HOOFDSTUK XLVI.

Nancy houdt zich aan de afspraak.

De kerkklokken sloegen kwart vóór twaalven, toen twee gestalten op

London Bridge verschenen. De ééne, die met vluchtige, snelle schreden

voortliep, was een vrouw; gespannen keek zij om zich heen als verwachtte

zij iets of iemand; de andere was een man, die voortsloop in de diepste

schaduw die hij vinden kon, en op eenigen afstand zijn schreden regelde

naar de hare--als zij bleef staan, bleef hij ook staan en als zij

weer voortging, sloop hij tersluiks voort--maar hij zorgde ervoor,

nooit, in den ijver van zijn vervolging, dichter bij haar te komen.

Zoo gingen zij over de brug van den Middlesex--naar den Surreyoever,

toen de vrouw, blijkbaar teleurgesteld in haar ijverig onderzoeken

van de voorbijgangers, terugkeerde. De beweging was plotseling, maar

de bespieder was op zijn hoede; snel trok hij zich terug in één der

schuilhoeken boven de pijlers van de brug, boog zich over de leuning om

te beter zijn gestalte te verbergen en liet haar op het trottoir aan den

overkant voorbijgaan. Toen zij hem ongeveer evenveel vooruit was als te

voren, gleed hij zachtjes naar beneden en volgde haar opnieuw. Toen zij

bijna midden op de brug was, bleef zij staan. De man bleef ook staan.

Het was een zeer donkere nacht. Het was overdag slecht weer geweest

en op dit uur en op deze plaats kwamen weinig menschen voorbij. Die

er waren liepen haastig voorbij; waarschijnlijk zonder de vrouw of den

man, die haar bespionneerde, te zien--in elk geval zonder acht op hen te

geven. Hun uiterlijk was er niet op berekend de onbelangrijke aandacht

te trekken van dat deel der arme Londensche bevolking, die toevallig

dien avond over de brug kwamen om in een of andere koude portiek

of deurlooze keet een schuilplaats te zoeken, waar zij hun hoofd

konden neerleggen; zij stonden daar zwijgend, zonder iemand van de

voorbijgangers aan te spreken of door hen aangesproken te worden.

Over de rivier hing mist, waarin de roode gloed der vuren op de

vaartuigen, aan de verschillende kaden vastgemeerd, ver-dofte en de

donkere gebouwen aan de oevers te donkerder werden en minder duidelijk

te onderscheiden. Zwaar en somber rezen de oude zwartberookte pakhuizen

boven de dichte warreling van daken en gevels aan beide oevers uit en

blikten ernstig neer in het water, dat zelfs te zwart was om hunne

massieve vormen te weerkaatsen. De torenspitsen van de kerk van den

Heiligen Verlosser en van St. Magnus, sinds zoo lange tijden de

reuzenwachters van de oude brug, waren in den nevel te onderscheiden,

maar het mastbosch stroomafwaarts en de dichte massa torenspitsen

stroomopwaarts waren bijna geheel verborgen voor het gezicht.

Het meisje had eenige malen de brug op en neer geloopen--altijddoor

nauwkeurig waargenomen door haar verborgen achtervolger--toen de zware

klok van de Sint Pauluskerk verkondigde, hoe weer een dag gestorven

was. Middernacht daalde neer op de dichtbevolkte stad. Op paleizen,

nachtkelders, gevangenissen en gekkenhuizen; op jonggeborenen en op

stervenden, op zieken en gezonden; op de stijve gezichten van lijken

en de kalme slaap der kinderen; op die allen daalde de middernacht.

De klok was nog geen twee minuten koud, toen een jonge dame, vergezeld

door een heer met grijs haar, op korten afstand van de brug uit een

huurrijtuig stapten en na het voertuig weggezonden te hebben, recht

de brug op liepen. Ze hadden nauwelijks den voet erop gezet, toen het

meisje opschrikte en onmiddellijk op hen toeliep.

Toen Nancy zich bij hen voegde, keken zij juist onder het voortloopen

om zich heen als menschen die iets verwachten, maar vermoeden, dat hun

verwachting niet in vervulling zal gaan. Zij bleven staan, met een

uitroep van verwondering, dien zij echter terstond onderdrukten, want

een man, gekleed als iemand van buiten de stad, liep op dit oogenblik

dicht langs hen heen, zóó dicht, dat zijne kleeren de hunne raakten.

