Waarin de lezer een tegenstelling zal opmerken, niet ongewoon in
huwelijksaangelegenheden.
Mr. Bumble zat in zijn huiskamer in het Armhuis; zijn oogen rustten met
een verdrietige uitdrukking op den somberen schoorsteen, die,--koud
en glimmend--nu, in den zomer, geen blijder glans uitstraalde dan den
weerschijn van enkele flauwe zonnestralen. Van den zolder hing een
papieren vliegenvanger af, waarheen hij nu en dan zijn oogen nadenkend
opsloeg; als de argelooze insecten om het lokkende traliewerk
heenvlogen, slaakte Mr. Bumble een diepen zucht, terwijl een nog
somberder schaduw over zijn trekken gleed. Mr. Bumble peinsde; mogelijk
brachten de insecten hem een of ander pijnlijk voorval uit zijn eigen
leven in herinnering.
De somberheid van Mr. Bumble was niet het eenige, dat in het hart van
den toeschouwer een weldoend gevoel van medelijden op kon wekken. Er
waren nog andere verschijnselen, zeer nauw verbonden met zijn eigen
persoon, die er op wezen, dat een groote verandering in zijn
omstandigheden had plaats gegrepen. De gegalonneerde jas en de driekante
steek, waar waren zij? Nog droeg hij een korte broek en donker katoenen
kousen, maar het was dezelfde broek niet meer. Zijn jas had wijde panden
en leek in dat opzicht op de vroegere jas, maar o, hoe anders was zij
toch! De indrukwekkende steek was vervangen door een eenvoudigen ronden
hoed. Mr. Bumble was geen gemeentebode meer.
Er zijn ambten in het leven, die, behalve het materiëele voordeel, dat
zij bieden, nog een bijzondere waarde en waardigheid ontleenen aan de
jassen en vesten, die er mee verbonden zijn. Een veldmaarschalk heeft
zijn uniform, een bisschop zijn zijden talaar, een raadsheer zijn zijden
toga, een gemeentebode zijn driekanten steek. Neem den bisschop zijn
talaar af, den bode zijn steek en galon en wat schiet er over? Een man.
Niets dan een man. Waardigheid, heiligheid zelfs, hangen meer samen met
jassen en vesten dan vele menschen denken.
Mr. Bumble had juffrouw Corney getrouwd en was vader van het Armhuis
geworden. De macht was op een anderen gemeentebode overgegaan. Op hem
waren de driekante steek, de jas met goudgalon en de stok alle drie
overgegaan.
»En morgen wordt het twee maanden!« zei Mr. Bumble met een zucht. »'t
Lijkt een eeuwigheid.«
Mr. Bumble bedoelde wellicht, dat hij een heel menschenleven van geluk
in het korte tijdsverloop van acht weken genoten had; maar de zucht--die
was zoo veelbeteekenend.
»Ik heb mezelf verkocht,« zeide Mr. Bumble, zijn gedachtenloop
vervolgend, »voor zes theelepeltjes, een suikertang en een melkkan,
met een zoodje tweedehands meubels en twintig pond in geld. 't Is een
prijsje. Goedkoop, vervloekt goedkoop!«
»Goedkoop!« riep een scherpe stem in Mr. Bumble's oor, »jij zou altijd
nog te duur geweest zijn en ik heb je duur genoeg betaald, dat weet Onze
Lieve Heer daarboven!«
Mr. Bumble keerde zich om en keek in het gezicht van zijn teergevoelige
wederhelft, die, ofschoon ze de weinige woorden van zijn klacht, die ze
verstaan had, maar half begreep, op goed geluk bovengenoemde opmerking
waagde.
»Juffrouw Bumble!« zei Mr. Bumble met sentimenteele gestrengheid.
»Nou?« vroeg de dame.
»Wees zoo goed mij aan te zien,« zei Mr. Bumble en hield zijn oogen
strak op haar gericht. (»Als zij zulke oogen uithoudt,« zei Mr. Bumble
in zichzelf, »dan staat zij voor niets. Geen arme heeft die oogen nog
kunnen verdragen. Als 't geen indruk op haar maakt, is mijn macht
verloren.«)
Of een uiterst geringe expansie van de oogen genoeg is om
gemeente-armen, die door de schrale voeding niet heel sterk zijn, in
elkaar te doen krimpen; of dat juffrouw Corney bijzonder ongevoelig was
voor adelaarsblikken, is een zaak van opvatting. Een feit is 't, dat de
waardige matrone in geenen deele door Mr. Bumble's dreigenden blik uit
het veld was geslagen maar er integendeel groote minachting tegenover
stelde en er zelfs om lachte, met een lach, die oprecht klonk.
