Nancy houdt zich aan de afspraak.
De kerkklokken sloegen kwart vóór twaalven, toen twee gestalten op
London Bridge verschenen. De ééne, die met vluchtige, snelle schreden
voortliep, was een vrouw; gespannen keek zij om zich heen als verwachtte
zij iets of iemand; de andere was een man, die voortsloop in de diepste
schaduw die hij vinden kon, en op eenigen afstand zijn schreden regelde
naar de hare--als zij bleef staan, bleef hij ook staan en als zij
weer voortging, sloop hij tersluiks voort--maar hij zorgde ervoor,
nooit, in den ijver van zijn vervolging, dichter bij haar te komen.
Zoo gingen zij over de brug van den Middlesex--naar den Surreyoever,
toen de vrouw, blijkbaar teleurgesteld in haar ijverig onderzoeken
van de voorbijgangers, terugkeerde. De beweging was plotseling, maar
de bespieder was op zijn hoede; snel trok hij zich terug in één der
schuilhoeken boven de pijlers van de brug, boog zich over de leuning om
te beter zijn gestalte te verbergen en liet haar op het trottoir aan den
overkant voorbijgaan. Toen zij hem ongeveer evenveel vooruit was als te
voren, gleed hij zachtjes naar beneden en volgde haar opnieuw. Toen zij
bijna midden op de brug was, bleef zij staan. De man bleef ook staan.
Het was een zeer donkere nacht. Het was overdag slecht weer geweest
en op dit uur en op deze plaats kwamen weinig menschen voorbij. Die
er waren liepen haastig voorbij; waarschijnlijk zonder de vrouw of den
man, die haar bespionneerde, te zien--in elk geval zonder acht op hen te
geven. Hun uiterlijk was er niet op berekend de onbelangrijke aandacht
te trekken van dat deel der arme Londensche bevolking, die toevallig
dien avond over de brug kwamen om in een of andere koude portiek
of deurlooze keet een schuilplaats te zoeken, waar zij hun hoofd
konden neerleggen; zij stonden daar zwijgend, zonder iemand van de
voorbijgangers aan te spreken of door hen aangesproken te worden.
Over de rivier hing mist, waarin de roode gloed der vuren op de
vaartuigen, aan de verschillende kaden vastgemeerd, ver-dofte en de
donkere gebouwen aan de oevers te donkerder werden en minder duidelijk
te onderscheiden. Zwaar en somber rezen de oude zwartberookte pakhuizen
boven de dichte warreling van daken en gevels aan beide oevers uit en
blikten ernstig neer in het water, dat zelfs te zwart was om hunne
massieve vormen te weerkaatsen. De torenspitsen van de kerk van den
Heiligen Verlosser en van St. Magnus, sinds zoo lange tijden de
reuzenwachters van de oude brug, waren in den nevel te onderscheiden,
maar het mastbosch stroomafwaarts en de dichte massa torenspitsen
stroomopwaarts waren bijna geheel verborgen voor het gezicht.
Het meisje had eenige malen de brug op en neer geloopen--altijddoor
nauwkeurig waargenomen door haar verborgen achtervolger--toen de zware
klok van de Sint Pauluskerk verkondigde, hoe weer een dag gestorven
was. Middernacht daalde neer op de dichtbevolkte stad. Op paleizen,
nachtkelders, gevangenissen en gekkenhuizen; op jonggeborenen en op
stervenden, op zieken en gezonden; op de stijve gezichten van lijken
en de kalme slaap der kinderen; op die allen daalde de middernacht.
De klok was nog geen twee minuten koud, toen een jonge dame, vergezeld
door een heer met grijs haar, op korten afstand van de brug uit een
huurrijtuig stapten en na het voertuig weggezonden te hebben, recht
de brug op liepen. Ze hadden nauwelijks den voet erop gezet, toen het
meisje opschrikte en onmiddellijk op hen toeliep.
Toen Nancy zich bij hen voegde, keken zij juist onder het voortloopen
om zich heen als menschen die iets verwachten, maar vermoeden, dat hun
verwachting niet in vervulling zal gaan. Zij bleven staan, met een
uitroep van verwondering, dien zij echter terstond onderdrukten, want
een man, gekleed als iemand van buiten de stad, liep op dit oogenblik
dicht langs hen heen, zóó dicht, dat zijne kleeren de hunne raakten.