»Hier niet,« zeide Nancy haastig, »ik ben bang hier met u te spreken.

Kom mee--weg van den publieken weg--die trap af!«

Onder het spreken wees zij met haar hand in de richting waar zij hen

heen wilde hebben; de buitenman keek om zich heen, vroeg op ruwen toon,

waarom zij de heele brug innamen en liep voorbij.

De trap, die Nancy bedoelde, vormde op den Surreyoever en aan denzelfden

kant van de brug als de kerk van den Verlosser, een landingplaats in

de rivier. De man, die er uitzag als een buitenman, sloop hier haastig

heen, zonder opgemerkt te worden; nadat hij de plek in oogenschouw had

genomen, begon hij de trap af te klimmen.

Deze trappen zijn een deel van de brug; ze bestaan uit drie treden.

Juist bij de tweede trede, als men naar beneden gaat links, eindigt de

steenen muur in een zuil die naar de Theems is gekeerd. De lagere treden

worden breeder, zoodat iemand die dezen hoek van den muur omslaat,

onmogelijk gezien kan worden door iemand op het trapje, die boven hem

staat, al is het maar één trede. Toen hij hier was, keek de buitenman

haastig om zich heen; daar hij geen betere schuilplaats zag en er met

't lage getij overvloed van ruimte was, sloop hij ter zijde, drukte

zijn rug tegen de pilaar en wachtte; hij was er vrij zeker van, dat de

anderen niet verder naar beneden zouden gaan en dat, zelfs al kon hij

niet hooren wat zij zeiden, hij hen toch veilig weer zou kunnen volgen.

De tijd ging zoo langzaam voorbij in deze eenzame schuilplaats en

de spion verlangde zoozeer de beweegredenen te leeren kennen van een

samenkomst, die gansch anders was dan wat hij verwachtte, dat hij meer

dan eens op 't punt stond de zaak als verloren te beschouwen en te

denken, òf dat de anderen veel hooger op de trap waren blijven staan, òf

dat zij naar een heel andere plaats waren gegaan voor hun geheimzinnig

onderhoud. Hij was op 't punt uit zijn schuilplaats te voorschijn te

komen en weer op de brug te gaan, toen hij het geluid van voetstappen

hoorde en dadelijk daarop, bijna vlak aan zijn oor, het geluid van

stemmen.

Hij duwde zich rechtop tegen den muur en luisterde opmerkzaam, terwijl

hij nauwelijks ademhaalde.

»Dit is ver genoeg,« zeide een stem, klaarblijkelijk die van den heer.

»Ik vind 't niet goed dat de jonge dame nog verder gaat. Menigeen zou je

niet genoeg vertrouwd hebben om zelfs zoover te komen, maar u ziet, ik

ben bereid uw zin te doen.«

»Mijn zin te doen!« riep de stem van het meisje, dat hij gevolgd had. »U

bent wel goed, heusch meneer. Mijn zin te doen! Nou ja, 't komt er niet

op an.«

»Waarom en met welk doel,« hernam de heer op vriendelijker toon, »kunt u

ons op deze vreemde plek gebracht hebben? Waarom wilde u niet, dat ik

boven met u sprak, waar het licht is en waar menschen in de buurt zijn,

inplaats van ons naar dit donkere, ongelegen oord te brengen?«

»Ik heb u al gezegd,« antwoordde Nancy, »dat ik bang was om daar met u

te praten. Ik weet niet hoe 't komt,« zei het meisje met een huivering,

»maar ik heb vanavond zoo'n gevoel van angst over me, dat ik haast niet

op m'n beenen staan kan.«

»Angst waarvoor?« vroeg de oude heer, die medelijden met haar scheen te

hebben.

»Dat weet ik zelf niet,« antwoordde Nancy. »Ik wou dat ik 't wist. Ik

denk aan allerlei verschrikkelijks: aan dood en aan lijkkleeden met

bloed er op; den heelen dag heb ik die angst gehad; die brandt als vuur

in me.«

»Verbeelding,« zei de oude heer bedarend.

