HOOFDSTUK XLV.

Noah Claypole wordt door Fagin voor een geheime zending gebruikt.

De oude man was den volgenden morgen bijtijds op en wachtte ongeduldig

op de komst van zijn nieuwen leerling; eindelijk, na een wachttijd, die

eindeloos scheen, verscheen hij en viel met woede op het ontbijt aan.

»Bolter,« zeide Fagin, trok een stoel bij de tafel en ging tegenover

Morris Bolter zitten.

»Hier ben ik,« antwoordde Noah. »Wat is er? Vraag me niet om wat uit te

voeren eer ik gegeten heb. Dat is een groote fout hier. Je hebt nooit

tijd genoeg om te eten.«

»Je kan toch wel praten terwijl je eet?« vroeg Fagin en verwenschte de

gulzigheid van zijn lieven jongen vriend uit den grond van zijn hart.

»O jawel, ik kan wel praten. 't Gaat zelfs beter onder 't praten,« zei

Noah en sneed zich een reusachtige snee brood af. »Waar is Charlotte?«

»Uit,« zei Fagin. »Ik heb haar vanmorgen met de andere vrouwen

uitgestuurd omdat ik jou alleen wou spreken.«

»O!« zei Noah. »Ik wou dat je haar gezegd had, eerst wat brood in boter

te roosteren. Nou. Praat maar op. Je hindert me niet.«

Er scheen werkelijk niet veel vrees voor te bestaan, dat iets Noah

hinderen zou, nu hij klaarblijkelijk was gaan zitten met het plan zich

flink te goed te doen.

»Je hebt je gisteren best gehouden, jongen,« zeide Fagin. »Prachtig! Zes

shillings en negen pence den eersten dag de beste! Je zal je fortuin nog

maken met de kinderen.«

»Vergeet niet de drie pint-kruiken en de melkkan,« zei Mr. Bolter.

»Nee, nee; die kruiken waren een goed stukje, maar die melkkan was

bepaald een meesterstuk.«

»Ja, ik geloof, dat dat niet kwaad was voor een beginneling,« merkte Mr.

Bolter zelfvoldaan op. »De kruiken nam ik weg van een stalletje en de

melkkan stond alleen buiten vóór een herberg. Ik was bang, dat ze

roestig zou worden door den regen of kou zou vatten, ziet u. Hoe is ie?

Ha! ha! ha!«

Fagin deed, of hij hartelijk lachte; toen Mr. Bolter uitgelachen had,

nam hij achter elkaar eenige flinke happen, waarmee zijn eerste dikke

boterham verdween, zoodat hij aan de tweede kon beginnen.

»Bolter,« zei Fagin, zich over de tafel buigend, »ik wou, dat je een

werkje voor mij opknapte, dat groote voorzichtigheid en zorg vereischt.«

»Nou,« wierp Bolter tegen, »als je me maar niet in gevaar brengt of me

weer naar één van jullie politie-bureaux stuurt. Dat bevalt me niet;

dat bevalt me heelemaal niet, zeg ik je.«

»Er is niet het minste gevaar bij--niet het minste of geringste,« zei de

Jood; »je hebt alleen een vrouw in 't oog te houden.«

»'n Ouwe vrouw?« vroeg Mr. Bolter.

»'n Jonge,« antwoordde Fagin.

»Dat kan ik vrij goed, geloof ik,« zei Bolter; »toen ik nog op school

ging, wist ik zoo iets al op te knappen. En waarom moet ik haar in 't

oog houden? Toch niet om--«

»Nergens om; alleen maar om mij te zeggen, waar ze heengaat, wie ze

spreekt en zoo mogelijk, wat ze zegt; om de straat te onthouden als het

een straat is of het huis als 't een huis is en mij zooveel inlichtingen

te geven als je kan.«

»En wat geef je dervoor?« vroeg Noah, terwijl hij zijn kopje neerzette

en zijn baas gespannen aankeek.

»Als je 't goed doet, krijg je een pond, beste jongen. Eén heel pond,«

zeide Fagin, die den ander zoo happig mogelijk wilde maken. »Ik heb nog

nooit zooveel betaald voor een karweitje, waar eigenlijk niets van

belang bij te winnen is.«

»Wie is zij?« vroeg Noah.

»Eén van de onzen.«

»O zoo!« riep Noah en stak zijn neus in den wind. »Je vertrouwt haar

niet, hé?«

»Ze heeft nieuwe vrienden gevonden, jongen, en ik moet weten wie het

zijn,« antwoordde Fagin.