»Hier niet,« zeide Nancy haastig, »ik ben bang hier met u te spreken.
Kom mee--weg van den publieken weg--die trap af!«
Onder het spreken wees zij met haar hand in de richting waar zij hen
heen wilde hebben; de buitenman keek om zich heen, vroeg op ruwen toon,
waarom zij de heele brug innamen en liep voorbij.
De trap, die Nancy bedoelde, vormde op den Surreyoever en aan denzelfden
kant van de brug als de kerk van den Verlosser, een landingplaats in
de rivier. De man, die er uitzag als een buitenman, sloop hier haastig
heen, zonder opgemerkt te worden; nadat hij de plek in oogenschouw had
genomen, begon hij de trap af te klimmen.
Deze trappen zijn een deel van de brug; ze bestaan uit drie treden.
Juist bij de tweede trede, als men naar beneden gaat links, eindigt de
steenen muur in een zuil die naar de Theems is gekeerd. De lagere treden
worden breeder, zoodat iemand die dezen hoek van den muur omslaat,
onmogelijk gezien kan worden door iemand op het trapje, die boven hem
staat, al is het maar één trede. Toen hij hier was, keek de buitenman
haastig om zich heen; daar hij geen betere schuilplaats zag en er met
't lage getij overvloed van ruimte was, sloop hij ter zijde, drukte
zijn rug tegen de pilaar en wachtte; hij was er vrij zeker van, dat de
anderen niet verder naar beneden zouden gaan en dat, zelfs al kon hij
niet hooren wat zij zeiden, hij hen toch veilig weer zou kunnen volgen.
De tijd ging zoo langzaam voorbij in deze eenzame schuilplaats en
de spion verlangde zoozeer de beweegredenen te leeren kennen van een
samenkomst, die gansch anders was dan wat hij verwachtte, dat hij meer
dan eens op 't punt stond de zaak als verloren te beschouwen en te
denken, òf dat de anderen veel hooger op de trap waren blijven staan, òf
dat zij naar een heel andere plaats waren gegaan voor hun geheimzinnig
onderhoud. Hij was op 't punt uit zijn schuilplaats te voorschijn te
komen en weer op de brug te gaan, toen hij het geluid van voetstappen
hoorde en dadelijk daarop, bijna vlak aan zijn oor, het geluid van
stemmen.
Hij duwde zich rechtop tegen den muur en luisterde opmerkzaam, terwijl
hij nauwelijks ademhaalde.
»Dit is ver genoeg,« zeide een stem, klaarblijkelijk die van den heer.
»Ik vind 't niet goed dat de jonge dame nog verder gaat. Menigeen zou je
niet genoeg vertrouwd hebben om zelfs zoover te komen, maar u ziet, ik
ben bereid uw zin te doen.«
»Mijn zin te doen!« riep de stem van het meisje, dat hij gevolgd had. »U
bent wel goed, heusch meneer. Mijn zin te doen! Nou ja, 't komt er niet
op an.«
»Waarom en met welk doel,« hernam de heer op vriendelijker toon, »kunt u
ons op deze vreemde plek gebracht hebben? Waarom wilde u niet, dat ik
boven met u sprak, waar het licht is en waar menschen in de buurt zijn,
inplaats van ons naar dit donkere, ongelegen oord te brengen?«
»Ik heb u al gezegd,« antwoordde Nancy, »dat ik bang was om daar met u
te praten. Ik weet niet hoe 't komt,« zei het meisje met een huivering,
»maar ik heb vanavond zoo'n gevoel van angst over me, dat ik haast niet
op m'n beenen staan kan.«
»Angst waarvoor?« vroeg de oude heer, die medelijden met haar scheen te
hebben.
»Dat weet ik zelf niet,« antwoordde Nancy. »Ik wou dat ik 't wist. Ik
denk aan allerlei verschrikkelijks: aan dood en aan lijkkleeden met
bloed er op; den heelen dag heb ik die angst gehad; die brandt als vuur
in me.«
»Verbeelding,« zei de oude heer bedarend.
