Een oude kennis van Oliver legt besliste bewijzen van genie aan den dag
en wordt een publiek persoon in de hoofdstad.
Op den avond, toen Nancy, nadat zij Mr. Sikes in slaap gesust had, naar
Rose Maylie op weg was om daar haar vrijwillige zending te volbrengen,
liepen op den Great North Road, in de richting van Londen, twee
personen, aan wie ons verhaal eenige aandacht dient te schenken.
Het waren een man en een vrouw, of misschien is het juister te zeggen
een mannelijk en een vrouwelijk wezen; want de eerste was een van die
waggelende, beenige figuren met lange ledematen en doorzakkende knieën,
wier juiste leeftijd heel moeielijk te bepalen is--terwijl zij nog
jongens zijn zien zij er uit als slecht uitgegroeide mannen en als ze
bijna man zijn als uit hun kracht gegroeide jongens. De vrouw was jong,
maar sterk en forsch gebouwd, wat zij noodig had om in staat te zijn het
gewicht van den zwaren bundel te torschen, die op haar rug gesnoerd was.
Haar metgezel had zich niet met bagage overlast; het eenige was een
klein pakje in een zakdoek geknoopt, dat aan een stok over zijn schouder
bengelde en er licht genoeg uitzag. Deze omstandigheid, gevoegd bij de
buitengewone lengte van zijn beenen, deed hem gemakkelijk een zestal
passen voor zijn gezellin uit loopen; nu en dan keerde hij zich tot haar
met een ongeduldig hoofdschudden, als om haar haar traagheid te
verwijten en tot grooter inspanning aan te sporen.
Zoo zwoegden zij voort langs den stoffigen weg, zonder veel notitie te
nemen van eenig voorwerp, dat hun voor oogen kwam, behalve als zij op
zij gingen om de postwagens, die uit de stad aan kwamen ratelen, voorbij
te laten gaan. Toen zij de bogengang van Highgate door waren, bleef de
voorste voetganger staan en riep zijn tochtgenoote ongeduldig toe:
»Kom nou, kan je niet meer? Wat ben jij 'n luiwammes, Charlotte.«
»'t Is een heele vracht, dat verzeker ik je,« zei de vrouw en kwam,
hijgend van vermoeienis, bij hem aan.
»'n Vracht! Waar heb je 't over? Waar ben je dan voor gemaakt?« zei de
mannelijke reiziger en gooide onder het spreken zijn kleine bundeltje
over den anderen schouder. »O, daar moet ze alweer rusten! Als jij
iemands geduld niet uitput, weet ik niet, wat 't dan wel doen kan!«
»Is 't nog ver?« vroeg de vrouw; zij leunde tegen een aarden wal en
keek naar hem op, terwijl het zweet haar over het gezicht gudste.
»Nog ver! We zijn zoo goed als aan 't eind,« zei de langbeenige
wandelaar, terwijl hij vóór zich uit wees. »Kijk! Dat zijn de lichten
van Londen.«
»'t Is minstens nog 'n goede twee mijl,« zei de vrouw neerslachtig.
»'t Doet er niet toe, of 't twee mijlen of twintig ver is,« zei Noah
Claypole, want hij was het; »maar sta op, of ik zal je beenen leeren
maken.«
Noah's roode neus werd nog rooder van boosheid en hij stak den weg over
alsof hij aanstalten maakte, zijn bedreiging ten uitvoer te brengen; de
vrouw stond zonder eenige verdere opmerking op en zwoegde weer naast hem
voort.
»Waar denk je vannacht te blijven, Noah?« vroeg ze, nadat zij een paar
honderd yards voort waren geloopen.
»Hoe weet ik dat?« antwoordde Noah, wiens stemming er door de wandeling
niet beter op was geworden.
»Dichtbij, hoop ik?« zei Charlotte.
»Nee, niet dichtbij,« antwoordde Mr. Claypole. »Daar! Niet dichtbij;
denk dat maar niet.«
»Waarom niet?«
»Als ik je zeg, dat ik iets doe, dan is dat genoeg, zonder waaroms of
daaroms,« antwoordde Mr. Claypole waardig.
»Nou, je hoeft niet zoo te snauwen,« zei Charlotte.
