De vlucht van Sikes.
Van al de slechte daden, die onder bescherming van de duisternis
dien nacht binnen Londen's wijde palen gepleegd werden, was dit de
slechtste. Van al de verschrikkingen, die hun afschuwelijke uitwaseming
verspreidden in de morgenlucht, was dit de laagste en de wreedste.
De zon, de heldere zon, die den menschen niet alleen licht brengt,
maar nieuw leven en hoop en levenslust levenslust--ging over de dicht
bevolkte stad in stralenden, helderen luister op. Zij zond haar stralen
door kostbaar gekleurd glas en ramen met papier beplakt, op het
koepeldak van de cathedralen en op rottend aas. Zij verlichtte de kamer,
waar de vermoorde vrouw lag. Het licht drong binnen. Sikes trachtte het
buiten te sluiten, maar het stroomde binnen door kieren en spleten. Het
tooneel was reeds ontzettend geweest in den valen morgenschijn; wat was
het dan nu in het schitterende licht!
Hij bewoog zich niet--de vrees hield hem bevangen. Zij had nog eens
gekreund en haar hand bewogen, en in angst en woede had hij nog eens en
nog eens toegeslagen.
Hij gooide een deken over haar heen, maar het was erger, de oogen in
zijn verbeelding te zien en te denken, dat zij zich naar hem toekeerden,
dan ze omhoog te zien staren, alsof zij den weerschijn van de bloedplas
volgden, die in de zonnestralen tegen de zoldering trilde en danste. Hij
had de deken weer weggetrokken. En nu lag daar het lijk--niets dan
vleesch en bloed--maar _zulk_ vleesch en zooveel bloed!
Hij stak licht op, maakte vuur aan en wierp den knuppel er in. Aan het
hout kleefde haar, dat in de vlam omhoog werd geblazen, als lichte asch
neerviel en door den luchtstroom den schoorsteen in dwarrelde. Zelfs dit
deed hem ontstellen ondanks zijn hardheid; maar hij hield den knuppel
vast tot hij door midden brak en smeet hem toen op de kolen om verder
op te branden en tot asch te vergaan. Hij waschte zich en wreef zijn
kleeren af; er waren vlekken, die niet uit te wisschen waren, maar hij
sneed de stukken eruit en verbrandde ze. Overal door de kamer waren
bloedvlekken verspreid! Zelfs de pooten van den hond lieten bloedige
sporen na.
Al dien tijd had hij het lijk geen enkele maal den rug toegekeerd; zelfs
niet voor een oogenblik. Toen hij klaar was met wat hij te doen had,
ging hij achterwaarts naar de deur, trok den hond achter zich aan, uit
angst dat hij anders opnieuw bloed aan zijn pooten zou krijgen en
daarmee nieuwe bewijzen voor den moord mee naar buiten zou nemen. Hij
deed de deur zachtjes dicht, draaide het slot om, nam den sleutel er uit
en ging naar buiten.
Hij liep naar den overkant van de straat en keek op naar het raam, om
zich ervan te verzekeren, dat aan den buitenkant niets te zien was. Het
gordijn was nog gesloten; Nancy had het open willen trekken om het licht
binnen te laten, dat zij nooit meer zien zou. _Het_ lag bijna vlak
daaronder. _Hij_ wist dat. God, hoe scheen de zon daar juist binnen! Hij
keek slechts een oogenblik. Het was een verlichting uit de kamer te
zijn. Hij floot den hond en ging met vlugge stappen weg.
Hij ging door Islington, klom den heuvel op te Highgate, waar de
gedenksteen staat voor Wellington, daalde af naar Highgate Hill; hij
liep als doelloos, onzeker waar hij heen zou gaan, en sloeg, zoodra hij
dezen heuvel begon af te dalen, weer rechtsom, nam het voetpad door de
velden, dat langs Caen Wood loopt en kwam zoo in Hampstead Heath. Nadat
hij door de Vale of Health den hollen weg doorgegaan was, klom hij den
aarden wal aan den overkant op, stak den weg over, die de dorpen
Hampstead en Highgate verbindt en liep de heide verder over naar de
velden van North End; hier legde hij zich onder een heg neer en viel in
slaap.
