Waarin wordt verteld, hoe de Slimme Vos er in vloog.
»En dus was u uw eigen vriend?« vroeg Mr. Claypole, anders genaamd
Bolter, toen hij tengevolge van de overeenkomst, tusschen hen gesloten,
den volgenden dag naar Fagin's woning verhuisd was. »Stommert die ik
ben, maar ik dacht 't gisteravond toch al half!«
»Iedereen is zijn eigen vriend, beste jongen,« antwoordde Fagin met
zijn innemendsten grijns. »Hij heeft nergens een beteren vriend dan
zichzelf.«
»Soms toch niet,« hernam Morris Bolter, terwijl hij het voorkomen aannam
van een man, die de wereld kent. »Sommige menschen zijn de eenige
vijanden van zichzelf.«
»Geloof dat toch niet,« zei Fagin. »Als een man zijn eigen vijand is,
dan is dat, omdat hij te veel zijn eigen vriend is; niet omdat hij om
iedereen geeft, behalve om zichzelf. Poe! zoo iets ligt niet in de
natuur van een mensch.«
»En als 't er in ligt, dan moest 't niet zoo zijn,« zei Mr. Bolter.
»Dat spreekt vanzelf,« zei Fagin. »Sommige sterrenwichelaars zeggen, dat
drie het magische getal is en anderen zeggen zeven. Maar ze zijn 't geen
van beiden, geen van beiden, mijn waarde. 't Is nummer één.«
»Ha! ha!« riep Mr. Bolter. »Nummer één voor eeuwig!«
»In een kleine gemeenschap als de onze, beste jongen,« zei Fagin, die
het als noodzakelijk beschouwde, de wederzijdsche positie nauwkeurig aan
te duiden, »hebben wij een gemeenschappelijk nummer één, dat wil zeggen,
je kan jezelf niet als nommer één beschouwen, zonder mij en al de
jongelui ook als nommer één te beschouwen.«
»O, duivels!« riep Mr. Bolter uit.
Fagin deed alsof hij dezen uitroep niet hoorde.
»Zie je,« ging hij voort, »wij behooren zoo bij elkaar en hebben zoozeer
dezelfde belangen, dat het zoo moet zijn. Bijvoorbeeld, 't is jouw doel
te zorgen voor nommer één--voor jezelf dus.«
»Natuurlijk,« antwoordde Mr. Bolter. »Daar heb je gelijk aan.«
»Nou! Je kan niet voor jezelf zorgen als nommer één of je zorgt ook voor
mij, nommer één.«
»Nommer twee meen je,« zei Mr. Bolter, die rijkelijk met zelfzucht
begiftigd was.
»Nee, dat zeg ik niet!« wierp Fagin tegen. »Ik ben voor jou even
belangrijk als jij voor jezelf bent.«
»Nou nou,« viel Mr. Bolter in, »je bent 'n slimmerd en je staat me wel
aan; maar we zijn toch nog niet zulke dikke vrienden.«
»Denk maar eens na,« zei Fagin, de schouders ophalend en zijn handen
uitstekend, »beschouw de zaak eens goed. Gesteld, je hebt iets gedaan,
dat heel mooi is en dat ik prachtig van je vind, maar wat tegelijk je
de das aandoet, die das, die zoo makkelijk wordt toegehaald en zoo
moeielijk is los te maken, in goed Engelsch: de strop!«
Mr. Bolter bracht zijn hand bij zijn halsdoek, alsof die erg knelde en
mompelde iets, wat, naar den toon te oordeelen, als een instemming
klonk.