»Geen verbeelding,« hernam het meisje met heesche stem. »Ik kan er een

eed op doen, dat ik »doodkist« in groote zwarte letters geschreven zag

op elke bladzijde van het boek--ja.... en vanavond droegen ze een

doodkist vlak langs me heen.«

»Daar is niets ongewoons in,« zei de oude heer. »Ik ben er zoo dikwijls

een voorbijgegaan.«

»Ja, _een werkelijke_,« viel het meisje in. »Maar dit was geen

werkelijke.«

Er was zoo iets vreemds in den toon waarop zij deze woorden uitte, dat

de verborgen luisteraar een koude huivering voelde en het bloed in

zijn aderen verstijfde. Nooit had iets hem zoo troostend in de ooren

geklonken als de zachte stem van de jonge dame, die Nancy vroeg, toch

kalm te zijn en niet toe te geven aan zulke verschrikkelijke

verbeeldingen.

»U moet haar vriendelijk toespreken,« zeide de jonge dame tot haar

metgezel. »Arm schepsel! Zij schijnt het wel noodig te hebben.«

»Uw hoogmoedige vromen zouden uit de hoogte op me neer hebben gezien

als ik was zooals vanavond en gepreekt hebben van vlammen en wraak,«

riep het meisje. »O, lieve juffrouw, waarom zijn de menschen, die er

op gesteld zijn, Gods uitverkorenen te heeten, niet even vriendelijk en

zacht voor ons arme ellendigen als u? U, die jeugd heeft en schoonheid

en zooveel, dat die vromen verloren hebben, u zoudt met recht trotsch

kunnen zijn inplaats van zooveel nederiger dan zij.«

»Och!« zeide de oude heer. »Een Turk keert zijn gezicht, na het goed

gewasschen te hebben, naar het Oosten als hij bidt; die goede menschen,

waar u over spreekt, wrijven eerst hun gezicht zoo in tegen de wereld,

dat er geen glimlach meer op overblijft en dan keeren zij zich even

zeker als de Turk het naar het Oosten doet, naar den donkersten kant

van den hemel. Als ik kiezen moet tusschen den Muzelman en den

Pharizeeër, dan kies ik den eerste.«

Deze woorden schenen tot de jonge dame gericht te zijn en werden

misschien gesproken met de bedoeling, Nancy tijd te geven, tot zichzelf

te komen. Een oogenblik later wendde de heer zich tot haar.

»U bent den vorigen Zondagavond niet gekomen,« zeide hij.

»Ik kon niet,« antwoordde Nancy, »ik werd met geweld tegengehouden.«

»Door wie?«

»Door den man, waar ik de juffrouw laatst al van verteld heb.«

»Ik hoop toch, dat u niet verdacht werd in verbinding te staan met

iemand met betrekking tot het onderwerp, dat ons hier brengt?« vroeg de

oude heer.

»Neen,« antwoordde het meisje en schudde 't hoofd. »'t Is niet makkelijk

voor me van hem weg te gaan als hij niet weet waarom; ik had de juffrouw

den eersten keer ook niet kunnen spreken, als ik hem, vóór ik wegging,

niet een dosis laudanum had gegeven.«

»Werd hij wakker eer je terug was?« vroeg de heer.

»Neen, en noch hij, noch een van de anderen verdenkt me.«

»Goed. En luister nu naar me.«

»Ik luister,« zei het meisje, toen hij een oogenblik zweeg.

»Deze jonge dame,« begon de oude heer, »heeft aan mij en aan enkele

andere vertrouwde vrienden verteld, wat u haar veertien dagen geleden

gezegd hebt. Ik erken, dat ik eerst twijfelde, of u wel volkomen

betrouwbaar was, maar nu geloof ik vast in u.«

»Dat kunt u doen,« zei het meisje ernstig.

»Ik herhaal, dat ik u volkomen vertrouw. Om u dit te bewijzen, deel ik

u zonder eenig voorbehoud mee, dat wij van plan zijn dien man, dien

Monks, het geheim, wat het ook wezen moge, te ontrukken, door op zijn

vrees te werken. Maar als--als--« hernam de heer, »als we hem niet in

handen kunnen krijgen, of niet van hem te weten kunnen komen wat wij

willen, dan--moet je ons den Jood overleveren.«

»Fagin!« riep het meisje, terugdeinzend.