»Ik begrijp er alles van,« zeide Noah. »Om 't genoegen te hebben, ze ook

te kennen, als het eerzame menschen zijn? Ha! ha! ha! Ik ben je man.«

»Dat wist ik wel,« viel Fagin in, verrukt nu zijn voorstel zoo insloeg.

»Natuurlijk, natuurlijk,« hernam Noah. »Waar is zij? Waar moet ik naar

haar uitkijken? Waar moet ik heengaan?«

»Dat alles zal je nog van me hooren. Als 't tijd is, zal ik je haar

wijzen,« zeide Fagin. »Je hebt je maar klaar te houden en laat de rest

aan mij over.«

Dien avond en den volgenden en den daaropvolgenden zat de spion,

gelaarsd en uitgedoscht in zijn voermanskleeren, gereed op een woord van

Fagin er op uit te gaan.

Zes avonden gingen voorbij--zes lange, vervelende avonden--en telkens

kwam Fagin thuis met teleurgesteld gezicht en het korte bericht, dat het

nog geen tijd was. Op den zevende kwam hij vroeger terug en met een

vreugde die hij nauwelijks wist te verbergen. Het was Zondag.

»Vanavond gaat zij er op uit,« zeide Fagin, »en met het rechte doel, dat

weet ik wel zeker; zij is den heelen dag alleen geweest en de man, waar

zij zoo bang voor is, komt niet voor het aanbreken van den dag thuis.

Kom mee. Gauw.«

Zonder een woord te zeggen, sprong Noah op, want de Jood verkeerde in

zulke hevige opgewondenheid, dat hij er door werd aangestoken. Tersluiks

verlieten zij het huis, liepen haastig door een doolhof van stegen en

kwamen eindelijk vóór een herberg, die Noah herkende als dezelfde, waar

hij den nacht van zijn aankomst in Londen had geslapen. Het was over

elven en de deur was gesloten. Toen Fagin zachtjes floot draaide de deur

zacht op zijn hengsels. Geruchtloos gingen ze binnen en de deur werd

achter hen gesloten.

Fagin en de jonge Jood, die hen binnen had gelaten, waagden het

nauwelijks te fluisteren. Hun woorden door stomme gebaren aanvullend,

wezen zij Noah het glasruitje en beduidden hem naar boven te klimmen en

de vrouw in het kamertje ernaast op te nemen.

»Is dat de vrouw?« vroeg hij en de woorden klonken bijna niet luider dan

een ademtocht.

Fagin knikte ja.

»Ik kan haar gezicht niet goed zien,« fluisterde Noah. »Ze kijkt naar

beneden en de kaars staat achter haar.«

»Blijf daar,« fluisterde Fagin. Hij gaf een wenk aan Barney, die de

kamer uitging. Een oogenblik later kwam de jongen het kamertje binnen;

onder voorwendsel de kaars te snuiten, schoof hij ze in de gewenschte

richting; toen sprak hij het meisje aan, waardoor zij het hoofd ophief.

»Nu zie ik haar,« zei de spion.

»Duidelijk?«

»Ik zou haar onder duizenden herkennen.«

Hij kwam haastig naar beneden, terwijl het kamertje openging en het

meisje naar buiten kwam. Fagin trok hem achter een afgeschoten hoek,

waar een gordijn voor hing en zij hielden den adem in, terwijl Nancy op

een paar voet afstand van hun schuilplaats voorbij kwam en naar buiten

ging door de deur, waardoor zij waren binnengekomen.

»Pst!« riep de jongen, die de deur openhield. »Dou!«

Noah wisselde een blik met Fagin en snelde naar buiten.

»Naar links,« fluisterde de jongen, »ga links af en houd de overkant van

de straat.«

Noah deed het; bij het licht van de straatlantarens zag hij de gestalte

van het meisje alreeds op eenigen afstand voor hem uit. Hij kwam zoo

dicht achter haar als de voorzichtigheid toeliet en bleef aan den

overkant van de straat om beter op haar bewegingen te kunnen letten.

Twee of driemaal keek zij zenuwachtig om zich heen en bleef eenmaal

staan om twee mannen, die dicht achter haar liepen, voorbij te laten

gaan. Onder het voortgaan scheen haar moed aan te groeien, want zij

begon met flinker, vaster tred te loopen. De spion behield steeds

denzelfden afstand tusschen hen beiden en bleef haar onder het voortgaan

bespieden.

De avonturen van Oliver Twist · 第 105 / 118 题