»De galg,« ging Fagin voort--»de galg is een leelijke handwijzer, die
wijst naar een heel korten en heel scherpen hoek, waartegen menige
flinke kerel op den grooten weg is doodgeloopen. Op den veiligen weg te
blijven en dien handwijzer op een afstand te houden, is doel nommer één
voor je.«
»Natuurlijk,« antwoordde Mr. Bolter. »Maar waarom praat je over zulke
dingen?«
»Alleen om je mijn meening duidelijk te maken,« zei de Jood en trok zijn
wenkbrauwen omhoog. »Om je doel te bereiken, hang je van mij af. Om mijn
zaakje aan den gang te houden, hang ik van jou af. Het eerste is jouw
nommer één, het tweede mijn nommer één. Hoe meer waarde je hecht aan
jouw nommer één, hoe beter je voor het mijne moet zorgen; zoo zijn wij
eindelijk beland bij wat ik je het eerst zeide--dat de liefde voor
nommer één ons allen te zamen houdt, en dit moet doen, of wij gaan met
ons allen te gronde.«
»Dat's waar,« stemde Mr. Bolter nadenkend toe. »O, je bent 'n slimme
grijskop.«
Mr. Fagin zag tot zijn groote vreugd, dat deze lofspraak op zijn
bekwaamheden niet maar een complimentje was, maar dat hij werkelijk in
zijn nieuwen leerling het bewustzijn had gewekt van zijn buitengewone
sluwheid en dat was bij 't begin van hun kennismaking voor hem van groot
belang. Om dezen nuttigen en gewenschten indruk te versterken, liet hij
dezen eersten stoot volgen door Noah in bijzonderheden op de hoogte te
brengen van de uitgestrektheid en macht van zijn werkzaamheden; hij
mengde waarheid en fictie dooreen, zooals het best was voor zijn doel;
hij deed dit zoo kunstig, dat het ontzag van Mr. Bolter zichtbaar
aangroeide en tegelijk getemperd werd door eenige weldadige angst, waar
Fagin bijzonder veel waarde aan hechtte.
»Het is dit wederzijdsche vertrouwen, door ons in elkander gesteld, dat
mij troost onder zware verliezen,« zei Fagin. »Gistermorgen werd mijn
beste helper van mij weggenomen.«
»U wilt toch niet zeggen, dat hij dood is?« riep Mr. Bolter.
»Neen, neen,« antwoordde Fagin, »zoo erg is 't niet. Zoo erg niet.«
»Dus ik denk, dat hij--«
»Vermist is,« viel Fagin in. »Ja, hij werd vermist.«
»Op een bijzondere manier?« vroeg Bolter.
»O nee,« antwoordde Fagin, »'t was niets bijzonders. Hij werd
beschuldigd van pogingen tot zakkenrollerij en ze vonden een zilveren
snuifdoos op hem--zijn eigen snuifdoos, want hij snoof zelf en was er
dol op. Ze hielden hem vast tot vandaag, want ze dachten den eigenaar
uit te zullen vinden. O! hij was vijftig snuifdoozen waard en ik zou
graag het geld, dat ze waard zijn, geven, om hem terug te hebben. Je
had de Vos moeten kennen, beste jongen; je had de Vos moeten kennen.«
»Ik zal hem leeren kennen, hoop ik; denkt u niet?« zei Mr. Bolter.
»Ik twijfel er aan,« antwoordde Fagin met een zucht. »Als ze geen nieuwe
bewijzen tegen hem in handen krijgen wordt het een veroordeeling tot
lichte straf en dan hebben we hem over een week of zes terug; maar als
ze nieuwe bewijzen hebben, dan wordt 't zand kruien. Ze weten hoe slim
hij is; hij wordt 't voor z'n leven. De Vos krijgt niet minder.«
»Wat bedoel je hiermee?« vroeg Mr. Bolter. »Waarom praat je zóó met me;
waarom spreek je niet dat ik je kan begrijpen?«
Fagin stond op 't punt de geheimzinnige uitdrukkingen in gewone
spreektaal over te brengen, waardoor Mr. Bolter zou vernemen dat die
woorden beteekenden: »levenslange deportatie,« toen het gesprek gestoord
werd door de komst van jongeheer Bates; hij liep met zijn handen in zijn
broekzakken en op zijn gezicht lag een half komieke, half bedroefde
uitdrukking.