Bij dit onverwachte geluid keek Mr. Bumble eerst ongeloovig en toen
verbluft. Daarna nam hij zijn vroegere houding weer aan en bleef
peinzen, tot zijn aandacht opnieuw werd getrokken door de stem van zijn
levensgezellin.
»Blijf je hier den heelen dag zitten snurken?« vroeg juffrouw Bumble.
»Ik zal hier blijven zitten, zoo lang ik het goed vind, juffrouw,«
antwoordde Mr. Bumble, »en ofschoon ik niet snurkte, zal ik snurken,
gapen, niezen, lachen of huilen, net naar 't mij invalt; dat is mijn
recht.«
»_Jouw_ recht!« smaalde juffrouw Bumble met onuitsprekelijke minachting.
»Dat heb ik gezegd, juffrouw,« zei Mr. Bumble. »Een man heeft het recht,
te bevelen.«
»Goeie hemel! en wat heeft een vrouw dan voor recht, zeg me dat eens!«
riep de weduwe van Mr. Corney zaliger.
»Om te gehoorzamen, vrouw,« donderde Mr. Bumble. »Dat had je ongelukkige
gestorven man je moeten leeren, dan leefde hij misschien nu nog. Ik wou,
dat 't waar was, de arme man!«
Juffrouw Bumble begreep in een flits, dat nu het beslissende oogenblik
was aangebroken en dat het er om ging, aan welken kant eens en voor goed
de heerschappij zou zijn; nauwelijks hoorde zij deze toespeling op den
doode of zij viel in een stoel neer, gilde hardop uit, dat Mr. Bumble
een ruwe wreedaard was en barstte in een vloed van tranen uit.
Maar tranen vonden nooit den weg naar Mr. Bumble's ziel; zijn hart was
waterproef. Evenals waschbare vilten hoeden, die mooier worden door een
regenbui, werden zijn zenuwen sterker en krachtiger door tranenbuiën;
deze waren teekenen van zwakheid en in zoover zwijgende getuigenissen
van zijn eigen macht; daarom behaagden ze hem en wekten hem op. Hij keek
zijn goede vrouw zeer voldaan aan en moedigde haar aan, maar zoo hard te
huilen als ze kon; de dokters beschouwden schreien als zeer bevorderlijk
aan de gezondheid.
»'t Verruimt de longen, wascht 't gezicht, oefent de oogen en tempert de
drift,« zei Mr. Bumble. »Dus huil maar op!«
Terwijl hij deze grap ten beste gaf, nam Mr. Bumble zijn hoed van den
spijker en zette hem eenigszins zwierig op één oor, zooals een man doet,
die voelt, dat hij zijn meerderheid behoorlijk heeft doen gelden; toen
stak hij zijn handen in zijn zakken en slenterde, met een guitig,
voldaan gezicht naar de deur.
Juffrouw Corney had de proef genomen met tranen, omdat dit gemakkelijker
was dan een vuistgevecht, maar zij was volkomen bereid, de proef met het
laatste te nemen, zooals Mr. Bumble spoedig gewaar zou worden.
Het eerste bewijs, dat hij ervan ondervond, was een hol geluid, waarop
onmiddellijk zijn hoed naar den anderen kant van de kamer vloog. Toen
zijn hoofd door dezen eersten aanval ontbloot was, greep de dame, die
ervaren was in het vak, hem stevig met de ééne hand bij de keel en
liet met de andere een bui van slagen, (met razende woede en veel
behendigheid toegebracht) op zijn hoofd neerregenen. Toen dit gedaan
was, begon zij hem bij afwisseling in zijn gezicht te krabben en aan
zijn haar te trekken; toen zij hem zooveel straf had toegediend, als de
beleediging volgens haar oordeel eischte, duwde zij hem in een stoel,
die gelukkig juist tot dat doel klaar stond en daagde hem uit, nog eens
over zijn recht te spreken als hij 't hart had.
»Sta op!« zei juffrouw Bumble op bevelenden toon. »En pak je weg, of ik
bega een ongeluk aan je.«
Mr. Bumble stond met een berouwvol gezicht op, zich afvragend wat dat
ongeluk wel zijn zou. Hij raapte zijn hoed op en ging naar de deur.