»'t Zou prachtig zijn, hè, om bij de eerste de beste herberg buiten de
stad halt te houden, zoodat Sowerberry, als hij ons achterna komt,
dadelijk zijn neus naar binnen kan steken en ons in een kar terug kan
laten brengen met de handboeien aan,« zei Mr. Claypole op smalenden
toon. »Nee! ik ga door de nauwste steegjes dwalen, die ik vinden kan en
sta niet stil eer wij bij de afgelegenste herberg zijn gekomen, waar m'n
oog op valt. Je mag je gesternte wel danken dat ik ten minste hersens
heb, want als we eerst niet expres den verkeerden weg waren ingeslagen
en door de velden weer teruggekomen, zou je zoo zeker als twee maal twee
vier is een week geleden al opgesloten zijn. En dan had je je verdiende
loon, omdat je een zottin bent.«
»Ik weet wel, dat ik niet zoo snugger ben als jij,« hernam Charlotte,
»maar je hoeft mij niet van alles de schuld te geven en te zeggen, dat
_ik_ opgesloten zou zijn. Als ik opgesloten was, zou jij in elk geval
mee zijn gegaan.«
»Jij heb 't geld uit de lâ genomen, dat weet je ook wel,« zei Mr.
Claypole.
»Ik heb 't voor jou genomen, Noah, lieverd,« wierp Charlotte tegen.
»Heb ik 't gehouden?« vroeg Mr. Claypole.
»Neen, je vertrouwde op me en laat 't mij dragen, omdat je een lieverd
bent,« zei Charlotte, terwijl zij hem om de kin streelde en haar arm
door den zijne stak.
Dit was inderdaad het geval; doch daar het niet Mr. Claypole's gewoonte
was, een blind en dwaas vertrouwen te stellen in wie ook, moeten wij, om
hem recht te doen, opmerken, dat hij Charlotte hierin zijn vertrouwen
had geschonken, opdat het geld, wanneer ze vervolgd werden, op haar
gevonden zou worden; dit zou hem de gelegenheid schenken, zijn onschuld
aan elken diefstal te bewijzen en zijn kansen om te ontsnappen zeer
vergemakkelijken. Natuurlijk trad hij onder de gegeven omstandigheden
niet in een verklaring van zijn beweegredenen, en zij liepen zeer
eendrachtig voort.
Tengevolge van zijn omzichtig plan, liep Mr. Claypole voort zonder stil
te staan, tot zij bij »de Engel« in Islington kwamen, waar de massa
voorbijgangers en het groote aantal voertuigen hem terecht op het
denkbeeld brachten, dat hier Londen in ernst begon. Een oogenblik
stilstaande om te zien, wat de drukke straten waren, die hij dus
vermijden moest, ging hij St. John's Road in en verloor zich spoedig in
het duistere warnet van vuile straten, die tusschen Gray's Inn Lane en
Smithfield liggen en dit stadsgedeelte maken tot een van de slechtste en
gemeenste, dat niettegenstaande alle verbeteringen midden in Londen is
blijven bestaan.
Door deze straten liep Noah Claypole, Charlotte achter zich aan zeulend;
nu eens stapte hij in de goot langs de straat om met één blik het
uiterlijk voorkomen van de een of andere herberg op te nemen; dan sjokte
hij weer voort, omdat iets in het uiterlijk van 't huis hem deed denken,
dat het te druk bezocht was om hem dienstig te zijn. Eindelijk bleef hij
staan vóór een herberg, de onaanzienlijkste en smerigste die hij nog
gezien had; nadat hij naar den overkant van de straat was gegaan en het
huis vandaar af had opgenomen, gaf hij genadig zijn voornemen te kennen,
hier nachtverblijf te zoeken.
»Geef mij het pak,« zei Noah, terwijl hij het Charlotte afnam en 't over
zijn eigen schouders wierp, »en pas op, dat je niet praat, behalve als
ze tegen jou praten. Hoe heet de herberg--de--de drie--wat?«
»Kreupelen,« zei Charlotte.
»Drie Kreupelen,« herhaalde Noah, »'n best uithangbord, dat moet ik
zeggen. Nou! Blijf vlak achter me; kom.«
Met deze vermaningen duwde hij de krassende deur met zijn schouder open
en ging, gevolgd door zijn gezellin, de herberg binnen.
Er stond niemand bij het buffet als een jonge Jood, die, met zijn
ellebogen op de toonbank, een vuile courant stond te lezen. Hij keek
Noah strak aan en Noah keek hem strak aan.
Als Noah zijn liefdadigheidskleeren aan had gehad, zou er eenige reden
voor den Jood zijn geweest zijn oogen zoo wijd open te sperren; doch
daar hij de jas met de opslagen had uitgelaten en een korten kiel boven
zijn leeren broek droeg, scheen er geen bijzondere reden te zijn waarom
zijn verschijning in een herberg zoozeer de aandacht zou trekken.
