HOOFDSTUK XLIV.

De tijd breekt voor Nancy aan, om haar belofte aan Rose Maylie te

vervullen--het mislukt.

Hoezeer zij ook vertrouwd was met alle kunsten van sluwheid en

huichelarij, kon Nancy toch niet geheel en al den indruk verbergen,

waarmede het bewustzijn van den gedanen stap haar geest vervulde. Zij

bedacht, hoe zoowel de sluwe Jood als de ruwe Sikes haar plannen hadden

toevertrouwd, die zij voor alle anderen verborgen hielden en dat in

volle overtuiging dat zij te vertrouwen was en buiten alle verdenking.

Die plannen waren gemeen, de uitdenkers ervan ellendelingen en haar

gevoelens tegenover Fagin vol bitterheid; hij toch had haar van stap tot

stap al dieper in een afgrond van misdaad en schande gevoerd, tot geen

ontsnapping meer mogelijk was; toch waren er oogenblikken waarin zij

zelfs tegenover hem iets als berouw voelde, als het gebeuren mocht dat

haar onthullingen hem binnen den ijzeren greep zouden voeren, waaraan

hij zoo lang was ontkomen en hij ten laatste door haar hand zou vallen,

hoezeer hij zulk een lot ook verdiend had.

Doch dit waren niets dan vluchtige gedachten, die telkens in haar

opkwamen, omdat zij niet in staat was zich geheel van oude metgezellen

en oude toestanden los te maken, hoezeer zij ook haar denken op één doel

richtte en vastbesloten was zich door geen enkele overweging op een

dwaalspoor te laten leiden. Haar angst voor het lot van Sikes zou

krachtiger aansporing voor haar zijn, terug te gaan nu het nog tijd was;

maar zij had bedongen, dat haar geheim stipt bewaard zou blijven, ze had

geen enkele leiddraad in handen gegeven, die tot zijn ontdekking kon

voeren, zij had zelfs ter wille van hem geweigerd uit alle schuld en

ellende, die haar omringde, gered te worden--wat kon zij meer doen! Haar

besluit stond vast.

Ofschoon haar innerlijke strijd altijd weer eindigde met dit besluit,

kwam die strijd toch telkens terug en liet zijn sporen achter. In enkele

dagen werd zij bleek en mager. Dikwijls merkte zij niet op, wat om haar

heen gebeurde, of nam geen deel aan gesprekken, waarbij zij vroeger de

luidruchtigste zou geweest zijn. Op andere oogenblikken lachte zij

zonder vroolijkheid en was druk zonder eenige reden. Dan weer--dikwijls

vlak daarop--zat zij stil en neerslachtig met 't hoofd in de handen te

peinzen, en de moeite, waarmee zij zich dwong, anders te zijn, getuigde

duidelijker dan al de overige teekens van haar innerlijke onrust en

hoezeer haar gedachten zich bezig hielden met dingen, geheel

verschillend en veraf van die, waar haar metgezellen over spraken.

Het was Zondagavond en de klok van de naastbijzijnde kerk sloeg het

uur. Sikes en de Jood spraken samen, maar zwegen een oogenblik om

te luisteren. Het meisje keek op van den lagen stoel, waarop zij

ineengehurkt zat, en luisterde ook. Elf uur.

»Over 'n uur is 't middernacht,« zei Sikes; hij schoof het luik een

eindje op om naar buiten te kijken en ging toen weer naar zijn stoel

terug. »Donker en betrokken lucht. 'n Goede nacht voor 't werk.«

»Ja!« antwoordde Fagin. »Wat jammer Bill, beste jongen, dat we niets aan

de hand hebben.«

»Voor deze keer heb je gelijk,« zei Bill norsch. »'t Is jammer, want ik

heb net goeie zin.«

Fagin zuchtte en schudde treurig 't hoofd.

»We moeten onzen verloren tijd inhalen als wij de zaak weer op gang

hebben. Dat 's alles wat ik ervan zeggen kan,« zei Sikes.

»Juist,« viel Fagin in en waagde het, Sikes op den schouder te kloppen.