»Ga je?« vroeg juffrouw Bumble.
»Ja, vrouwtje, ja,« antwoordde Mr. Bumble met een snellere beweging naar
de deur. »Ik wou niet--ik ga al vrouwtje! Je bent zoo verschrikkelijk
driftig, dat ik....«
Op dit oogenblik deed juffrouw Bumble een haastigen stap vooruit om het
karpet goed te leggen, dat in de schermutseling van zijn plaats was
geraakt. Mr. Bumble vloog onmiddellijk de kamer uit, zonder ook maar één
gedachte aan zijn onafgemaakte zin te wijden en liet de vroegere
juffrouw Corney ten volle het veld behouden.
Mr. Bumble was eerlijk bij verrassing overrompeld en eerlijk verslagen.
Hij had een besliste neiging voor grootdoenerij, hield er niet weinig
van, kleine wreedheidjes te plegen en was dientengevolge ('t is
overbodig dit te zeggen) een lafaard. Dit sluit echter volstrekt geen
geringschatting voor zijn karakter in, want vele officieele personen,
die in hooge eer worden gehouden en zeer bewonderd, zijn aan dergelijke
zwakheden onderworpen. De opmerking wordt hier zelfs meer in zijn
voordeel gemaakt dan in zijn nadeel en met het doel, den lezer te doen
zien, hoe volkomen geschikt hij was om ambtenaar te zijn.
Doch de maat van zijn vernedering was nog niet vol.
Hij had een rondgang door het huis gemaakt en voor het eerst bedacht,
dat de armenwetten werkelijk te hard waren en dat mannen, die van hun
vrouwen wegliepen, zoodat deze ten laste der gemeente kwamen, rechtens
in 't geheel geen straf verdienden, maar eer beloond moesten worden als
verdienstelijke individuen, die veel verduurd hadden; zoo kwam hij bij
een kamer, waar enkelen van de vrouwelijke verpleegden gewoonlijk het
goed van de Gemeente waschten en waar hij nu drukke stemmen hoorde.
»Hm!« zei Mr. Bumble en nam al zijn natuurlijke waardigheid te baat.
»Die vrouwen zullen ten minste mijn rechten eerbiedigen. Hé! hé! Wat
beteekent dat lawaai, wijventroep?«
Bij deze woorden deed Mr. Bumble de deur open en kwam met een woedend
gezicht de kamer binnen, doch dit veranderde in eens in een nederig,
bang gezicht, toen zijn oogen onverwachts de gestalte van zijn zeer
waarde echtgenoote ontmoetten.
»Vrouwtje,« zei Mr. Bumble, »ik wist niet, dat jij hier was.«
»Wist niet, dat ik hier was,« herhaalde juffrouw Bumble. »Wat doe _jij_
hier?«
»Ik dacht vrouwtje, dat zij te veel praatten om hun werk behoorlijk te
doen,« antwoordde Mr. Bumble en staarde afgetrokken naar twee oude
vrouwtjes aan de waschtobbe, die in stomme verbazing het deemoedige
gedrag van den armhuisvader aankeken.
»_Jij_ dacht, dat ze te veel praatten?« zei juffrouw Bumble. »Wat gaat
jou dat aan?«
»Och.... vrouwtje....« stamelde Mr. Bumble onderworpen.
»Wat gaat jou dat an?« vroeg juffrouw Bumble nog eens.
»'t Is waar, jij bent de moeder hier, vrouwtje,« gaf Mr. Bumble toe,
»maar ik dacht, dat je misschien niet in de buurt was.«
»Ik zal je eens wat zeggen, meneer Bumble,« gaf zijn vrouw terug. »We
hebben jou hier heelemaal niet noodig. Jij houdt er veel te veel van, je
neus in dingen te steken, die je niet aangaan; iedereen in 't Huis lacht
er om als je je rug gekeerd hebt en je maakt er je elk uur van den dag
bespottelijk mee. Ga weg, vooruit!«
Mr. Bumble, die onder ware folteringen zag wat een schik de twee oude
vrouwtjes hadden, en hoe luidruchtig zij samen gichelden, aarzelde een
oogenblik. Juffrouw Bumble, wier geduld geen uitstel gedoogde, greep een
tijl met zeepsop, duwde hem naar de deur en beval hem, onmiddellijk heen
te gaan, wilde hij den inhoud niet op zijn waardige persoon uitgestort
zien.