»Die man moet aan ons door u worden overgeleverd,« zei de heer.

»Dat doe ik niet! Dat doe ik nooit!« antwoordde het meisje. »Ofschoon

hij een duivel is en voor mij erger dan een duivel is geweest, dat doe

ik nooit.«

»U wilt dus niet?« vroeg de oude heer, die dit antwoord scheen te

verwachten.

»Nooit!« antwoordde het meisje.

»Waarom niet?«

»Om één reden,« antwoordde het meisje met vaste stem, »om één reden, die

de dame weet en waarin zij aan mijn kant zal staan; ik weet, dat zij dat

doen zal, want ik heb haar belofte; en dan ook om deze reden, dat, al

heeft hij een slecht leven geleid, ik ook een slecht leven geleid heb;

velen van ons zijn te zamen denzelfden weg gegaan en ik wil hen niet

verraden, terwijl zij, zij allen, mij hadden kunnen verraden, maar het

nooit deden, hoe slecht zij ook zijn mogen.«

»Welnu,« zei de oude heer snel, alsof dit het punt was, dat hij verlangd

had te bereiken, »lever dan Monks in mijn handen en laat aan ons over

wat wij met hem doen willen.«

»En als hij de anderen verraadt?«

»Ik beloof u, dat de zaak in dat geval, zoodra wij de waarheid uit hem

hebben gekregen, verder zal blijven rusten; in Oliver's geschiedenis

moeten omstandigheden wezen, die niet zonder pijnlijke onthullingen aan

't licht zijn te brengen; als de waarheid eenmaal aan den dag is, zullen

de anderen vrij uitgaan.«

»En als de waarheid niet aan 't licht komt?«

»Dan,« ging de oude heer voort, »zal Fagin toch nooit zonder uw

toestemming voor 't gerecht gebracht worden. In dat geval zou ik u

redenen kunnen aantoonen, waarvoor u zwichten zoudt.«

»Wil de juffrouw mij daarop ook haar woord geven?« vroeg het meisje.

»Ja,« antwoordde Rose. »Mijn eerlijk woord.«

»Zal Monks nooit vernemen hoe u weet wat u weet?« vroeg Nancy na kort

zwijgen.

»Nooit,« antwoordde de oude heer. »Wij zullen het zoo aanleggen, dat hij

het zelfs nooit vermoeden zal.«

»Ik ben een leugenaarster geweest en heb van kindaf onder leugenaars

geleefd,« zei Nancy na een nieuwe stilte, »maar ik zal u op uw woord

gelooven.«

Nadat zij van beiden de verzekering had ontvangen, dit veilig te kunnen

doen, sprak zij verder met zóó zachte stem, dat het den luisteraar

dikwijls moeielijk viel zelfs te begrijpen, waarover zij sprak, en

beschreef den naam en de ligging van de herberg, waar zij dien avond

bespied was. De wijze waarop zij nu en dan ophield, wees er op, dat de

oude heer enkele haastige aanteekeningen maakte van wat zij vertelde.

Nadat zij nauwkeurig het uiterlijk van de herberg had beschreven, de

beste plek vanwaar men er het oog op had, zonder de aandacht te trekken,

en de avond en het uur waarop Monks er gewoonlijk kwam, scheen zij een

oogenblik na te denken met het doel zijn gezicht en uiterlijke

verschijning duidelijker in haar geheugen terug te roepen.

»Hij is lang,« zei het meisje, »en een stevig gebouwde man, maar niet

dik; hij heeft een onvasten gang en kijkt onder het loopen voortdurend

over zijn schouder, dan over de ééne en dan over de andere. Vergeet dit

niet, want zijn oogen liggen zooveel dieper in zijn hoofd dan bij iemand

anders, dat je hem bijna alleen al daaruit kunt herkennen. Zijn gezicht

is donker van tint evenals zijn haar en zijn oogen; ofschoon hij niet

ouder dan zes- of acht en twintig jaar kan zijn, ziet hij er vervallen

en afgeleefd uit. Zijn lippen zijn dikwijls bleek en vol tand-indrukken,

want hij heeft hevige toevallen en bijt zich soms in zijn handen tot

zij vol wonden zijn. Waar schrikt u van?« vroeg het meisje en zweeg

plotseling.

