HOOFDSTUK XXXVIII.

Bevat het relaas van wat tusschen mijnheer en juffrouw Bumble en

mijnheer Monks bij hun nachtelijke samenkomst voorviel.

Het was een stille, drukkende zomeravond. De wolken, die den heelen dag

gedreigd hadden, verspreidden zich tot een dichten, taaien nevel en

lieten reeds dikke regendroppels vallen, die een hevige donderbui

voorspelden, toen de heer en juffrouw Bumble de hoofdstraat van het

stadje uit kwamen en hun schreden richtten naar een verspreide groep van

vervallen huizen; deze was ongeveer anderhalve mijl buiten het stadje

gelegen op een laag, ongezond stuk grond, vlak aan de rivier.

Ze waren beiden in oude, versleten mantels gehuld, die misschien het

dubbele doel beoogden, hen voor den regen te beschermen en hen

onherkenbaar te maken.

De man droeg een lantaarn, die echter nog geen licht liet uitschijnen;

hij liep een paar passen vooruit, als om zijn vrouw--de weg was

modderig--het voordeel te gunnen, in zijn breede voetstappen te gaan.

Ze liepen in diep stilzwijgen voort; nu en dan hield Mr. Bumble zijn

schreden in en keerde zijn hoofd om, als om er zich van te overtuigen,

dat zijn wederhelft volgde; dan, bemerkend dat zij dicht achter hem was,

verhaastte hij zijn schreden en schreed met vluggen pas op het doel

van hun tocht af. De aard van deze plaats was niet twijfelachtig, want

ze stond al lang bekend als de woonplaats van allerlei geboefte, dat

onder verschillende voorwendsels, met werken den kost te verdienen,

hoofdzakelijk leefde van roof en misdaad. Het was een verzameling

krotten--sommige in de haast opgebouwd van losse steenen, anderen van

oud verweerd scheepshout--die zonder eenige orde of regelmaat bij

elkander lagen, voor 't meerendeel niet meer dan een paar voet van den

rivieroever af. Een paar lekke booten, die op den modder aan wal waren

getrokken en vastgemaakt aan het lage muurtje en een riem of een bos

touw hier en daar, schenen op het eerste gezicht er op te wijzen, dat de

bewoners van deze ellendige hutten hun werk op de rivier hadden; maar

een blik op den verwaarloosden en onbruikbaren toestand, waarin de

voorwerpen verkeerden, zou een voorbijganger gemakkelijk op het idee

brengen, dat ze daar meer lagen om den schijn op te houden dan voor

werkelijk gebruik.

Midden in deze groep hutten, vlak bij de rivier, naar welke de bovenste

verdieping overhing, stond een groot gebouw, vroeger gebruikt als een

of andere fabriek. De bewoners van de omringende huizen hadden daar

indertijd waarschijnlijk werk gevonden. Maar het gebouw was al lang een

ruïne geworden. Ratten, wormen en vocht hadden de palen, waar het op

stond, doen invallen en vergaan; een groot deel van het gebouw was al in

het water weggezakt, terwijl het overige wankele deel, dat zich over den

donkeren stroom heenboog, alleen op een gunstige gelegenheid scheen te

wachten om te volgen en hetzelfde lot te ondergaan.

Vóór dit vervallen gebouw bleef het waardige tweetal staan, toen de

eerste verre donderslag in de lucht weerklonk en de regen begon te

stroomen.

»Hier moet het ergens zijn,« zei Bumble, terwijl hij een reepje papier

in zijn hand raadpleegde.

»Hé!« riep een stem van boven.

Op het geluid afgaande, hief Mr. Bumble het hoofd in de hoogte en

ontdekte een man, die met zijn bovenlijf uit een deur op de tweede

verdieping leunde.

»Blijf even staan,« riep de stem, »ik kom dadelijk bij u.« Waarop het

hoofd verdween en de deur werd gesloten.

»Is dat de man?« vroeg Mr. Bumble's lieftallige wederhelft.

Mr. Bumble knikte bevestigend.

»Denk er om, wat ik je gezegd heb,« zei de armmoeder »en pas op, dat je

zoo weinig mogelijk loslaat, anders verraad je ons direkt.«

Mr. Bumble, die het gebouw met een benauwd gezicht had staan aankijken,

was blijkbaar op het punt eenigen twijfel te uiten of het voor 't

oogenblik wel geraden was, verder te gaan, toen hij hierin verhinderd

werd door de verschijning van Monks, die dicht bij hen een poortje

opendeed en hen uitnoodigde binnen te komen.

»Kom binnen!« riep hij ongeduldig en stampte met zijn voet op den grond.

»Laat me hier niet staan!«

De vrouw, die eerst geaarzeld had, ging zonder verdere uitnoodiging

kloekmoedig naar binnen. Mr. Bumble, bang of beschaamd om achter te

blijven, volgde, blijkbaar weinig op zijn gemak en met zeer weinig van

de eigenaardige waardigheid die anders zijn voornaamste eigenschap was.

»Waarom voor den duivel bleef je daar in de nattigheid staan?« vroeg

Monks aan Bumble, toen hij de deur achter hen gesloten had.

»We.... we wilden maar een beetje afkoelen,« stamelde Bumble, terwijl

hij wantrouwend om zich heen keek.

»Afkoelen!« viel Monks uit. »Al de regen, die ooit gevallen is of ooit

zal vallen, kan niet zooveel van het helsche vuur blusschen, als een

mensch in zich om kan dragen. Je kunt jezelf niet zoo licht afkoelen;

denk dat maar niet!«

Met dezen vriendelijken welkomsgroet wendde Monks zich tot juffrouw

Bumble en keek haar strak aan, tot zelfs zij, die niet voor een klein

geruchtje vervaard was, haar oogen moest afwenden en neerslaan.