Wat kon Mr. Bumble doen? Hij keek verslagen rond en sloop heen; toen hij
bij de deur was, ging het gegichel van de twee oude vrouwtjes over in
een schril gelach vol onuitsprekelijke pret. Dat ontbrak er nog maar
aan! Hij was vernederd in hun oogen, hij had zijn aanzien en macht zelfs
bij die schooiers verloren, van de hoogte en pracht als gemeentebode was
hij neergezonken tot de diepte van een belachelijken pantoffelheld.
»Alles in twee maanden tijd!« zei Mr. Bumble, van sombere gedachten
vervuld. »Twee maanden! Niet meer dan twee maanden geleden was ik niet
alleen mijn eigen baas, maar de baas over iedereen, zoo ver het 't
Armhuis betreft, en nu!....«
Het was te veel. Mr. Bumble gaf den jongen, die de poort voor hem
opendeed, een oorvijg (want al peinzend was hij bij den uitgang gekomen)
en liep in gedachten verzonken, de straat op.
Hij liep de ééne straat uit en de andere in, totdat de beweging zijn
hevigste smart wat bedaard had en toen maakte de verandering in zijn
stemming hem dorstig. Hij ging verscheidene herbergen voorbij, maar
bleef eindelijk staan voor een kroeg in een zijstraat, waar de
gelagkamer, naar hij bij een haastigen blik over de luiken ontdekte,
geheel leeg was op één klant na. Op dit oogenblik begon het hard te
regenen. Dit bracht de beslissing. Mr. Bumble stapte naar binnen,
bestelde in het voorbijgaan iets aan het buffet en ging het vertrek
binnen, waar hij van de straat af naar binnen had gekeken.
[Illustratie: ZIJ GREEP EEN TIJL MET ZEEPSOP, DUWDE MR. BUMBLE NAAR DE
DEUR EN BEVAL HEM ONMIDDELLIJK HEEN TE GAAN, WILDE HIJ DEN INHOUD NIET
OP ZIJN WAARDIGE PERSOON UITGESTORT ZIEN.]
De man, die daar zat, was groot en donker en droeg een wijde jas.
Hij zag er uit als een vreemdeling en scheen, te oordeelen naar een
zekere vermoeidheid in zijn trekken en de stoflaag op zijn kleeren, een
reis afgelegd te hebben. Hij keek Bumble van ter zijde aan, terwijl deze
binnenkwam, doch verwaardigde zich nauwelijks, in antwoord op diens
groet, met zijn hoofd te knikken.
Mr. Bumble bezat genoeg waardigheid voor twee, gesteld zelfs, dat de
vreemdeling toeschietelijker was geweest; dus dronk hij in stilte zijn
jenevergroc en las de courant met veel omslag en waardigheidsvertoon.
Nu geviel het, zooals het dikwijls zal gebeuren als twee menschen onder
dergelijke omstandigheden toevallig samen zijn, dat Mr. Bumble telkens
een onweerstaanbaren aandrang voelde, een verholen blik naar den vreemde
te werpen en dat, als hij dat deed, hij met eenige verlegenheid zijn
oogen afwendde, bij de ontdekking, dat de ander op hetzelfde oogenblik
hem zat te begluren. Mr. Bumble's gevoel van onbehagelijkheid nam nog
toe door de bijzondere uitdrukking in de oogen van den vreemde; die
oogen waren helder en scherp, maar overschaduwd door een donkeren blik
vol wantrouwen en argwaan, zooals hij nog nooit gezien had en die iets
terugstootends had.
Toen zij op deze wijze verscheidene malen elkanders blik ontmoet hadden,
verbrak de vreemdeling met lage, harde stem de stilte.
»Zocht u mij,« vroeg hij, »toen u door het raam naar binnen keek?«
»Niet dat ik weet, ten minste als u mijnheer....«
Hier hield Mr. Bumble plotseling op, want hij was nieuwsgierig naar den
naam van den vreemdeling en hoopte in zijn ongeduld dat de ander den zin
aan zou vullen.
»Ik zie, dat u mij niet zocht,« zei de vreemdeling, terwijl een
uitdrukking van half verborgen sarcasme om zijn lippen speelde, »anders
zoudt u mijn naam wel weten. U weet hem niet. En ik raad u aan, er niet
naar te vragen.«
»Ik meende niets kwaads, jongmensch,« merkte Mr. Bumble majestueus op.
»En hebt niets kwaads gedaan,« zei de vreemde.