»Is dit »De drie Kreupelen?«« vroeg Noah.
»Dat is de daam van dit 'uis,« antwoordde de Jood.
»We komen van buiten en een meneer dien wij onderweg tegenkwamen, heeft
ons deze herberg genoemd,« zei Noah, Charlotte aanstootend, misschien om
haar aandacht te vragen voor dezen vernuftige manier, zich een houding
te geven, misschien om haar te waarschuwen geen verwondering te
verraden. »We willen hier vannacht slapen.«
»'k Weet diet zeker of 't khan,« zei Barney--want hij was de gedienstige
geest, »maar 'k zal 't vragen.«
»Wijs ons de gelagkamer en geef ons wat koud vleesch en een kruik bier,
terwijl je 't gaat vragen,« zei Noah.
Barney voldeed aan dit verzoek door hen naar een klein achtervertrekje
te brengen, waar hij het bestelde voor hen neerzette; daarna bracht hij
de boodschap, dat de reizigers daar dien nacht konden logeeren en liet
het beminnelijke paar aan hun maaltijd.
Deze achterkamer lag vlak achter het buffet en eenige treden lager dan
dit, zoodat iemand, die hier thuis behoorde en een gordijntje wegtrok,
dat een klein glasruitje in den muur van het buffet, zoowat vijf voet
van den grond af, bedekte, niet alleen de gasten in de achterkamer kon
bespieden zonder veel kans te loopen door hen opgemerkt te worden, (het
ruitje bevond zich in een donkeren hoek van den muur, waar de bespieder
door een dikken rechtopstaanden balk verborgen was) maar, door zijn oor
tegen den tusschenmuur te leggen, vrij duidelijk het gesprek kon volgen.
De waard had niet langer dan vijf minuten deze spionage-plaats verlaten
en Barney had juist zijn boodschap aan Noah gebracht, toen Fagin, in
den loop van zijn avondbezigheden, het buffet kwam binnenloopen om naar
enkelen van zijn jonge leerlingen te vragen.
»St!« zei Barney, »vreemden in 't achterkamertje.«
»Vreemden!« herhaalde de oude man fluisterend.
»Ja! En rare ook,« voegde Barney er bij. »Van buiten, baar iets voor jou
of ik heb 't bis.«
Fagin ontving deze mededeeling blijkbaar met veel belangstelling. Hij
klom op een krukje en bracht voorzichtig zijn oog voor het ruitje; van
deze geheime observatiepost kon hij zien, hoe Mr. Claypole koud vleesch
van den schotel nam en porter uit de kruik en homoeopatische doses van
beide aan Charlotte toediende, die er geduldig bij zat en at en dronk,
wat hij haar geven wilde.
»Aha!« fluisterde hij tot Barney, »die kerel staat me aan. Hij kan ons
van nut zijn; hij weet al hoe hij met 'n meid moet omspringen. Hou je
zoo stil als een muis jongen, dan kan ik hooren wat ze zeggen.«
Weer bracht hij zijn oog vóór het ruitje, legde zijn oor tegen den
tusschenwand en luisterde met alle aandacht; op zijn gezicht lag een
sluwe nieuwsgierige trek, die het op 't gezicht van een ouden kobold
deed gelijken.
»Dus nou word ik een heer,« zei Mr. Claypole, zijn beenen uitstrekkend,
met welke woorden hij een gesprek voortzette, waarvan Fagin het begin
gemist had. »Geen malle doodkisten meer, Charlotte, maar een
heerenleventje voor mij; en als jij wil dan ben je 'n dame.«
»Dat wil ik graag genoeg, lieverd,« antwoordde Charlotte, »maar der zijn
niet elken dag lâtafels om te leegen zonder dat ze ons bij de kladden
krijgen.«
»Lâtafels kennen opvliegen!« zei Mr. Claypole; »der zijn nog andere
dingen, die geleegd kennen worden.«
»Wat meen je?« vroeg zijn gezellin.
»Zakken, reticulen, huizen, diligences, banken!« zei Mr. Claypole,
opgewonden door het bier.
»Maar dat kan je niet allemaal doen,« zei Charlotte.
»Ik zal zien, met anderen samen te komen, die het wel kunnen,«
antwoordde Noah. »Ze zullen ons wel op een of andere manier kunnen
gebruiken. Jij alleen bent vijftig vrouwen waard, want ik heb nooit
zoo'n sluw, leugenachtig schepsel gezien als jij, als ik je niet onder
den duim houd.«
»Gunst, wat heerlijk dat je dat zegt!« riep Charlotte uit en drukte een
kus op zijn leelijke gezicht.