»'t Is uit, Fagin,« zei Charley, toen hij en de nieuwe gast aan elkaar
voorgesteld waren.
»Wat bedoel je?«
»Ze hebben den eigenaar van de snuifdoos uitgevonden; twee of drie zijn
ook nog voor den dag gekomen om hem als den dader aan te wijzen en de
Vos staat op de lijst voor de zeereis,« antwoordde Bates. »Ik moet een
volledig rouwpak hebben, Fagin, en een rouwband om mijn hoed om hem op
te zoeken eer hij weggaat. Te denken, dat Jack Dawkins--reuzen-Jack--de
Vos--de Slimme Vos--weg zal gaan voor een gemeene snuifdoos van een paar
pence! Ik had nooit gedacht, dat hij 't voor minder zou gedaan hebben
dan voor een gouden horloge met ketting en cachet. O! waarom heeft hij
niet een rijken ouden meneer alles van waarde afgegapt, dan ging hij
tenminste weg als een gentleman en niet als een gewone zakkenroller
zonder eer of glorie!«
Met deze woorden, die aantoonden hoe hij met zijn ongelukkigen vriend
meevoelde, viel Mr. Bates bedroefd en verslagen op den eersten stoel den
beste neer.
»Wat praat je, dat hij zonder eer en glorie weggaat?« riep Fagin, en
wierp zijn leerling een woedenden blik toe. »Was hij niet altijd de
eerste van jullie allen! Is er een onder jullie die ook maar in zijn
schaduw kan staan? Nou?«
»Geen één,« antwoordde Bates, met een stem heesch door ontroering, »geen
één.«
»Wat praat je dan?« viel Fagin nijdig uit, »en waarom grien je?«
»Omdat 't niet in 't vonnis staat,« zei Charley, die door zijn droefheid
om 't lot van zijn vriend al meer en meer overstuur raakte; »omdat 't
niet uitkomt in de beschuldiging; omdat niemand ook maar voor de helft
zal weten wat hij was. Hoe zal hij geboekt staan in het jaarboek van
Newgate? Misschien staat hij er heelemaal niet in. O! jandoppie!
jandoppie! wat 'n slag!«
»Ha! ha!« riep Fagin, terwijl hij zijn rechterhand uitstak en zich zóó
gichelend tot Mr. Bolter wendde, dat hij er van schudde of hij een
beroerte kreeg, »kijk eens aan, hoe trotsch zij op hun vak zijn. Is dat
niet mooi?«
Mr. Bolter knikte toestemmend; Fagin bleef het verdriet van Charley
Bates gedurende eenige seconden met blijkbare voldoening aankijken, ging
toen naar dat jongemensch toe en klopte hem op den schouder.
»Trek 't je maar niet aan, Charley,« zei Fagin troostend, »'t komt uit,
't komt zeker uit. Allemaal zullen ze weten, wat een slimme kerel hij
was; hij zal 't zelf aan den dag brengen en zijn vroegere makkers en
leermeester geen schande aandoen. En denk es hoe jong hij nog is. Wat
een onderscheiding, Charley, om op dien leeftijd al 't land uit gestuurd
te worden!«
»Ja, 't is 'n eer, dâ's waar!« zei Charley een beetje getroost.
»Hij zal alles hebben wat hij noodig heeft,« ging de Jood voort. »In de
gevangenis zal hij wonen als een heer, Charley. Als een heer! Met zijn
biertje elken dag en geld in zijn zak om kruis of munt mee te gooien,
als hij 't niet uit kan geven.«
»Zal hij dat heusch hebben?« riep Charley Bates.
»Ja natuurlijk,« antwoordde Fagin, »en om hem te verdedigen nemen we een
beroemde ouwe pruik, Charley--die den grootsten mond op kan zetten; en
als hij wil, kan hij zichzelf ook nog verdedigen en we lezen het
allemaal in de couranten--Slimme Vos--uitbundig gelach--het hof daverde
ervan--nou Charley--hè?«
»Ha! ha!« lachte jongeheer Bates, »wat 'n stel zou dat zijn, Fagin! Wat
zou de Slimme ze der tusschen nemen!«
»Zou!« riep Fagin. »Hij moèt--hij zàl!«
»Ja natuurlijk,« herhaalde Charley en wreef zich in de handen.