Hij was spoedig weer op de been en op weg--niet verder het land in, maar
langs den straatweg terug naar Londen--toen weer terug--toen over een
ander deel van dezelfde heide waar hij al geloopen had--nu eens op en
neer jagend door de velden of in greppels neervallend om te rusten, dan
weer opspringend om een andere plek te zoeken; dan weer hetzelfde en
weer verder jagend.
Waar kon hij heengaan wat dichtbij was en niet te vol met menschen om
wat te eten en te drinken te krijgen? Hendow. Dat was een goede plek,
niet ver en buiten den gewonen weg. Daarheen richtte hij zijn
schreden--nu eens liep hij hard, dan weer, uit een onbegrijpelijken gril
kroop hij als een slak of bleef heelemaal staan en sloeg met zijn stok
op de heg. Maar toen hij in Hendow kwam, was het hem of alle menschen,
die hij tegenkwam--zelfs de kinderen aan de deuren--hem wantrouwend
aankeken. Weer keerde hij om, zonder moed gevonden te hebben voedsel of
drinken te koopen, ofschoon hij zooveel uren gevast had; en opnieuw
zwierf hij over de heide, onzeker waarheen te gaan.
Hij legde mijlen en nog eens mijlen af en kwam toch weer op dezelfde
plek terug. De morgen en de middag waren voorbij en de dag was aan het
afnemen en nog doolde hij rond, heen en terug, op en neer om altijd op
dezelfde plek terug te komen. Eindelijk ging hij weg en nam zijn
richting naar Hatfield.
Het was negen uur 's avonds, toen de man, volkomen uitgeput, met zijn
hond, die hinkte en kreupel liep door de ongewone inspanning, den heuvel
afkwam langs de kerk van het stille dorpje, door de straat strompelde
en een kleine herberg binnensloop, waarvan het licht hem had aangelokt.
In de gelagkamer brandde een vuur en enkele boerenarbeiders zaten er
omheen te drinken. Ze maakten plaats voor den vreemdeling, maar hij ging
in den versten hoek zitten en at en dronk alleen, of liever met zijn
hond, dien hij van tijd tot tijd een brok toegooide. Het gesprek van de
mannen, die bij het vuur zaten, liep over het land in de buurt en de
pachters; en toen deze actueele onderwerpen uitgeput waren, over den
leeftijd van een ouden man, die den vorigen Zondag begraven was; de
jonge mannen hielden hem voor heel oud en de oude mannen verklaarden,
dat hij nog heel jong was geweest--niet ouder, zeide een grootvader met
witte haren, dan hijzelf--hij had minstens nog vijftien jaar te leven
gehad--als hij voorzichtig was geweest; als hij voorzichtig was geweest.
Hierin was niets, dat de aandacht trok of ongerustheid op kon wekken.
De roover betaalde zijn vertering en bleef stil en onopgemerkt in zijn
hoekje zitten; hij was bijna in slaap gevallen, toen hij half gewekt
werd door de luidruchtige binnenkomst van een nieuwen gast.
Het was een kluchtige klant, marskramer en kwakzalver tegelijk, die het
land doortrok met slijpsteenen, aanzetriemen, scheermessen, zeepballen,
poetsgoed voor tuigen, drankjes voor honden en paarden, goedkoope odeur,
zalf en dergelijke dingen, die hij in een mars op zijn rug droeg. Zijn
binnenkomen was het sein voor allerlei grappen met de buitenlui, waarmee
hij niet ophield eer hij zijn avondeten verorberd had en zijn mars
opendeed, met de slimme bedoeling het nuttige met het aangename te
verbinden.
»En wat 's dat voor goed? Kan je dat eten, Harry?« vroeg een grinnikende
boer en wees naar eenige vierkante tabletjes in een hoekje van de mars.