Dit korte gesprek werd door nieuwe stilte gevolgd, die opnieuw door den
vreemdeling verbroken werd.
»Ik geloof, dat ik u al vroeger gezien heb?« zei hij. »U was toen anders
gekleed en ik liep u alleen op straat voorbij, maar ik herken u toch. U
was hier vroeger gemeentebode, nietwaar?«
»Om u te dienen,« zei Mr. Bumble, eenigszins verwonderd.
»Juist,« hernam de ander met een knikje. »En in die functie heb ik u
gezien. Wat bent u nu?«
»Vader van het Armhuis,« antwoordde Mr. Bumble langzaam en
indrukwekkend, om elke familiariteit, die de vreemdeling zich soms mocht
willen veroorloven, terug te wijzen. »Vader van het Armhuis,
jongmensch!«
»En u hebt nog evenveel oog voor uw eigenbelang als altijd, denk ik?«
hernam de vreemde en keek Mr. Bumble scherp in de oogen, toen deze ze,
verwonderd over de vraag, naar hem opsloeg. »Wees maar niet bang om
vrijuit te antwoorden, man. U ziet, ik weet wel een en ander van u.«
Mr. Bumble hield zijn hand boven zijn oogen en nam blijkbaar verbluft
den vreemdeling van het hoofd tot de voeten op. »Ik geloof, dat
een getrouwd man,« hernam hij, »gewoonlijk evenzeer er op uit mag
zijn een eerlijk stuivertje te verdienen als een ongetrouwd man.
Gemeenteambtenaren worden niet zoo goed betaald, dat zij zich kunnen
veroorloven een klein extraatje af te wijzen, wanneer dit hun gul en
eerlijk wordt aangeboden.«
De vreemdeling glimlachte en knikte opnieuw met het hoofd, als om te
zeggen, dat hij zich niet in den man vergist had; toen schelde hij.
»Vul dit glas nog eens,« zeide hij en reikte het leege glas van Mr.
Bumble den waard toe. »Maak 't sterk en heet. Daar houdt u van,
nietwaar?«
»Niet al te sterk,« viel Mr. Bumble in met een bescheiden kuchje.
»Je weet, wat dat zeggen wil, waard!« zei de vreemdeling op drogen toon.
De waard glimlachte, verdween en kwam een oogenblik later terug met een
dampend glas, waaruit de eerste slok Mr. Bumble tranen in de oogen
bracht.
»Luister nu,« zei de vreemdeling, nadat hij deur en raam gesloten had.
»Ik kwam vandaag hier in de stad om u op te zoeken en door één van die
toevallen, die de duivel soms zijn vrienden op hun weg voert, kwam u op
het oogenblik, toen mijn gedachten zich met u bezighielden, de kamer
binnen, waar ik zat. Ik moet een paar inlichtingen van u hebben. Ik
vraag u niet, ze voor niets te geven, al zijn ze maar klein. Steek dat
bij u, om te beginnen.«
Terwijl hij sprak, schoof hij den ander over de tafel een paar
sovereigns toe, voorzichtig, als wilde hij niet, dat het geluid van geld
buiten de kamer gehoord zou worden. Nadat Mr. Bumble de geldstukken
zorgvuldig onderzocht had om te zien of zij echt waren en ze met veel
voldoening in zijn vestjeszak gestoken had, ging hij voort:
»Laat uw gedachten eens teruggaan--laat zien--twaalf jaar was 't van den
winter.«
»Dat is een lange tijd,« zei Mr. Bumble. »Goed. Ik ben er.«
»Plaats der handeling: het Armhuis.«
»Goed.«
»Tijd: nacht.«
»Ja.«
»De plaats: het ellendige hol, waar 't ook is, waar smerige straatmeiden
jankende kinderen ter wereld brengen, aan wie ze het leven en de
gezondheid meegeven, die ze zelf niet hebben--kinderen, die tot last van
de Gemeente komen. De hoeren verbergen hun schande in 't graf, waar ze
liggen te verrotten!«
»De kraamkamer meent u?« vroeg Mr. Bumble, die de opgewonden
beschrijving van den vreemde niet heelemaal had gevolgd.
»Ja,« antwoordde de vreemdeling. »Daar werd een jongen geboren.«
»Heel veel jongens,« merkte Mr. Bumble met bedenkelijk hoofdschudden op.