»Ik zie 'm al,« riep de Jood en keek zijn leerling aan.
»Ik ook!« riep Charley Bates. »Ha! ha! ha! ik ook!«
»Ik zie 't allemaal voor me, bij m'n ziel Fagin. Wat 'n mop! Wat 'n
heerlijke mop! Al die pruiken die probeeren ernstig te kijken en Jack
Dawkins, die ze allemaal net zoo bekend en huiselijk toespreekt of ie de
eigen zoon van den rechter was, die een toast slaat na 't diner--ha! ha!
ha!«
Mr. Fagin had werkelijk den buitengewonen toestand, waarin zijn jonge
vriend verkeerde, in zulk een gunstig licht gesteld, dat Bates, die
eerst geneigd was geweest, den Vos eenigszins als slachtoffer te
beschouwen, hem nu beschouwde als den voornaamsten speler in een tooneel
vol ongewonen en fijnen humor; hij was bepaald verlangend naar het
tijdstip, waarop zijn vroegere kameraad zoo'n gunstige gelegenheid zou
vinden, zijn gaven te ontplooien.
»We moeten door een of ander middel te weten zien te komen hoe hij voor
den dag komt,« zei Fagin. »Laat me eens nadenken.«
»Zal ik gaan?« vroeg Charley.
»Voor niets ter wereld,« antwoordde Fagin. »Ben je zot, jongen,
stapelzot, om naar de plek te willen gaan, waar--Nee, Charley, nee. Eén
tegelijk te verliezen is genoeg.«
»Je wil toch niet zelf gaan?« vroeg Charley met een spottend lachje.
»Dat zou niet best kunnen,« zei Fagin hoofdschuddend.
»Waarom stuur je dezen nieuwen jongen niet?« vroeg Bates en legde zijn
hand op Noah's arm. »Niemand kent hem.«
»Nou, als hij er niet op tegen heeft--« merkte Fagin op.
»Op tegen heeft,« viel Charley in. »Wat zou hij er op tegen kunnen
hebben?«
»Niks, je hebt gelijk,« zei Fagin, terwijl hij zich tot Mr. Bolter
wendde, »niets.«
»O nee, wat dat betreft, zie je....« merkte Noah op, terwijl hij
achterwaarts naar de deur schoof en als een uiting van lichte
ontsteltenis zijn hoofd schudde. »Nee nee--dat niet. 't Is mijn
afdeeling niet.«
»Wat voor afdeeling heeft hij, Fagin?« vroeg jongeheer Bates en bekeek
Noah's slappe figuur met onverholen afkeer. »Der vandoor gaan als er
iets verkeerds is en alles mee opeten en drinken als alles goed gaat; is
dat zijn vak?«
»'t Gaat jou niet an,« gaf Mr. Bolter terug, »jij kan wel een beetje
minder brutaal zijn tegen je superieuren, jongetje, of 't zal je slecht
vergaan.«
Deze prachtige bedreiging deed Charley zoo geweldig lachen, dat het
een poos duurde, eer Fagin tusschenbeiden kon komen, om aan Mr. Bolter
uit te leggen, hoe hij hoegenaamd geen gevaar liep door naar het
politie-bureau te gaan; daar, nu er geen gewag was gemaakt van het
zaakje waarin hij betrokken was en geen beschrijving van zijn persoon
naar de hoofdstad was gezonden, hij hoogstwaarschijnlijk zelfs niet in
verdenking stond, in Londen een schuilplaats te hebben gezocht, en dat,
als hij zich voldoende vermomde, hij daar even veilig heen kon gaan als
naar welke plek ook in Londen, in zoover het juist de laatste plaats was
waar men veronderstellen kon, dat hij er uit vrijen wil heen zou gaan.