»Dit,« zei de man, er één te voorschijn halend, »dit is het onfeilbare
en onwaardeerbare middel om alle soorten van vlekken uit te maken:
roest, vuil, schimmel, spikkels of moddervlekken uit zijde, satijn,
linnen, neteldoek, laken, krip, merinos, moeseline, bombazijn of wollen
stoffen. Wijn-vlekken, vruchten-vlekken, biervlekken, watervlekken,
verfvlekken, pekvlekken, alle mogelijke vlekken, alles gaat er uit, als
je er maar eens met dit onfeilbaar, onwaardeerbaar middel overheen
wrijft. Als een dame een vlek op haar eer heeft, hoeft zij maar een
tabletje in te slikken en ze is in eens genezen--want het is vergif. Als
een meneer dit wil bewijzen, heeft hij maar één zoo'n vierkantje door te
slikken en hij heeft 't overtuigendste bewijs--'t werkt even zeker als
een pistoolschot en smaakt veel slechter, dus des te grooter verdienste
voor wie 't gebruikt. Eén penny 't stuk. Die uitnemende dingen, één
penny het stuk!«
Dadelijk kwamen twee koopers opdagen en vele der toehoorders verkeerden
blijkbaar in twijfel of zij koopen zouden of niet. Toen de koopman dit
merkte, groeide zijn welsprekendheid nog aan.
»'t Wordt even gauw verkocht als 't gemaakt wordt,« zei de kerel.
»Veertien watermolens, zes stoommachines en een galvanische batterij
werken er voortdurend aan, en ze kunnen ze niet gauw genoeg maken, al
werken de mannen zoo hard, dat ze er dood bij neervallen; hun weduwen
krijgen onmiddellijk pensioen met twintig pond per jaar voor elk kind
en een premie van vijftig voor tweelingen. Een penny 't stuk! Twee
halfpence is ook goed en vier farthings worden met gejuich ontvangen.
Eén penny 't stuk! Wijnvlekken, vruchtenvlekken, biervlekken,
watervlekken, verfvlekken, pikvlekken, moddervlekken, bloedvlekken! Op
de hoed van een van de heeren hier zit een vlek; die zal ik er uit
maken, eer hij een kruik ale voor me kan bestellen.«
»Hé!« riep Sikes opspringend. »Geef die hoed hier!«
»Ik zal 't er netjes uitmaken, meneer,« zei de man, met een knipoogje
naar de toeschouwers, »eer u door de kamer kan loopen om hem terug te
halen. Heeren, let allemaal op de donkere vlek op den hoed van dezen
meneer, niet grooter dan een shilling, maar dikker dan een halve crown.
Of het een wijnvlek is of een vruchtenvlek of een biervlek of een
watervlek, of een verfvlek of een pikvlek, een moddervlek of een
bloedvlek--«
De man kwam niet verder, want Sikes gooide met een afschuwelijke
verwensching de tafel om, rukte den hoed uit zijn handen en stormde de
herberg uit.
Toen de moordenaar zag, dat niemand hem volgde en bedacht, dat men hem
waarschijnlijk voor een dronken, onbehouwen vlegel hield, deed dezelfde
ongedurigheid en besluiteloosheid, die hem ondanks zichzelf den geheelen
dag bevangen had, hem terugkeeren naar het stadje; terwijl hij al
voortloopend uitweek voor den lichtschijn der lantarens van een
postwagen, die in de straat stond, herkende hij deze als de postkar van
Londen en zag dat ze voor het kleine posthuis stond. Hij stak de straat
over om te luisteren, al wist hij bijna zeker wat hij te hooren zou
krijgen.
De conducteur stond in de deur op den brievenzak te wachten. Een man,
als boschwachter gekleed, kwam op dit oogenblik voor den dag en de
conducteur gaf hem een mand, die klaar lag op straat.
»Dat is voor jullie,« zei de postiljon. »Nou, maak een beetje voort daar
binnen! Die vervloekte zak, eergisteravond was hij ook niet klaar; dat
gaat zoo niet hoor!«
»Nog nieuws in stad, Ben?« vroeg de boschwachter, terwijl hij terugging
tot aan de luiken van het posthuis om beter de paarden te kunnen
bewonderen.