»Geen verbeelding,« hernam het meisje met heesche stem. »Ik kan er een
eed op doen, dat ik »doodkist« in groote zwarte letters geschreven zag
op elke bladzijde van het boek--ja.... en vanavond droegen ze een
doodkist vlak langs me heen.«
»Daar is niets ongewoons in,« zei de oude heer. »Ik ben er zoo dikwijls
een voorbijgegaan.«
»Ja, _een werkelijke_,« viel het meisje in. »Maar dit was geen
werkelijke.«
Er was zoo iets vreemds in den toon waarop zij deze woorden uitte, dat
de verborgen luisteraar een koude huivering voelde en het bloed in
zijn aderen verstijfde. Nooit had iets hem zoo troostend in de ooren
geklonken als de zachte stem van de jonge dame, die Nancy vroeg, toch
kalm te zijn en niet toe te geven aan zulke verschrikkelijke
verbeeldingen.
»U moet haar vriendelijk toespreken,« zeide de jonge dame tot haar
metgezel. »Arm schepsel! Zij schijnt het wel noodig te hebben.«
»Uw hoogmoedige vromen zouden uit de hoogte op me neer hebben gezien
als ik was zooals vanavond en gepreekt hebben van vlammen en wraak,«
riep het meisje. »O, lieve juffrouw, waarom zijn de menschen, die er
op gesteld zijn, Gods uitverkorenen te heeten, niet even vriendelijk en
zacht voor ons arme ellendigen als u? U, die jeugd heeft en schoonheid
en zooveel, dat die vromen verloren hebben, u zoudt met recht trotsch
kunnen zijn inplaats van zooveel nederiger dan zij.«
»Och!« zeide de oude heer. »Een Turk keert zijn gezicht, na het goed
gewasschen te hebben, naar het Oosten als hij bidt; die goede menschen,
waar u over spreekt, wrijven eerst hun gezicht zoo in tegen de wereld,
dat er geen glimlach meer op overblijft en dan keeren zij zich even
zeker als de Turk het naar het Oosten doet, naar den donkersten kant
van den hemel. Als ik kiezen moet tusschen den Muzelman en den
Pharizeeër, dan kies ik den eerste.«
Deze woorden schenen tot de jonge dame gericht te zijn en werden
misschien gesproken met de bedoeling, Nancy tijd te geven, tot zichzelf
te komen. Een oogenblik later wendde de heer zich tot haar.
»U bent den vorigen Zondagavond niet gekomen,« zeide hij.
»Ik kon niet,« antwoordde Nancy, »ik werd met geweld tegengehouden.«
»Door wie?«
»Door den man, waar ik de juffrouw laatst al van verteld heb.«
»Ik hoop toch, dat u niet verdacht werd in verbinding te staan met
iemand met betrekking tot het onderwerp, dat ons hier brengt?« vroeg de
oude heer.
»Neen,« antwoordde het meisje en schudde 't hoofd. »'t Is niet makkelijk
voor me van hem weg te gaan als hij niet weet waarom; ik had de juffrouw
den eersten keer ook niet kunnen spreken, als ik hem, vóór ik wegging,
niet een dosis laudanum had gegeven.«
»Werd hij wakker eer je terug was?« vroeg de heer.
»Neen, en noch hij, noch een van de anderen verdenkt me.«
»Goed. En luister nu naar me.«
»Ik luister,« zei het meisje, toen hij een oogenblik zweeg.
»Deze jonge dame,« begon de oude heer, »heeft aan mij en aan enkele
andere vertrouwde vrienden verteld, wat u haar veertien dagen geleden
gezegd hebt. Ik erken, dat ik eerst twijfelde, of u wel volkomen
betrouwbaar was, maar nu geloof ik vast in u.«
»Dat kunt u doen,« zei het meisje ernstig.
»Ik herhaal, dat ik u volkomen vertrouw. Om u dit te bewijzen, deel ik
u zonder eenig voorbehoud mee, dat wij van plan zijn dien man, dien
Monks, het geheim, wat het ook wezen moge, te ontrukken, door op zijn
vrees te werken. Maar als--als--« hernam de heer, »als we hem niet in
handen kunnen krijgen, of niet van hem te weten kunnen komen wat wij
willen, dan--moet je ons den Jood overleveren.«
»Fagin!« riep het meisje, terugdeinzend.