Ten deele overreed door deze voorstelling van de zaak, maar in veel
grootere mate gedreven door zijn angst voor Fagin, stemde Mr. Bolter er
ten slotte, hoewel met grooten tegenzin in toe, den tocht te ondernemen.
Op Fagin's aanwijzingen verwisselde hij dadelijk zijn eigen kleeding
voor een voermanskiel, een fluweelen broek en leeren slobkousen, wat de
Jood allemaal bij de hand had. Verder werd hij voorzien van een vilten
hoed, rijkelijk gegarneerd met tol-quitanties, en een voermanszweep. Zoo
uitgedost moest hij het politiebureau binnenslenteren, als een boer, die
op de markt was in Covent Garden, uit nieuwsgierigheid doen kon; en daar
hij een onhandige, plompe, ruwe kerel was, zooals voor de rol paste,
twijfelde Fagin er niet aan, of hij zou 't er uitstekend afbrengen.
Toen deze schikkingen gemaakt waren, werd hij ingelicht omtrent de
kenteekenen, waaraan hij den Slimmen Vos kon herkennen en werd door
Charley Bates langs donkere kronkelsteegjes tot heel dichtbij Bow Street
gebracht. Nadat Charley hem precies had uitgelegd waar het bureau lag en
er vele instructies aan toe had gevoegd, hoe hij rechtdoor de gang in
moest loopen en als hij op de binnenplaats kwam, de deur ingaan, die
naar de trap rechts voerde en dat hij zijn hoed af moest zetten als hij
in de kamer kwam, zeide hij hem, verder alleen te gaan en beloofde zijn
terugkomst af te wachten op de plaats, waar zij van elkaar waren gegaan.
Noah Claypole of Morris Bolter, naar de lezer wil, volgde stipt
de ontvangen aanwijzingen, die, daar Bates de lokaliteit heel
goed kende--zoo nauwkeurig waren, dat hij in staat was tot in de
tegenwoordigheid van den rechter door te dringen, zonder één enkele
vraag te doen of eenigen hinderpaal op zijn weg te ontmoeten. Hij zag
zich gestooten en geduwd tusschen een hoop volk, meest vrouwen, die te
zamen waren gedrongen in een vuil vuns vertrek; met aan het boveneinde
een verhooging, van de overige ruimte afgesloten; links tegen den muur
een kooi voor de gevangenen; een hokje voor de getuigen in het midden
en een lessenaar voor de overheidspersonen aan den rechterkant; deze
laatste ontzagwekkende ruimte was door een beschot aan de oogen van
het publiek onttrokken; het was dus aan de verbeeldingskracht van
het publiek overgelaten, zich (wanneer men er toe in staat was) de
gerechtigheid in haar volle majesteit voor te stellen. In de kooi waren
alleen een paar vrouwen, die hun bewonderende vriendinnen toeknikten,
terwijl de griffier eenige getuigenissen voorlas aan twee politieagenten
en een eenvoudig gekleed man, die over de tafel leunde. Tegen de kooi
leunde een gevangenbewaarder, die onophoudelijk met een grooten sleutel
tegen zijn neus tikte, behalve wanneer hij een ongepaste neiging tot
gesprekvoeren had te onderdrukken bij de toekijkenden, wat hij deed
door: »stilte!« te roepen of wanneer hij op strengen toon aan de een of
andere vrouw gebood: »Breng dat kind weg!« Dit op een oogenblik als de
ernst der gerechtigheid verstoord werd door zwakke kreten, half gesmoord
in moeder's omslagdoek, van een of ander mager kind. De kamer rook
benauwd en ongezond; de muren waren kleurloos door 't vuil en de
zoldering zwart. Op den schoorsteenmantel stond een oud zwartberookt
borstbeeld en boven de kooi hing een stoffige klok--het eenige wat hier
te loopen scheen zooals het moest; want verdorvenheid of armoede of de
voortdurende aanraking met beide had zijn stempel gedrukt op al wat hier
leefde, waardoor dit levende er bijna even terugstootend uitzag als de
levenlooze voorwerpen, die onder een dikke laag schimmel begraven waren.