»Niks waar ik van weet,« antwoordde de man, terwijl hij zijn
handschoenen aantrok. »'t Koren is wat gestegen. Ook heb ik van een
moord hooren praten in de buurt van Spitalfields, maar op zoo'n verhaal
kan je niet aan.«
»O, dat verhaal is waar,« zei een heer binnen, die uit het raam keek.
»En 'n verschrikkelijke moord was 't ook.«
»Zoo meneer?« zei de conducteur en tikte tegen zijn pet. »'n Man of 'n
vrouw, meneer?«
»'n Vrouw,« antwoordde de heer. »Ze denken....«
»Nou Ben!« riep de postiljon ongeduldig.
»Die verdomde zak,« zei de conducteur, »zijn jullie binnen in slaap
gevallen?«
»Hij komt al!« riep de man van het posthuis, terwijl hij naar buiten
kwam hollen.
»Komt al,« bromde de conducteur. »Zoo is 't ook met de rijke vrouw, die
verliefd op me zal worden, maar ik weet niet wanneer. Hier geef op. Al
kla-ar!«
Een paar vroolijke horenstooten en de postwagen was weg.
Sikes bleef in de straat staan, schijnbaar onbewogen door wat hij zoo
juist gehoord had; niets hield hem voor het oogenblik bezig dan de
vraag, waar hij heen zou gaan. Eindelijk ging hij opnieuw terug en sloeg
den weg in, die van Hatfield naar St. Albans voert.
Verdrietig liep hij voort; maar toen hij de stad achter zich had en in
de eenzaamheid en duisternis van den weg verzonk, voelde hij, hoe hem
een angstgevoel bekroop, dat hem tot in zijn binnenste deed verstijven.
Elk voorwerp vóór hem, of het werkelijkheid was of schaduw, stil of in
beweging, nam den vorm aan van een of ander vreeselijk ding; maar deze
angst was niets, vergeleken bij het visioen, waardoor hij gekweld werd,
alsof de vermoorde van dien ochtend hem op de hielen volgde. Hij kon
in de duisternis den omtrek van de gedaante tot in de kleinste lijnen
natrekken, en merkte op, hoe strak en plechtig ze voort scheen te
schrijden. Hij kon hooren, hoe haar kleederen de bladeren beroerden en
elk windzuchtje scheen haar laatsten zachten kreet te herhalen. Als hij
staan bleef, bleef de gedaante ook staan. Als hij hard liep, volgde
de gedaante--ze liep niet hard, dat zou minder verschrikkelijk zijn
geweest, maar als een lijk, dat zich slechts mechanisch beweegt en door
denzelfden melancolieken, loomen luchtstroom, steeds in dezelfde maat
wordt voortbewogen.
Nu en dan keerde hij zich om, met het wanhopige besluit het spooksel te
verjagen, al zou de aanblik ervan hem ook dooden; maar zijn haren rezen
te berge en zijn bloed stond stil, want het spooksel had zich met hem
omgekeerd en was nu achter hem. Dien morgen had hij gezorgd, dat het
vóór hem bleef, maar nu was het achter hem--altijd. Hij leunde met zijn
rug tegen een aarden wal en voelde dat het spooksel boven hem stond,
scherp afgeteekend tegen den kouden nachthemel. Hij liet zich op den
weg vallen--met zijn rug op den grond. Bij zijn hoofd stond het, stil,
rechtop en onbewegelijk--een levende grafsteen met bloedige inscriptie.
Laat niemand ervan spreken, dat de moordenaar aan de gerechtigheid
ontkomt en daaruit het bewijs putten, dat de Voorzienigheid zou slapen.
Elke langgerekte minuut van dien doodsangst droeg twintig maal twintig
stervensoogenblikken in zich om.
Op een veld, dat hij overliep, stond een hut, die een schuilplaats voor
den nacht kon bieden. Vóór de deur rezen drie hooge populieren, waardoor
het binnen stikdonker was; de wind ruischte door de boomen met droef
gehuil. Hij _kon_ niet voort blijven loopen tot de dag zou aanbreken;
daarom ging hij dicht tegen den muur van de hut aan liggen--om nieuwe
folteringen te ondergaan.