»Nou, 't is al mooi; je moet niet al te lief doen als ik kwaad op je
ben,« zei Noah en maakte zich met groote strengheid los. »Ik zou graag
de hoofdman van een bende willen zijn en ze allemaal de baas wezen en ze
overal volgen zonder dat zij 't zelf wisten. Dat zou me bevallen als 't
wat opleverde; konden we maar in aanraking komen met een of andere kerel
van dit soort, daar zou ik het biljet van twintig pond dat jij hebt,
voor over hebben, vooral omdat we toch niet goed weten hoe wij het aan
den man zullen brengen.«
Nadat hij dit als zijn oordeel had uitgesproken, blikte Mr. Claypole met
een air van diepe wijsheid in de bierkan; hij schudde den inhoud flink
door elkaar, gaf Charlotte een genadig knikje en nam een teug, die hem
bijzonder scheen te verfrisschen. Hij dacht er juist over, een tweede
kan te bestellen, toen hij gestoord werd doordat de deur plotseling
openging en een vreemdeling binnenkwam.
De vreemdeling was Mr. Fagin. Hij zag er zeer beminnelijk uit en maakte
een diepe buiging, terwijl hij nader kwam, aan het tafeltje naast dat
van Noah ging zitten en aan den grinnikenden Barney iets te drinken
bestelde.
»Een mooie avond meneer, maar koel voor den tijd van 't jaar,« zei
Fagin, zich in de handen wrijvend. »U komt van buiten, zie ik,
mijnheer?«
»Hoe ziet u dat?« vroeg Noah Claypole.
»We hebben in Londen zooveel stof niet,« antwoordde Fagin en wees van
Noah's schoenen naar die van Charlotte en toen naar de twee pakken.
»U bent 'n snuggere kerel,« zei Noah. »Ha! ha! heb je 't gehoord
Charlotte?«
»Ja, mijn waarde heer, in de stad moet je uitgeslapen zijn,« antwoordde
de Jood en liet zijn stem tot vertrouwelijk gefluister dalen; »dat is de
waarheid.«
Fagin zette deze opmerking kracht bij, door met zijn rechter wijsvinger
langs den kant van zijn neus te strijken--een gebaar, dat Noah trachtte
na te volgen, ofschoon hij er niet geheel in slaagde, daar zijn neus
niet groot genoeg was tot dit doel. Mr. Fagin echter scheen de poging
op te vatten als de uitdrukking van volkomen eensgezindheid met zijn
oordeel en liet met gul gebaar den drank, dien Barney juist
binnenbracht, rondgaan.
»Beste waar, dat!« merkte Mr. Claypole op, met zijn lippen smakkend.
»Maar duur!« zei Fagin. »Als een man dit geregeld wil drinken, moet hij
in de gelegenheid zijn, een lade te leegen of een zak of een reticule of
een huis of een diligence of een bank.«
Nauwelijks hoorde Mr. Claypole dit uittreksel van zijn eigen opmerkingen
of hij viel vol ontzetting terug in zijn stoel en keek met aschgrauw
gezicht van den Jood naar Charlotte.
»Maak u niet ongerust,« zei Fagin en trok zijn stoel dichter aan de
tafel. »Ha! ha! 'n geluk, dat ik 't maar was, die het toevallig hoorde.
'n Groot geluk, dat ik het maar was.«
»Ik heb niet gestolen,« stamelde Noah; hij stak zijn beenen niet meer
rechtuit als een onafhankelijk heer, maar verstopte ze zoo goed mogelijk
onder zijn stoel; »_zij_ heeft 't allemaal gedaan; je hebt 't nou nog,
Charlotte, dat weet je.«
»'t Komt er niet op aan beste jongen, wie 't heeft of wie 't gedaan
heeft!« antwoordde Fagin, maar gluurde desondanks met een haviksblik
naar het meisje en de twee bundels. »Ik ben zelf in dat soort zaken en
't bevalt me in je.«
»In wat voor zaken?« vroeg Mr. Claypole, terwijl hij een beetje
opleefde.