Noah keek ingespannen om zich heen naar de Vos; maar ofschoon er
verscheidene vrouwen waren, die heel goed voor de moeder of de zuster
van die bijzondere persoonlijkheid konden doorgaan, en meer dan één man,
die heel sterk op zijn vader kon gelijken, was er niemand te zien, die
aan de beschrijving beantwoordde, hem van Mr. Dawkins gegeven. Hij
wachtte in een toestand van argwaan en onzekerheid, tot de vrouwen,
die tot tewerkstelling veroordeeld waren, vol trots heengestapt waren;
toen werd zijn aandacht getrokken door de verschijning van een nieuwen
gevangene, die--hij voelde het dadelijk--niemand anders kon zijn dan het
doel van zijn bezoek.
Het was werkelijk Mr. Dawkins, die het bureau kwam binnensloffen, de
lange jasmouwen als gewoonlijk opgeslagen, zijn linkerhand in zijn zak
en zijn hoed in zijn rechterhand; hij liep met niet te beschrijven
draaienden tred voor den gevangenbewaarder uit, nam zijn plaats in in
het hok en vroeg met luider stem of hij mocht weten, waarom hij hier op
zoo'n schandelijke manier werd binnengebracht.
»Hou je mond!« zei de bewaarder.
»Ik ben een Engelschman, nietwaar,« hernam de Vos. »Waar zijn mijn
privilegiën?«
»Je zult gauw genoeg privilegiën krijgen,« viel de bewaarder in, »en
gepeperde er bij.«
»We zullen zien, wat de Secretaris van Staat voor Binnenlandsche Zaken
aan de rechters te zeggen zal hebben, als ik mijn recht niet krijg,«
hernam Mr. Dawkins. »Nou! Wat moet er gebeuren? Ik zal dankbaar zijn
als de heeren dit zaakje achter elkaar afdoen en me niet ophouden,
terwijl zij de krant lezen; ik heb 'n afspraak met 'n meneer in de stad
en daar ik een man van m'n woord ben en erg gesteld op preciesheid in
zaken, gaat ie weg als ik er niet op tijd ben en 't is best mogelijk,
dat ik later geen eisch tot schadevergoeding in kan stellen, omdat ze me
te lang hier gehouden hebben. O nee, dat zal niet gaan!«
Toen hij zoo ver gekomen was, eischte de Vos, veinzend bijzonder veel
belang te hebben bij zaken die hierna afgedaan moesten worden, van den
gevangenbewaarder, dat hij hem de namen »van die twee schobbejakken die
op den rechterstoel zaten«, zou noemen; dit vermaakte de toeschouwers
zoozeer, dat zij bijna even hartelijk lachten als Charley Bates gedaan
zou hebben, wanneer hij de vraag had gehoord.
»Stilte daar!« riep de bewaarder.
»Wat is dat?« vroeg een van de rechters.
»Een zaak van zakkenrollerij, Edelachtbare.«
»Is de jongen hier al meer geweest?«
»Hij had hier al dikwijls moeten zijn,« antwoordde de cipier. »Hij is
zoowat overal al geweest. Ik ken hem goed, Edelachtbare.«
»O, ken je me? heusch?« riep de Slimme, terwijl hij de getuigenis
opteekende. »Heel goed. Dat's een geval van lasterlijke aantijging.«
Hier volgde een nieuwe lachuitbarsting en een ander bevel van stilte.
»Nu, waar zijn de getuigen?« vroeg de griffier.