Want nu verscheen hem een visioen, even onwrikbaar, maar
verschrikkelijker nog dan dat, waaraan hij ontsnapt was. Die
wijdgesperde starende oogen, zoo glansloos en strak, dat hij ze liever
in werkelijkheid had gezien dan in zijn verbeelding, verschenen
hem te midden der duisternis--zelve licht, doch aan niets licht
mededeelend. Er waren er slechts twee, doch ze waren overal. Als hij de
handen voor zijn gezicht sloeg, zag hij zijn kamer met al de welbekende
voorwerpen--enkele zelfs, die hij vergeten zou hebben, wanneer hij
alleen met zijn geheugen te werk was gegaan--alles op zijn gewone
plaats. Het lijk lag ook op zijn plaats en de oogen zagen er uit als
toen hij wegsloop. Hij sprong op en vluchtte naar buiten, het veld op.
De gedaante was achter hem. Hij ging de hut weer binnen en liet zich
opnieuw op den grond vallen. De oogen waren er, nog eer hij lag.
Hij bleef in de hut ten prooi aan een ontzetting, waarvan hijzelf alleen
de verschrikking wist; bevend in elken vezel van zijn lichaam, terwijl
het koude zweet uit alle poriën naar buiten brak. Plotseling bracht de
nachtwind het gerucht over van geschreeuw in de verte en stemmenrumoer
vol schrik en ontsteltenis. Op die eenzame plaats scheen elk menschelijk
geluid, zelfs wanneer het een werkelijke reden tot ongerustheid inhield,
hem welkom.
Bij het gevoel, dat gevaar voor zijn leven dreigde, herkreeg hij zijn
kracht en moed; hij sprong op en snelde naar buiten.
De wijde hemel scheen in vuur te staan. Vlammenzuilen laaiden op en
lieten een regen van vonken neerdalen; de omtrek was er vier mijlen in
't rond door verlicht en wolken van rook dreven in de richting, waar hij
stond. De kreten werden luider, toen nieuwe stemmen zich in het rumoer
mengden en hij kon den kreet van »Brand!« onderscheiden, vermengd met
het gelui van de alarmklok, den val van zware lichamen en het geloei der
vlammen, als zij een nieuwe hinderpaal op hun weg ontmoetten en dan weer
oplaaiden als opnieuw gevoed. Terwijl hij keek, groeide het rumoer aan.
Daar waren menschen--mannen en vrouwen--licht, leven. 't Was, of hij
nieuw leven in zich voelde. Hij snelde vooruit--recht door, zoo hard hij
loopen kon--over heg en steg, over greppels en heuvels, even dol als
zijn hond, die met luid geblaf vóór hem uit holde.
Hij kwam op de plaats van den brand. Daar liepen halfgekleede gedaanten
als razenden heen en weer, sommigen trachtten de verschrikte paarden
uit de stallen te halen, anderen dreven het vee van het erf en uit de
bijgebouwen, weer anderen kwamen te midden van den vonkenregen aanloopen
met allerlei brandende voorwerpen, op gevaar af door de neervallende,
brandende balken getroffen te worden. De openingen, waar een uur te
voren deuren en vensters geweest waren, gunden een blik in den razenden
vuurgloed; muren waggelden en stortten neer in den brandenden poel;
gesmolten lood en ijzer druppelde wit gloeiend neer op den grond.
Vrouwen en kinderen jammerden en de mannen moedigden elkaar aan met
kreten en schreeuwen. Het geratel van de brandspuiten en het gesis van
het water, als het op het brandende hout kwam, vermengden zich met het
oorverdoovende lawaai. Sikes schreeuwde ook mee, tot hij er schor van
was; vluchtend voor zichzelf en voor die vreeselijke herinnering,
stortte hij zich in het dichtste gewoel.