De oude heer antwoordde op haastigen toon, dat hij er zich niet van

bewust was en verzocht haar, voort te gaan.

»Ik heb deze dingen voor een deel van andere menschen uit de herberg

gehoord,« hernam Nancy, »ik zelf heb hem maar tweemaal gezien en beide

keeren was hij in een wijden mantel gewikkeld. Ik geloof, dat dit alles

is wat ik zeggen kan, om hem door u te doen herkennen. Nee wacht,«

voegde zij er bij. »In zijn hals, zoo hoog, dat een deel er van uit zijn

halsdoek komt als hij zijn hoofd omkeert, is een....«

»Een breed rood lidteeken als een brandwond?« riep de oude heer uit.

»Wat?« zei het meisje. »Kent u hem?«

De jonge dame stootte een kreet van verbazing uit en gedurende eenige

oogenblikken waren zij zóó stil, dat de luisteraar hunne ademhaling

duidelijk kon hooren.

»Ik geloof het wel,« zei de oude heer, de stilte verbrekend. »Naar

uw beschrijving te oordeelen. We zullen zien. Veel menschen lijken

verwonderlijk veel op elkaar. Misschien is het niet dezelfde man.«

Terwijl hij dit schijnbaar onverschillig zeide, kwam hij een paar

stappen dichter bij den verborgen spion, wat deze op kon maken uit de

duidelijkheid, waarmede hij hem kon hooren mompelen: »Hij moet 't zijn!«

»Nu,« zeide hij en keerde, naar het geluid te oordeelen, naar de plaats

terug, waar hij te voren gestaan had, »u heeft ons een heel grooten

dienst bewezen en ik zou graag in ruil iets voor u willen doen. Wat kan

ik voor u doen?«

»Niets,« antwoordde Nancy.

»Dat meent u toch niet,« hernam de oude heer met een stem en op een toon

zóó vol vriendelijkheid, dat een veel harder en verstokter gemoed er

door geroerd zou worden.

»Denk eens na. Toe, zeg 't me.«

»Niets meneer,« herhaalde het meisje schreiend. »U kunt niets doen om

mij te helpen. Voor mij is werkelijk alle hoop verloren.«

»U wijst zelf de hoop af,« zei de oude heer. »Het verleden is voor u

een treurige verspilling geweest van uw jeugdige krachten; u heeft

de onberekenbare schatten weggeworpen, die de Schepper maar eenmaal

verleent en nooit weer geeft; maar u moogt hopen op de toekomst. Ik zeg

niet, dat het in onze macht staat, vrede te brengen in uw hart en uw

geest; die komen alleen als u ze zoekt; maar het is ons mogelijk en

het is onze vurige wensch, u een rustig toevluchtsoord te verschaffen,

hetzij in Engeland, of, als u bang bent, hier te blijven, in een ander

land. Eer de morgen aanbreekt, eer de rivier ontwaakt in den eersten

schijn van het daglicht, zult u zóó volkomen en zonder eenig spoor na

te laten buiten het bereik zijn van uw vroegere levensgezellen, alsof

u op ditzelfde oogenblik van de aarde verdween. Kom! Ik wil niet, dat u

teruggaat en nog één woord met één uwer vroegere metgezellen wisselt of

nog één blik slaat op de plek, waar u gewoond hebt, of de lucht inademt,

die verderf en dood is voor u. Verlaat dat alles, nu er tijd en

gelegenheid voor is!«

»Nu zal ze wel overtuigd zijn,« riep de jonge dame uit. »Ze weifelt, dat

weet ik zeker.«

»Ik vrees van niet, lieverd,« zei de oude heer.

»Neen mijnheer, ik weifel niet,« hernam het meisje na een korten

tweestrijd. »Ik ben gekluisterd aan mijn oude leven. Ik haat en verfoei

het nu, maar ik kan er niet van los komen. Ik moet te ver gegaan zijn

om terug te keeren--en toch, ik weet niet, maar als u een poos geleden

zoo tot mij gesproken had, zou ik het weggelachen hebben. Maar,« zeide

zij, haastig om zich heen ziende, »nu komt die angst weer over me. Ik

moet naar huis.«

»Naar huis!« herhaalde het jonge meisje met grooten nadruk op het woord.