»Dat 's in orde,« viel de Vos in. »Waar zijn ze? Ik zou ze wel eens
willen zien.«
Deze wensch werd onmiddellijk vervuld, want een politieagent kwam naar
voren, die gezien had hoe de gevangene bij een opstootje een aanval deed
op den zak van een onbekenden heer en er een zakdoek uit haalde; daar
dit een heel oude was, had hij hem er voorzichtig weer ingestoken,
na hem op zijn eigen gezicht geprobeerd te hebben. Om deze reden
arresteerde hij den Vos, zoodra hij hem bereiken kon en gezegde Vos
bleek bij fouilleering een zilveren snuifdoos op zich te hebben met den
naam van den eigenaar in het deksel gegraveerd. Met behulp van het
adresboek was die eigenaar gevonden en had, daar en daar tegenwoordig,
gezworen dat de snuifdoos van hem was en dat hij ze den vorigen dag
gemist had, op het oogenblik toen hij zich uit het opstootje, te voren
genoemd, had losgemaakt. Hij had ook een jongen gezien in de menigte,
die erg zijn best deed weg te komen en die jongen was de gevangene vóór
hem.
»Heb je dezen getuige iets te vragen, jongen?« zei de rechter.
»Ik zou mij niet willen verwaardigen met zoo één een woord te wisselen,«
antwoordde de Vos.
»Heb je over het geheel iets te zeggen?«
»Hoor je niet dat Zijn Edelachtbare vraagt of je iets te zeggen hebt?«
vroeg de cipier en stootte den zwijgenden Vos met zijn elboog aan.
»Neem me niet kwalijk,« zei de Vos met afgetrokken voorkomen opkijkend.
»Vroeg u mij iets, beste vriend?«
»Ik heb nog nooit zoo'n doortrapten vagebond gezien, Edelachtbare,«
merkte de agent met een grijns op. »Zal je iets zeggen, snotjongen?«
»Neen,« antwoordde de Vos, »hier niet, want dit is niet de winkel waar
men gerechtigheid koopt; bovendien luncht mijn gemachtigde vanmorgen bij
den vice-president van het Lagerhuis; maar op een andere plaats zullen
ik en mijn gemachtigde en een groote en eerbiedwaardige kring van
kennissen zooveel te zeggen hebben, dat die schobbejakken dáár zullen
wenschen nooit geboren te zijn of zich eer door hun lakeien te hebben
laten ophangen aan hun eigen kapstok, dan mij vanochtend veroordeeld te
hebben. Ik zal--«
»Genoeg! hij is tot de hoogste straf veroordeeld,« viel de griffier in.
»Breng hem weg!«
»Kom,« zei de cipier.
»Bedaar! Ik kom wel,« antwoordde de Vos, terwijl hij zijn hoed met den
palm van zijn hand afveegde. »O,« tot de rechters, »'t helpt niet of u
angstige oogen opzet; ik zal u geen genade bewijzen, voor geen halve
cent. _Jullie_ zult er voor boeten, mooie kereltjes. Ik zou, voor ik
weet niet wat, niet in jullie plaats willen zijn! Ik zou niet vrij
willen zijn, al vroegen jullie 't mij op je knieën. Hier! breng me naar
de gevangenis! Breng me weg!«
Bij deze laatste woorden liet de Vos toe, dat hij bij zijn kraag gepakt
en weggebracht werd; tot hij op de binnenplaats was, dreigde hij nog de
zaak in het Parlement te zullen brengen; ten slotte lachte hij vroolijk
en zelfvoldaan den agent in zijn gezicht uit.
Toen Noah gezien had, hoe de Vos alleen in een kleine cel werd
opgesloten, zocht hij zoo gauw mogelijk den weg terug, tot waar hij
Charley Bates verlaten had. Na eenigen tijd voegde dit jongemensch zich
bij hem; voorzichtigheidshalve had hij zich niet vertoond eer hij vanuit
een verborgen schuilplaats de kat uit den boom had gekeken en er zich
van overtuigd, dat zijn nieuwe makker niet door een of anderen
nieuwsgierige gevolgd werd.
Het tweetal ging haastig naar huis om aan Mr. Fagin het verblijdende
nieuws te brengen, dat de Vos zijn opvoeding alle eer had aangedaan en
zichzelf een roemrijke reputatie verzekerd.