»Die man moet aan ons door u worden overgeleverd,« zei de heer.
»Dat doe ik niet! Dat doe ik nooit!« antwoordde het meisje. »Ofschoon
hij een duivel is en voor mij erger dan een duivel is geweest, dat doe
ik nooit.«
»U wilt dus niet?« vroeg de oude heer, die dit antwoord scheen te
verwachten.
»Nooit!« antwoordde het meisje.
»Waarom niet?«
»Om één reden,« antwoordde het meisje met vaste stem, »om één reden, die
de dame weet en waarin zij aan mijn kant zal staan; ik weet, dat zij dat
doen zal, want ik heb haar belofte; en dan ook om deze reden, dat, al
heeft hij een slecht leven geleid, ik ook een slecht leven geleid heb;
velen van ons zijn te zamen denzelfden weg gegaan en ik wil hen niet
verraden, terwijl zij, zij allen, mij hadden kunnen verraden, maar het
nooit deden, hoe slecht zij ook zijn mogen.«
»Welnu,« zei de oude heer snel, alsof dit het punt was, dat hij verlangd
had te bereiken, »lever dan Monks in mijn handen en laat aan ons over
wat wij met hem doen willen.«
»En als hij de anderen verraadt?«
»Ik beloof u, dat de zaak in dat geval, zoodra wij de waarheid uit hem
hebben gekregen, verder zal blijven rusten; in Oliver's geschiedenis
moeten omstandigheden wezen, die niet zonder pijnlijke onthullingen aan
't licht zijn te brengen; als de waarheid eenmaal aan den dag is, zullen
de anderen vrij uitgaan.«
»En als de waarheid niet aan 't licht komt?«
»Dan,« ging de oude heer voort, »zal Fagin toch nooit zonder uw
toestemming voor 't gerecht gebracht worden. In dat geval zou ik u
redenen kunnen aantoonen, waarvoor u zwichten zoudt.«
»Wil de juffrouw mij daarop ook haar woord geven?« vroeg het meisje.
»Ja,« antwoordde Rose. »Mijn eerlijk woord.«
»Zal Monks nooit vernemen hoe u weet wat u weet?« vroeg Nancy na kort
zwijgen.
»Nooit,« antwoordde de oude heer. »Wij zullen het zoo aanleggen, dat hij
het zelfs nooit vermoeden zal.«
»Ik ben een leugenaarster geweest en heb van kindaf onder leugenaars
geleefd,« zei Nancy na een nieuwe stilte, »maar ik zal u op uw woord
gelooven.«
Nadat zij van beiden de verzekering had ontvangen, dit veilig te kunnen
doen, sprak zij verder met zóó zachte stem, dat het den luisteraar
dikwijls moeielijk viel zelfs te begrijpen, waarover zij sprak, en
beschreef den naam en de ligging van de herberg, waar zij dien avond
bespied was. De wijze waarop zij nu en dan ophield, wees er op, dat de
oude heer enkele haastige aanteekeningen maakte van wat zij vertelde.
Nadat zij nauwkeurig het uiterlijk van de herberg had beschreven, de
beste plek vanwaar men er het oog op had, zonder de aandacht te trekken,
en de avond en het uur waarop Monks er gewoonlijk kwam, scheen zij een
oogenblik na te denken met het doel zijn gezicht en uiterlijke
verschijning duidelijker in haar geheugen terug te roepen.
»Hij is lang,« zei het meisje, »en een stevig gebouwde man, maar niet
dik; hij heeft een onvasten gang en kijkt onder het loopen voortdurend
over zijn schouder, dan over de ééne en dan over de andere. Vergeet dit
niet, want zijn oogen liggen zooveel dieper in zijn hoofd dan bij iemand
anders, dat je hem bijna alleen al daaruit kunt herkennen. Zijn gezicht
is donker van tint evenals zijn haar en zijn oogen; ofschoon hij niet
ouder dan zes- of acht en twintig jaar kan zijn, ziet hij er vervallen
en afgeleefd uit. Zijn lippen zijn dikwijls bleek en vol tand-indrukken,
want hij heeft hevige toevallen en bijt zich soms in zijn handen tot
zij vol wonden zijn. Waar schrikt u van?« vroeg het meisje en zweeg
plotseling.