»'t Doet me goed, je dat te hooren zeggen.«

»Zoo.... doet 't jou goed?« riep Sikes. »Nou, laat 't dan gebeuren.«

»Ha! ha! ha!« lachte Fagin, als verlicht door deze belofte. »Vanavond

ben je weer de oude, Bill! Heelemaal de oude.«

»Ik voel me niet de oude als je die magere oude klauw op mijn schouder

legt; neem die weg,« zei Sikes, de hand van den Jood weggooiend.

»'t Maakt je zenuwachtig. Bill--'t geeft je 'n gevoel of je gesnapt

wordt hè?« zei Fagin, die besloten was, niets kwalijk te nemen.

»Ja, of de duivel me te pakken heeft,« bromde Sikes. »Der heeft nog

nooit een man bestaan met zoo'n gezicht als jij, of 't moest je vader

zijn geweest en ik denk, dat hij zijn grijs-roode baard nu wel schroeit

bij 't hellevuur; maar misschien stam je recht van den duivel af zonder

vader als tusschenpersoon: dat zou me niets verwonderen.«

Fagin beantwoordde dit compliment niet; hij trok Sikes bij zijn mouw en

wees naar Nancy, die gebruik maakte van dit gesprek om haar muts op te

zetten en juist de kamer wilde uitgaan.

»Hallo!« riep Sikes. »Nance, waar gaat de tocht heen op dit uur van den

nacht.«

»Niet ver.«

»Wat is dat voor een antwoord?« viel Sikes uit. »Waar ga je naar toe?«

»Ik zeg toch niet ver.«

»En ik zeg waar naar toe?« wierp Sikes tegen. »Hoor je niet?«

»Ik weet niet waar naar toe,« antwoordde het meisje.

»Dan weet ik 't,« zei Sikes, meer uit koppigheid dan omdat hij er

werkelijk iets op tegen had, dat het meisje gaan zou waarheen ze lust

had. »Jij gaat nergens heen. Ga zitten.«

»Ik voel me niet lekker. Dat heb ik je al gezegd,« zei het meisje. »Ik

moet een luchtje scheppen.«

»Steek je hoofd uit 't raam,« zei Sikes.

»Dat geeft niet. Ik moet op straat een luchtje scheppen.«

»Dat zal je niet,« antwoordde Sikes. Bij deze woorden stond hij op,

sloot de deur, nam den sleutel er uit, trok de muts van haar hoofd en

gooide ze boven op een oude kast.

»Daar,« zei de roover. »En blijf nou stilletjes waar je bent, hoor!«

»Een muts zal mij niet tegenhouden,« zei het meisje, bleek wordend. »Wat

wil je, Bill? Weet je wat je doet?«

»Weten wat ik--O!« riep Sikes, terwijl hij zich tot Fagin wendde, »ze is

gek geworden, anders zou ze dat niet durven zeggen.«

»Je drijft me tot iets wanhopigs,« mompelde het meisje; zij drukte beide

handen tegen haar borst als om haar bange ontroering te bedwingen. »Laat

me gaan--dadelijk!«

»Nee!« zei Sikes.

»Zeg, dat hij me moet laten gaan, Fagin. Hij moet 't doen. 't Is beter

voor hem. Versta je me niet?« riep Nancy en stampte met haar voet op den

grond.

»Je verstaan!« herhaalde Sikes en keerde zich in zijn stoel om, om haar

aan te kijken. »Jawel! En als ik je nog een halve minuut verstaan moet,

zal de hond die schreeuwstem wel uit je keel halen. Wat mankeert je,

slet? Wat is er?«

»Laat me gaan,« zei Nancy met diepen ernst; ze ging op den grond voor de

deur zitten en zeide: »Bill, laat me gaan; je weet niet, wat je doet.

Heusch, je weet 't niet. Eén uurtje maar--toe!«

»Je mag m'n beenen één voor één breken,« riep Sikes, haar ruw bij den

arm grijpend, »als ik niet geloof, dat de meid stapelgek is geworden.

Sta op!«

»Niet vóór je mij gaan laat--niet vóór je mij gaan laat; nooit--nooit!«

schreeuwde het meisje. Sikes bleef een minuut lang naar haar kijken;

toen hij zijn kans schoon zag, greep hij haar handen vast als in boeien

en sleepte haar al worstelend en wringend naar een klein kamertje er

naast; hier ging hij op een bank zitten, drukte haar in een stoel en

hield haar met kracht neer. Zij worstelde en smeekte om beurten, tot

de klok twaalf had geslagen; toen, moe en uitgeput, roerde zij het punt

niet meer aan. Met een vermaning, gesteund door vele vloeken, niet meer

te probeeren dien nacht uit te gaan, liet Sikes haar alleen om tot

zichzelf te komen en ging weer naar Fagin.