»De pest hale die jonge duivels!« riep de vreemdeling uit, »ik spreek er
van één; een jongen met een bleek, zacht gezicht, die hier bij een
doodkistenmaker in de leer werd gedaan--ik wou, dat hij een doodkist
gemaakt en er zijn eigen lichaam in vastgeschroefd had--en die toen,
geloof ik, wegliep naar Londen.«
»O, u meent Oliver! Oliver Twist!« zei Mr. Bumble, »natuurlijk herinner
ik mij hem. Een koppiger jonge schavuit bestond er niet....«
»Ik wil niets van hem hooren; ik heb meer dan genoeg van hem gehoord,«
zei de vreemdeling en legde Mr. Bumble midden in een tirade over de
slechtheid van den armen Oliver, het zwijgen op. »Ik vraag naar een
vrouw; de oude heks, die zijn moeder oppaste. Waar is ze?«
»Waar ze is?« vroeg Mr. Bumble, die spraakzaam was geworden door de
jenevergroc. »Dat zou ik moeielijk kunnen zeggen. Maar waar ze ook is,
gebakerd wordt daar niet, dus ik denk wel, dat ze buiten dienst is.«
»Wat bedoel je?« vroeg de ander op strengen toon.
»Dat ze van den winter gestorven is,« antwoordde Mr. Bumble.
Toen hij deze inlichting gegeven had, keek de man hem strak aan en
ofschoon hij zijn oogen niet afwendde, werd zijn blik langzamerhand
vaag en afgetrokken en scheen hij in nadenken te verzinken. Een tijd
lang scheen hij er over in twijfel te verkeeren of hij verlicht of
teleurgesteld moest zijn over deze mededeeling; maar ten laatste haalde
hij vrijer adem, wendde zijn oogen af en merkte op, dat het er niet veel
toe deed. Hierna stond hij op, als om heen te gaan.
Maar Mr. Bumble was slim genoeg en hij zag plotseling, dat hier een
gelegenheid was om een geheim, dat zijn wederhelft kende, met voordeel
te gebruiken. Hij herinnerde zich heel goed den avond, toen de oude
Sally stierf--de gebeurtenissen van dien dag gaven hem goede reden,
zich dien te herinneren als den avond, waarop hij juffrouw Corney ten
huwelijk had gevraagd--en ofschoon genoemde dame hem nooit het geheim
had toevertrouwd, waarvan zij de eenige getuige was, had hij genoeg
gehoord, om te weten, dat het betrekking had op iets, dat in verband
stond met den dienst, die de oude vrouw als armhuis-baker bij Oliver's
moeder had verricht. Terwijl deze omstandigheid in zijn brein opkwam,
vertelde hij den vreemdeling met een geheimzinnig gezicht, dat één vrouw
alleen met het oude mensch was geweest eer zij stierf en dat deze vrouw,
naar hij reden had te gelooven, eenig licht kon werpen op het onderwerp
van zijn onderzoek.
»Hoe kan ik die vrouw vinden?« vroeg de vreemdeling, terwijl hij alle
voorzichtigheid liet varen en duidelijk toonde, dat zijn angst (waar die
dan ook uit voortkwam) door die mededeeling opnieuw opgewekt was.
»Alleen door mij,« antwoordde Mr. Bumble.
»Wanneer?« vroeg de vreemdeling haastig.
»Morgen,« antwoordde Bumble.
»Om negen uur 's avonds,« zei de vreemdeling, haalde een reepje papier
te voorschijn en schreef er in letters, die zijn opwinding verrieden,
een ietwat onduidelijk adres op aan den waterkant; »breng haar om negen
uur hier bij mij. Ik behoef u niet te zeggen er over te zwijgen. Dit is
in uw eigen belang.«
Met deze woorden ging hij naar de deur, nadat hij den drank betaald had.
Met de korte opmerking, dat zij verschillende wegen uit moesten, vertrok
hij zonder andere plichtplegingen dan de nadrukkelijke herhaling van het
afgesproken uur voor den volgenden avond.
Toen hij het adres bekeek, zag de gemeentebeambte, dat er geen naam bij
stond. De vreemdeling was nog niet ver weg, dus liep hij hem na om den
naam te vragen.
»Wat moet je?« riep de man, zich snel omkeerend, toen Bumble zijn arm
aanraakte, »volg je me?«
»Alleen om iets te vragen,« zei de ander, terwijl hij op het reepje
papier wees. »Naar welken naam moet ik vragen?«
»Monks!« antwoordde de man en stapte haastig voort.