De oude heer antwoordde op haastigen toon, dat hij er zich niet van
bewust was en verzocht haar, voort te gaan.
»Ik heb deze dingen voor een deel van andere menschen uit de herberg
gehoord,« hernam Nancy, »ik zelf heb hem maar tweemaal gezien en beide
keeren was hij in een wijden mantel gewikkeld. Ik geloof, dat dit alles
is wat ik zeggen kan, om hem door u te doen herkennen. Nee wacht,«
voegde zij er bij. »In zijn hals, zoo hoog, dat een deel er van uit zijn
halsdoek komt als hij zijn hoofd omkeert, is een....«
»Een breed rood lidteeken als een brandwond?« riep de oude heer uit.
»Wat?« zei het meisje. »Kent u hem?«
De jonge dame stootte een kreet van verbazing uit en gedurende eenige
oogenblikken waren zij zóó stil, dat de luisteraar hunne ademhaling
duidelijk kon hooren.
»Ik geloof het wel,« zei de oude heer, de stilte verbrekend. »Naar
uw beschrijving te oordeelen. We zullen zien. Veel menschen lijken
verwonderlijk veel op elkaar. Misschien is het niet dezelfde man.«
Terwijl hij dit schijnbaar onverschillig zeide, kwam hij een paar
stappen dichter bij den verborgen spion, wat deze op kon maken uit de
duidelijkheid, waarmede hij hem kon hooren mompelen: »Hij moet 't zijn!«
»Nu,« zeide hij en keerde, naar het geluid te oordeelen, naar de plaats
terug, waar hij te voren gestaan had, »u heeft ons een heel grooten
dienst bewezen en ik zou graag in ruil iets voor u willen doen. Wat kan
ik voor u doen?«
»Niets,« antwoordde Nancy.
»Dat meent u toch niet,« hernam de oude heer met een stem en op een toon
zóó vol vriendelijkheid, dat een veel harder en verstokter gemoed er
door geroerd zou worden.
»Denk eens na. Toe, zeg 't me.«
»Niets meneer,« herhaalde het meisje schreiend. »U kunt niets doen om
mij te helpen. Voor mij is werkelijk alle hoop verloren.«
»U wijst zelf de hoop af,« zei de oude heer. »Het verleden is voor u
een treurige verspilling geweest van uw jeugdige krachten; u heeft
de onberekenbare schatten weggeworpen, die de Schepper maar eenmaal
verleent en nooit weer geeft; maar u moogt hopen op de toekomst. Ik zeg
niet, dat het in onze macht staat, vrede te brengen in uw hart en uw
geest; die komen alleen als u ze zoekt; maar het is ons mogelijk en
het is onze vurige wensch, u een rustig toevluchtsoord te verschaffen,
hetzij in Engeland, of, als u bang bent, hier te blijven, in een ander
land. Eer de morgen aanbreekt, eer de rivier ontwaakt in den eersten
schijn van het daglicht, zult u zóó volkomen en zonder eenig spoor na
te laten buiten het bereik zijn van uw vroegere levensgezellen, alsof
u op ditzelfde oogenblik van de aarde verdween. Kom! Ik wil niet, dat u
teruggaat en nog één woord met één uwer vroegere metgezellen wisselt of
nog één blik slaat op de plek, waar u gewoond hebt, of de lucht inademt,
die verderf en dood is voor u. Verlaat dat alles, nu er tijd en
gelegenheid voor is!«
»Nu zal ze wel overtuigd zijn,« riep de jonge dame uit. »Ze weifelt, dat
weet ik zeker.«
»Ik vrees van niet, lieverd,« zei de oude heer.