»Naar huis juffrouw,« herhaalde het meisje. »Naar het tehuis, dat ik

voor mijzelf heb opgericht, waar ik mijn heele leven voor heb gewerkt.

Laat ons afscheid nemen. Ik zal worden nagegaan of gezien. Ga weg! Ga

weg! Als ik u werkelijk een dienst heb bewezen, is alles wat ik vraag,

dat u mij alleen laat en mij mijn eigen weg laat gaan.«

»Het is vergeefs,« zei de oude heer met een zucht. »Door hier te blijven

brengen wij haar veiligheid misschien in gevaar. Misschien hebben wij

haar al langer opgehouden dan zij verwacht had.«

»Ja, ja,« stootte het meisje uit. »Dat hebt u.«

»Wat zal het einde zijn van 't leven van dit arme schepseltje?« riep

Rose uit.

»Wat?« herhaalde Nancy. »Kijk eens voor u uit, juffrouw. Kijk naar dat

donkere water. Hoe dikwijls leest u niet van schepsels als ik, die in

de golven springen en geen levend wezen achterlaten om haar verlies te

betreuren. 't Kan over jaren gebeuren of misschien over maanden, maar

ten slotte zal het daar toe komen.«

»Toe, spreek zoo niet,« zei Rose snikkend.

»Uw ooren zullen het nooit vernemen, juffrouw, en God verhoede dat u het

hooren zoudt!« hernam het meisje. »Goeiennacht! Goeiennacht!«

De heer keerde zich om.

»Deze beurs,« zei de jonge dame. »Neem die aan om mijnentwil, zoodat u

in een uur van nood eenige hulp zult hebben.«

»Neen! Ik heb dit niet voor geld gedaan. Laat mij die gedachte

behouden. En toch--geef mij iets, dat u heeft gedragen--ik wou graag

iets hebben--neen, geen ring--uw handschoenen of uw zakdoek--iets, dat

ik bewaren kan, omdat het van u is geweest, lieve juffrouw. Zoo. Dank u.

God zegene u. Goeiennacht, goeiennacht!«

De hevige opwinding van het meisje en de angst voor eenigerlei

ontdekking, die haar bloot zou stellen aan mishandeling, scheen den

ouden heer tot het besluit te brengen, haar wensch in te willigen en van

haar weg te gaan. Het geluid van weggaande voetstappen was te hooren en

de stemmen zwegen.

Spoedig daarop verschenen de gestalten van de jonge dame en haar

metgezel op de brug. Boven aan de trap bleven zij staan.

»Luister!« riep het jonge meisje en luisterde. »Riep daar iemand? Ik

dacht, dat ik haar stem hoorde.«

»Neen lieverd,« antwoordde Mr. Brownlow, terwijl hij een treurigen blik

achter zich wierp. »Ze blijft daar tot we weg zijn.«

Rose Maylie aarzelde nog, maar de oude heer trok haar arm door den zijne

en bracht haar met zacht geweld weg. Terwijl zij heen gingen, zonk Nancy

bijna in haar volle lengte neer op één van de steenen treden en gaf in

bittere tranen uiting aan de angst van haar hart.

Na een poos stond zij op en klom met zwakke, wankele schreden naar de

straat. De verbaasde luisteraar bleef nog eenige minuten onbewegelijk

op zijn post; nadat hij zich door voorzichtige blikken ervan overtuigd

had, dat hij alleen was, sloop hij langzaam uit zijn schuilplaats te

voorschijn en keerde, sluipend in de schaduw van den muur, op dezelfde

wijze terug, als hij naar beneden was gekomen.

Toen Noah Claypole boven was gluurde hij meer dan eens in 't rond om er

zeker van te zijn, dat niemand hem zag; daarop snelde hij zoo spoedig

hij kon heen en ging zoo hard als zijn beenen hem dragen konden, naar

het huis van den Jood.

De avonturen van Oliver Twist · 第 106 / 118 题