Den geheelen nacht dook hij nu hier, dan daar onder; nu eens werkte
hij aan de pompen, dan vloog hij door rook en vlammen heen, maar
steeds zorgde hij daar te zijn, waar het meeste rumoer en het
drukste menschengewoel was. De ladders op en neer, op de daken van de
bijgebouwen, over vloeren, die beefden en kraakten onder zijn gewicht,
vlak bij vallende steenen en puinbrokken, overal was hij, waar de groote
brand woedde, maar zijn leven scheen onkwetsbaar te zijn; tot aan het
aanbreken van den morgen, toen niets meer over was dan rook en een
zwartverbrande ruïne, had hij geen schrammetje of kneuzing, en voelde
vermoeidheid noch drukkende gedachten.
Doch toen de dolle opwinding voorbij was, keerde het verschrikkelijke
besef van zijn misdaad met tienvoudige hevigheid terug. Wantrouwend keek
hij rond, want de mannen stonden in groepen te praten en hij vreesde,
dat hij het onderwerp van hun gesprek was. De hond gehoorzaamde den
veelbeteekenenden wenk van zijn vinger en ze slopen samen weg. Hij kwam
langs een brandspuit, waar eenige mannen bij elkaar zaten en zij riepen
hem, hun schaft te deelen. Hij nam wat brood en vleesch; terwijl hij een
teug bier nam, hoorde hij de brandweermannen, die uit Londen kwamen,
over den moord spreken. »Ze zeggen, dat hij naar Birmingham is gegaan,«
zeide één van hen, »maar ze zullen hem wel krijgen, want de veldwachters
zijn gewaarschuwd en door het heele land wordt naar hem gezocht.«
Sikes liep weg en ging voort, tot hij er bijna bij neerviel; toen legde
hij zich in een laantje neer en viel in een langen, onrustigen slaap,
waaruit hij telkens wakker schrikte. Weer ging hij verder, besluiteloos
en weifelend en opgejaagd door den angst, weer een eenzamen nacht door
te brengen.
Plotseling kwam hij tot het wanhopige besluit, naar Londen terug te
keeren.
»Daar heb ik tenminste iemand om tegen te praten,« dacht hij. »En het is
een goede schuilplaats. Ze zullen nooit denken, me daar te snappen,
nadat ik eerst hier buiten ben geweest. Waarom kan ik me daar niet een
week of zoo verstoppen, van Fagin splint zien los te krijgen en naar
Frankrijk gaan? Verdomd! ik waag het.«
Zonder uitstel volgde hij deze ingeving en begon de terugreis langs
de minst bezochte wegen; hij besloot, zich dichtbij de hoofdstad te
verbergen; als het donker was, langs een omweg de stad binnen te komen
en dan rechtuit naar de buurt te gaan, die hij als zijn doel had
gekozen.
Maar de hond! Als zijn signalement verspreid werd, zou 't er zeker bij
vermeld worden, dat de hond niet te vinden was en waarschijnlijk bij hem
zou zijn. Dat kon tot zijn aanhouding leiden, als hij op straat gezien
werd. Hij besloot dus, den hond te verdrinken, raapte een zwaren steen
op en bond dien onder het voortloopen aan zijn zakdoek.
Het dier keek naar zijn meester op, terwijl deze de toebereidselen
maakte, en hetzij zijn instinct hem iets deed begrijpen van wat het doel
was, of dat de inbreker hem somberder dan anders aankeek, hij bleef wat
verder achter dan gewoonlijk en kwam langzaam, op zijn buik kruipend,
nader. Toen zijn meester aan den rand van een poel staan bleef en om
zich heen keek om hem te roepen, bleef hij staan.
»Hoor je me niet? Kom hier!« riep Sikes.
De hond kwam uit kracht der gewoonte, maar toen Sikes zich bukte om den
zakdoek om zijn nek te binden, bromde hij kwaadaardig en sprong
achteruit.
»Hier!« riep de roover.
De hond kwispelstaartte, maar bewoog zich niet. Sikes maakte nu een
strik en riep nog eens.
De hond kwam nader, sloop achteruit, bleef een oogenblik staan, keerde
zich om en maakte zich zoo hard hij kon uit de voeten.
De man floot nog eens en nog eens, ging zitten, in de verwachting dat
hij wel terug zou komen. Maar geen hond verscheen en eindelijk zette hij
den tocht voort.