»Neen mijnheer, ik weifel niet,« hernam het meisje na een korten
tweestrijd. »Ik ben gekluisterd aan mijn oude leven. Ik haat en verfoei
het nu, maar ik kan er niet van los komen. Ik moet te ver gegaan zijn
om terug te keeren--en toch, ik weet niet, maar als u een poos geleden
zoo tot mij gesproken had, zou ik het weggelachen hebben. Maar,« zeide
zij, haastig om zich heen ziende, »nu komt die angst weer over me. Ik
moet naar huis.«
»Naar huis!« herhaalde het jonge meisje met grooten nadruk op het woord.
»Naar huis juffrouw,« herhaalde het meisje. »Naar het tehuis, dat ik
voor mijzelf heb opgericht, waar ik mijn heele leven voor heb gewerkt.
Laat ons afscheid nemen. Ik zal worden nagegaan of gezien. Ga weg! Ga
weg! Als ik u werkelijk een dienst heb bewezen, is alles wat ik vraag,
dat u mij alleen laat en mij mijn eigen weg laat gaan.«
»Het is vergeefs,« zei de oude heer met een zucht. »Door hier te blijven
brengen wij haar veiligheid misschien in gevaar. Misschien hebben wij
haar al langer opgehouden dan zij verwacht had.«
»Ja, ja,« stootte het meisje uit. »Dat hebt u.«
»Wat zal het einde zijn van 't leven van dit arme schepseltje?« riep
Rose uit.
»Wat?« herhaalde Nancy. »Kijk eens voor u uit, juffrouw. Kijk naar dat
donkere water. Hoe dikwijls leest u niet van schepsels als ik, die in
de golven springen en geen levend wezen achterlaten om haar verlies te
betreuren. 't Kan over jaren gebeuren of misschien over maanden, maar
ten slotte zal het daar toe komen.«
»Toe, spreek zoo niet,« zei Rose snikkend.
»Uw ooren zullen het nooit vernemen, juffrouw, en God verhoede dat u het
hooren zoudt!« hernam het meisje. »Goeiennacht! Goeiennacht!«
De heer keerde zich om.
»Deze beurs,« zei de jonge dame. »Neem die aan om mijnentwil, zoodat u
in een uur van nood eenige hulp zult hebben.«
»Neen! Ik heb dit niet voor geld gedaan. Laat mij die gedachte
behouden. En toch--geef mij iets, dat u heeft gedragen--ik wou graag
iets hebben--neen, geen ring--uw handschoenen of uw zakdoek--iets, dat
ik bewaren kan, omdat het van u is geweest, lieve juffrouw. Zoo. Dank u.
God zegene u. Goeiennacht, goeiennacht!«
De hevige opwinding van het meisje en de angst voor eenigerlei
ontdekking, die haar bloot zou stellen aan mishandeling, scheen den
ouden heer tot het besluit te brengen, haar wensch in te willigen en van
haar weg te gaan. Het geluid van weggaande voetstappen was te hooren en
de stemmen zwegen.
Spoedig daarop verschenen de gestalten van de jonge dame en haar
metgezel op de brug. Boven aan de trap bleven zij staan.
»Luister!« riep het jonge meisje en luisterde. »Riep daar iemand? Ik
dacht, dat ik haar stem hoorde.«
»Neen lieverd,« antwoordde Mr. Brownlow, terwijl hij een treurigen blik
achter zich wierp. »Ze blijft daar tot we weg zijn.«
Rose Maylie aarzelde nog, maar de oude heer trok haar arm door den zijne
en bracht haar met zacht geweld weg. Terwijl zij heen gingen, zonk Nancy
bijna in haar volle lengte neer op één van de steenen treden en gaf in
bittere tranen uiting aan de angst van haar hart.
Na een poos stond zij op en klom met zwakke, wankele schreden naar de
straat. De verbaasde luisteraar bleef nog eenige minuten onbewegelijk
op zijn post; nadat hij zich door voorzichtige blikken ervan overtuigd
had, dat hij alleen was, sloop hij langzaam uit zijn schuilplaats te
voorschijn en keerde, sluipend in de schaduw van den muur, op dezelfde
wijze terug, als hij naar beneden was gekomen.
Toen Noah Claypole boven was gluurde hij meer dan eens in 't rond om er
zeker van te zijn, dat niemand hem zag; daarop snelde hij zoo spoedig
hij kon heen en ging zoo hard als zijn beenen hem dragen konden, naar
het huis van den Jood.