»Ph!« zei de inbreker, terwijl hij zich 't zweet van het gezicht

wischte. »Wat 'n gekke meid is dat!«

»Dat zeg jij Bill,« zei Fagin peinzend. »Dat zeg jij.«

»Waarom haalde ze 't in haar hoofd, vanavond uit te willen gaan?« vroeg

Sikes. »Kom, jij moet haar beter kennen dan ik. Wat beteekent dat?«

»Koppigheid, de koppigheid van een vrouw, denk ik.«

»Ja, dat denk ik ook,« gromde Sikes. »Ik dacht, dat ik haar getemd had,

maar ze is even erg als vroeger.«

»Erger,« zeide Fagin peinzend. »Ik heb haar nooit om zoo'n kleinigheid

zóó gezien.«

»Ik ook niet,« zei Sikes. »Ik denk, dat ze nog een tikje van die koorts

in haar bloed hêt, die niet naar buiten wil komen?«

»Dat kan.«

»Ik zal haar een beetje bloed aftappen, zonder er een dokter bij te

halen, als ze weer zulke kunsten begint,« zei Sikes.

Fagin knikte bij wijze van volkomen goedkeuring voor deze behandeling.

»Toen ik op mijn rug lag, hing ze dag en nacht om me heen, en jij, wolf

met je zwarte ziel, bleef weg,« zei Sikes. »We leden armoe ook al dien

tijd en ik denk, dat 't haar op een of andere manier moe en kregel heeft

gemaakt; ze is onrustig na zoo lang opgesloten gezeten te hebben--nou?«

»Dat zal 't zijn,« zei de Jood fluisterend. »St!«

Terwijl hij sprak, kwam Nancy binnen en nam haar vorige plaats weer in.

Haar oogen waren gezwollen en rood; ze schoof heen en weer, schudde haar

hoofd en barstte na een oogenblik in lachen uit.

»Daar! nou hebben we dàt weer!« riep Sikes en wisselde een blik vol

verwondering met zijn metgezel.

Fagin wenkte hem, nu niet verder op haar te letten; na een paar minuten

verviel het meisje in haar gewone doen. Fagin fluisterde Sikes in, hoe

hij niet bang hoefde te zijn, dat zij ontsnappen zou, nam zijn hoed en

wenschte hem goedennacht. Bij de kamerdeur bleef hij even staan, keek

rond en vroeg of iemand hem de trap af kon bijlichten.

»Licht hem bij,« zei Sikes, die bezig was zijn pijp te stoppen. »'t Zou

jammer zijn, als hijzelf zijn nek brak zonder toeschouwers om 't aan te

zien. Licht hem bij.«

Nancy volgde met een kaars den ouden man naar beneden. Toen zij in de

gang waren, legde hij den vinger op de lippen, schoof dicht naar het

meisje toe en fluisterde:

»Wat is er Nancy, meidlief?«

»Wat bedoel je?« vroeg Nancy op denzelfden toon.

»Hoe dat allemaal komt?« antwoordde Fagin. »Als _hij_«--zijn

skeletachtige wijsvinger wees naar boven boven--»je zoo hard behandelt,

(hij is een verschrikkelijke kerel Nance, een ruw beest) waarom--?«

»Nou?« vroeg Nancy, toen Fagin zweeg met zijn mond bijna tegen haar oor

en zijn oogen in de hare.

»'t Doet er niet toe,« zei Fagin. »We zullen er nog wel eens over

praten. Ik ben je vriend, Nance, je trouwe vriend. Ik heb de middelen

bij de hand, stil en zonder dat iemand 't merkt. Als je wraak wil nemen

op wie je dreigen of je 'n hond bent--'n hond! nee erger dan zijn hond,

want voor die is hij soms vriendelijk--kom dan bij mij. Kom bij mij. Je

kent hem pas kort, maar mij ken je van ouds, Nance.«

»Ik ken je door en door,« antwoordde het meisje, zonder eenige

ontroering te doen blijken. »Goeiennacht.«

Zij schrikte terug, toen Fagin zijn hand naar de hare uitstak, maar

wenschte nogmaals met vaste stem goedennacht; zijn afscheidsblik

beantwoordde zij met een blik van verstandhouding en sloot de deur.