»Wel--dat soort zaakjes,« herhaalde Fagin, »en de menschen van de
herberg hier hooren ook tot ons soort. Je hebt den spijker op den kop
geslagen en bent hier zoo veilig als 't maar kan. Er is geen veiliger
plaats in heel Londen dan »De Kreupelen;« dat wil zeggen als ik 't
veilig wil maken. En jij en die vrouw staan me aan; dus heb ik het
wachtwoord gegeven en je hart kan gerust zijn.«
Misschien was Noah's hart gerust na deze verzekering, maar zijn lichaam
was 't zeker niet; hij schuifelde heen en weer en wrong zich in allerlei
zonderlinge houdingen, terwijl hij zijn nieuwen vriend intusschen met
vrees en argwaan opnam.
»Ik zal je nog meer zeggen,« zei Fagin, nadat hij het meisje door
vriendelijke knikjes en gemompelde aanmoedigingen gerust gesteld had,
»ik heb een vriend, die, naar ik meen, je liefste wensch kan vervullen
en je den weg zal wijzen, waarop je kunt kiezen, welke branche van de
zaak je denkt, dat je vooreerst het best zou lijken; langzamerhand kun
je dan al het andere leeren.«
»U praat of u 't meent,« antwoordde Noah.
»Wat zou ik er aan hebben, het te zeggen als ik 't niet meende?« vroeg
Fagin, zijn schouders ophalend. »Hier! Laat me buiten de kamer een
woordje met u alleen spreken.«
[Illustratie: FAGIN ZETTE DEZE OPMERKING KRACHT BIJ, DOOR MET ZIJN
RECHTER WIJSVINGER LANGS DEN KANT VAN ZIJN NEUS TE STRIJKEN.]
»Daarvoor hoeven we niet uit de kamer te gaan,« zei Noah, terwijl hij
allengs zijn beenen weer uitstrekte. »Zij kan in die tijd de bagage
boven brengen. Charlotte, zorg voor de pakken!«
Dit bevel, dat met groote majesteit werd gegeven, werd zonder de minste
tegenwerping gehoorzaamd; Charlotte sjouwde de pakken weg, terwijl Noah
de deur voor haar openhield.
»Ik heb haar goed onder den duim hè?« vroeg hij, op den toon van een
dierentemmer, die een of ander wild dier getemd heeft, en ging weer
zitten.
»Prachtig!« stemde Fagin toe, en klopte hem op den schouder. »U bent 'n
geniale kerel!«
»Ja, als ik dat niet was, was ik nou niet hier,« antwoordde Noah. »Maar
als u de tijd verloren laat gaan, komt ze terug.«
»Nou, wat denkt u ervan?« vroeg Fagin. »Als u 't met mijn vriend kon
vinden.... zou het dan niet 't best zijn, u bij hem aan te sluiten?«
»Als hij goeie zaken doet, daar komt het opan!« antwoordde Noah met een
van zijn oogjes knippend.
»Het neusje van de zalm,« zei Fagin; »hij heeft een massa handen in zijn
dienst en de beste lui van 't vak om hem heen.«
»Allemaal uit de stad?« vroeg Claypole.
»Geen één buitenman en ik geloof niet, dat hij u aan zou nemen, zelfs op
mijn aanbeveling, als hij niet juist gebrek had aan helpers,« hernam
Fagin.
»Moet ik dokken?« vroeg Noah met de hand in zijn broekzak.
»Anders zal het moeilijk gaan,« antwoordde Fagin beslist.
»Twintig pond,--nou 't is 'n heel stuk geld!«
»Niet, als 't 'n biljet is, dat je niet kwijt kunt raken,« wierp Fagin
tegen. »Nummer en datum bekend, zeker? En de bank gewaarschuwd om 't
niet aan te nemen. Och nee! 't is voor hem niet veel waard. Hij zal 't
weer aan anderen moeten geven en er veel op verliezen.«
»Wanneer kan ik hem spreken?« vroeg Noah weifelend.
»Morgenochtend.«
»Waar?«
»Hier.«
»Hm,« zei Noah. »Wat verdien ik er mee?«
»'n Heerenleven--kost en inwoning, pijpen en borrels vrij--de helft van
alles wat je verdient en de helft van alles wat de vrouw verdient,«
antwoordde Fagin.
Of Noah Claypole, die niet weinig hebzuchtig was--zelfs op dit
schitterende aanbod zou zijn ingegaan, wanneer hij geheel vrij man was,
is zeer twijfelachtig, doch daar hij bedacht, dat zijn nieuwe kennis
't ingeval van weigering in zijn macht had, hem onmiddellijk aan de
justitie over te leveren, (zulke onwaarschijnlijke dingen zijn meer
gebeurd) gaf hij langzamerhand toe en zei hoe hij wel dacht, dat 't
iets voor hem zijn zou.
