat de deur eindelijk ingerameid was en dat de man, die 't eerst om een

ladder geroepen had, naar binnen was gegaan. Toen dit bericht van mond

tot mond ging, keerde de stroom plotseling om; de menschen voor de

ramen, die de anderen van de bruggen terug zagen gaan, verlieten hun

plaats, holden de straat op en voegden zich bij de dichte menigte, die

nu verward om de juist verlaten plaats heendrong; iedereen vocht en

duwde zijn tegenstander en allen drongen ongeduldig vooruit om bij de

deur te komen en den misdadiger te zien, als hij door de agenten naar

buiten werd gebracht. Verschrikkelijk waren de kreten en 't gegil van

hen, die tot stikkens toe gedrongen werden of onder den voet raakten; de

nauwe steegjes waren opgepropt met menschen, en op dit oogenblik, te

midden van het gedrang van degenen, die weer vóór het huis wilden komen

en anderen om zich uit het gewoel te bevrijden, werd er minder aandacht

aan den moordenaar geschonken, ofschoon het algemeene verlangen, dat hij

gegrepen zou worden, zoo mogelijk nog aangroeide.

De man was in elkaar gezakt, overweldigd door de woede der menigte en

de onmogelijkheid van ontsnapping; plotseling zag hij een kans, hij

sprong op, vastbesloten een laatste poging te wagen voor zijn leven

door zich in de gracht te laten vallen en--op gevaar af in de modder te

stikken,--te trachten in de duisternis en de verwarring te ontkomen.

Met nieuwe kracht en moed bezield en voortgedreven door het rumoer in

't huis, dat hem deed begrijpen, hoe men werkelijk was binnengedrongen,

steunde hij zijn voet tegen één der schoorsteenen, sloeg één eind van

het touw er stevig omheen en maakte met behulp van zijn vingers en zijn

tanden in een paar seconden een strik aan het andere eind. Hij kon zich

met behulp van het touw neerlaten, tot iets meer dan zijn eigen lengte

van den grond en hield zijn mes klaar om het touw door te snijden.

Op hetzelfde oogenblik, dat hij de lus over zijn hoofd gooide, om er dan

zijn armen door te steken en toen de reeds genoemde oude heer (die zich

om den menschenstroom te weerstaan en zijn plaats te behouden aan de

leuning van de brug vastklemde) de menschen om hem heen waarschuwde, hoe

de moordenaar zich naar beneden ging laten--op datzelfde oogenblik keek

de moordenaar achter zich naar het dak, sloeg de armen boven zijn hoofd

en gaf een gil van schrik.

»De oogen! de oogen!« kreet hij met onmenschelijke stem.

Als door den bliksem getroffen, wankelde hij achterwaarts, verloor zijn

evenwicht en stortte over de daklijst naar beneden. De strik was om zijn

nek. Door zijn gewicht trok de strik dicht, zoo strak als de pees van

een boog en even snel als de pijl die er door wordt afgezonden.

Hij viel vijf en dertig voet diep. Toen volgde een hevige schok, een

vreeselijke trekking in alle leden, en daar hing hij met het open mes in

zijn verstijvende hand.

De oude schoorsteen trilde door den schok, maar doorstond hem kloek.

De moordenaar bengelde levenloos tegen den muur; de jongen duwde het

schommelende lijk, dat hem het uitzicht benam, op zij en riep tot het

volk hem er in godsnaam uit te laten.

Een hond, die zich tot nu toe verborgen had gehouden, liep met wanhopig

gehuil op de daklijst heen en weer; toen maakte hij zich gereed tot

een sprong en kwam neer op den schouder van den doode. Hij miste zijn

houvast en viel in de gracht, in den val onderste boven keerend; zijn

kop kwam op een steen neer en sloeg te pletter.

De avonturen van Oliver Twist · 第 110 / 118 题