Fagin ging terug naar zijn eigen huis, geheel verdiept in de gedachten,

die in zijn hersens werkten.

Hij was op het denkbeeld gekomen--niet door wat zooeven gebeurd was,

ofschoon dit zijn overtuiging versterkt had, maar langzamerhand--dat

Nancy, de ruwheid van den inbreker moe, zich een of anderen nieuwen

vriend had gekozen. Haar veranderde manier van doen, haar herhaald

alleen uitgaan, de onverschilligheid, die zij toonde voor de belangen

van de bende, waar zij vroeger zoo ijverig aan deelnam, en daarbij

gevoegd haar wanhopig verlangen, dien avond op een bepaald uur uit huis

te gaan, alles sprak voor de onderstelling en maakte deze, ten minste

voor hem, bijna tot zekerheid.

Het voorwerp van deze nieuwe genegenheid behoorde niet tot zijn bende.

Met zulk een hulp als Nancy zou die man een waardevol deelgenoot kunnen

zijn en Fagin moest zich onverwijld van hem verzekeren.

Nog een ander, duisterder doel zweefde Fagin voor. Sikes wist te veel en

zijn schurkachtige plagerijen hadden Fagin niet minder gekwetst, omdat

de wonden verborgen bleven. Het meisje wist natuurlijk maar al te goed,

dat zij, als ze zich van hem losmaakte, nooit veilig zou zijn voor zijn

woede en dat deze zeker zou neerkomen--in den vorm van verminking of

misschien met verlies van leven--op het voorwerp van haar laatste

genegenheid. »Een beetje drang,« dacht Fagin, »en ze zal er best toe

over te halen zijn, hem te vergiftigen. Vrouwen hebben wel meer zulke

en erger dingen gedaan om hetzelfde doel te bereiken. Daarmee zou die

gevaarlijke schurk--de man dien ik haat--uit den weg zijn geruimd; een

ander in zijn plaats aan mij verbonden en mijn invloed op de meid

grooter dan ooit, als ik van de misdaad weet.«

Deze dingen gingen Fagin door het hoofd in den korten tijd, dat hij

alleen in Sikes' kamer zat, en met deze gedachten nog in zijn brein,

had hij later de gelegenheid waargenomen om bij 't afscheid aan het

meisje de onsamenhangende wenken te geven. Er was geen uitdrukking van

verwondering, noch vertoon van niet begrijpen zijner bedoeling bij haar

geweest. Nancy begreep hem volkomen. Dat zeiden haar oogen toen hij

wegging.

Maar misschien deinsde zij ervoor terug, Sikes het leven te benemen

en dit was toch één der voornaamste doeleinden die hij wenschte te

bereiken. »Hoe?« dacht Fagin, terwijl hij naar huis sloop, »kan ik meer

invloed op haar krijgen? Welk nieuw machtsmiddel kan ik te baat nemen?«

Een brein als dat van Fagin is vindingrijk in het uitdenken van

middelen, die tot zijn doel leiden. Als hij, zonder van haarzelf een

bekentenis te vragen, haar liet bespieden, ontdekte op wien zij haar

zinnen had gezet en dreigde, de geheele geschiedenis aan Sikes te

vertellen (voor wien zij buitengewoon bang was) tenzij zij op zijn

plannen inging, kon hij haar dan niet tot zijn medeplichtige maken?

»Dat kan,« zeide Fagin bijna hardop. »Dan zal zij 't niet durven

weigeren. Al ging het om haar leven, al ging het om haar leven! Ik heb

't allemaal voor mekaar! De middelen zijn klaar en kunnen aan 't werk

gezet worden. Ik zal je wel krijgen!«

Hij wierp een duisteren blik achter zich en maakte een dreigende

beweging met de hand in de richting van de plek, waar hij den ruweren

schurk had achtergelaten; verder ging hij, met zijn beenige handen in de

plooien van zijn versleten kleeren woelend en ze vast knijpend in zijn

greep, alsof hij met elke beweging van zijn vingers een gehaten vijand

worgde.

De avonturen van Oliver Twist · 第 104 / 118 题