»Maar ziet u,« merkte Noah op, »de meid kan 't meeste werk doen, ik zou
graag wat licht werk doen.«
»Zoo'n beetje »liefhebberij-werk?«« gaf Fagin aan.
»Ja! zoo iets,« antwoordde Noah. »Wat zou 't best voor me zijn, denkt u?
Iets, dat niet te veel inspanning vraagt en niet erg gevaarlijk is, ziet
u. Zoo iets meen ik!«
»Ik hoorde je iets noemen als 't bespionneeren van de anderen,« zei
Fagin. »Mijn vriend heeft juist groote behoefte aan iemand, die dat goed
doet.«
»Ja, daar heb ik wel van gesproken, en ik zou er niet tegen hebben, me
daar somtijds voor te laten gebruiken,« zei Mr. Claypole langzaam, »maar
't is geen werk dat wat oplevert.«
»Dat 's waar!« gaf de Jood toe, terwijl hij nadacht of scheen na te
denken. »Nee, dat gaat niet.«
»Wat denkt u dan?« vroeg Noah, en keek hem verlangend aan. »Iets
sluiperigs, dat vast werk geeft en niet meer gevaar dan of je thuis
bent.«
»Wat denk je van de oude dames?« vroeg Fagin. »Der is heel wat geld te
maken door hun tasschen en zakken te gappen en de hoek om te hollen.«
»Gillen ze niet verschrikkelijk en krabben ze soms niet?« vroeg Noah
hoofdschuddend. »Ik geloof niet, dat dat iets voor mij is. Is er niets
anders te vinden?«
»Wacht!« zei Fagin met zijn hand op Noah's knie. »De kuikens!«
»Wat's dat?« vroeg Mr. Claypole.
»Dat zijn de kleine kinderen, die door hun moeders worden uitgestuurd
om een boodschap te doen met sixpences en shillings; de kunst is, hun
't geld af te nemen--ze houden 't altijd klaar in hun handen--ze dan in
een goot te smijten en heel langzaam weg te gaan, alsof er niets anders
gebeurd is dan een kind dat valt en zich pijn doet. Ha! ha! ha!«
»Ha! ha!« brulde Mr. Claypole, van opwinding met zijn beenen trampelend,
»God! dat is wat voor me!«
»Natuurlijk,« hernam Fagin, »je kan daar een goeie slag mee slaan in de
buurt van Camden Town en Battle Bridge en in zulke buurten, waar altijd
kinderen boodschappen gaan doen; je kan daar op elk uur van den dag
zooveel kuikens omsmijten als je wil. Ha! ha! ha!«
Fagin gaf Claypole een stomp in de zijde en ze barstten beiden in een
luid, langdurig gelach uit.
»'t Is in orde!« zei Noah, toen hij weer tot bedaren was gekomen en
Charlotte binnen was. »Hoe laat zullen we zeggen morgen?«
»Is tien uur goed?« vroeg Fagin en voegde er, toen Claypole toestemmend
knikte, bij: »Welken naam kan ik aan mijn vriend opgeven?«
»Mijnheer Bolter,« zei Noah, die op dit geval was voorbereid. »Mijnheer
Morris Bolter. Dit is juffrouw Bolter.«
»Juffrouw Bolter, uw onderdanige dienaar,« zei Fagin en boog met
spottende beleefdheid. »Ik hoop binnenkort nader kennis met haar te
maken.«
»Hoor je wat die meneer zegt, Charlotte?« donderde Mr. Claypole.
»Jawel Noah, jawel!« antwoordde juffrouw Bolter en stak haar hand uit.
»Ze noemt me Noah; dat is een soort lief bijnaampje,« zei Mr. Morris
Bolter, voorheen Claypole, terwijl hij zich tot Fagin wendde. »Begrijpt
u?«
»O ja, ik begrijp 't--volkomen,« antwoordde Fagin en ditmaal sprak hij
waarheid. »Goeiennacht! Goeiennacht!«
Met vele goede wenschen en groeten ging Fagin heen.
Noah Claypole vroeg de aandacht van zijn lieve vriendin en begon uit te
leggen welk aandeel zij zou hebben in de schikking, zoo juist door hem
getroffen; hij deed dit met al de zelfbewustheid en meerderheid, die hem
niet alleen toekwam als lid van de sterkere sexe, maar ook als een heer,
die wist wat het was, zich speciaal er op toe te leggen, in Londen en
zijn omtrek kinderen te bestelen.