»Dus dit is de vrouw?« vroeg Monks.

»Hm! Dit is de vrouw,« antwoordde Mr. Bumble, gedachtig aan de

raadgeving van zijn vrouw.

»U denkt zeker, dat vrouwen geen geheimen kunnen bewaren?« viel de

Moeder in, terwijl zij Monks zijn onderzoekenden blik teruggaf.

»Ik weet, dat zij er altijd één kunnen bewaren, net zoo lang tot het

ontdekt wordt,« zei Monks.

»En wat is dat dan?« vroeg de Armmoeder.

»Het verlies van hun eigen goeden naam,« antwoordde Monks. »Dus volgens

denzelfden regel ben ik niet bang, dat een vrouw een geheim, dat haar

aan de galg of op de galeien zou kunnen brengen, aan anderen zal

oververtellen. Begrijpt u, juffrouw?«

»Neen,« antwoordde juffrouw Bumble met een lichte blos.

»Natuurlijk niet,« zei Monks. »Hoe zoudt u dat kunnen begrijpen?«

Nadat de man zijn bezoekers een half lachenden, half dreigenden blik

had toegeworpen, verzocht hij hen, hem te volgen en liep haastig het

vertrek door, dat ruim was, maar laag van verdieping. Hij stond op het

punt, een steile trap of liever ladder op te klimmen, die naar een

hoogere verdieping leidde, waar misschien pakzolders geweest waren, toen

een helle bliksemstraal door de opening binnenviel, gevolgd door een

donderslag, die het vervallen gebouw op zijn grondvesten deed schudden.

»Hoor!« riep hij terugdeinzend. »Hoor! Dat rolt en kraakt of 't

weerkaatst wordt door de duizend holen waar de duivels in gevlucht zijn.

Ik haat dat geluid!«

Hij bleef een paar minuten zwijgen en toen hij plotseling zijn handen

van voor zijn gezicht wegnam, zag Mr. Bumble tot zijn onuitsprekelijke

ontsteltenis, dat het doodsbleek en verwrongen was.

»Soms krijg ik van die aanvallen,« zei Monks, die Bumble's ontsteltenis

opmerkte, »en vooral als 't onweert. Let er maar niet op; 't is nu voor

goed over.«

Met deze woorden ging hij hen vóór, de ladder op; in de kamer, waar de

ladder hen heenvoerde, sloot hij haastig de vensterluiken en liet een

lantaren neer, die met een touw en een katrol aan één van de zware

balken aan den zolder hing en een flauw licht wierp op een oude tafel en

drie stoelen er omheen.

»Nu,« zei Monks, toen zij alle drie zaten, »hoe eer wij onze zaken

afdoen, hoe beter. De vrouw weet waar 't om gaat, nietwaar?«

De vraag werd tot Bumble gericht, maar zijn vrouw voorkwam het antwoord,

door te zeggen, dat zij er alles van wist.

»Is 't waar, wat hij zei, dat u bij dat oude wijf was toen ze stierf en

dat zij u iets vertelde....«

»Over de moeder van den jongen, waar u over sprak,« viel de Moeder in.

»Ja.«

»De eerste vraag is, van welken aard was haar mededeeling?« zei Monks.

»Dat is de tweede,« merkte de vrouw bedachtzaam op. »De eerste is: wat

is de mededeeling waard?«

»Wie voor den duivel kan dat zeggen, als hij niet weet, wat 't is?«

vroeg Monks.

»Niemand beter dan u, daar ben ik van overtuigd,« antwoordde juffrouw

Bumble, wie het niet aan moed ontbrak, zooals haar mededrager van het

huwelijksjuk uit eigen ervaring kon getuigen.

»Hm!« zei Monks veelbeteekenend en met een scherp vragenden blik, »er is

misschien munt uit te slaan, niet?«

»Misschien wel,« was het kalme antwoord.

»Er werd haar iets afgenomen,« zei Monks. »Iets dat zij droeg. Iets

dat....«

»U kunt beter een bod doen,« viel juffrouw Bumble in. »Ik heb al genoeg

gehoord om mij ervan te overtuigen, dat u de man bent, aan wien ik het

vertellen moet.«

Mr. Bumble, die door zijn tweede-ik nog niet meer van het geheim had

vernomen dan zij hem op dien bewusten avond had medegedeeld, luisterde

met vooruitgestoken hals en wijdgesperde oogen naar het verhaal; daarna

richtte hij zijn oogen beurtelings op zijn vrouw en Monks--met

onmiskenbare verwondering--die zoo mogelijk nog aangroeide, toen de

laatste op stroeven toon vroeg, welke som voor de openbaring van het

geheim gevraagd werd.

»Wat is het u waard?« vroeg de vrouw, even kalm als te voren.

»Misschien niets, misschien twintig pond,« antwoordde Monks. »Spreek op

en laat mij 't geheim hooren.«

»Leg nog vijf pond bij de som, die u noemde; geef me vijf-en-twintig

pond in goud,« zei de vrouw, »en ik zal u alles vertellen wat ik weet.

Eer niet.«

»Vijf en twintig pond!« riep Monks terugdeinzend.

»Ik heb zoo duidelijk mogelijk gesproken,« antwoordde juffrouw Bumble.

»'t Is trouwens geen groote som.«

»Geen groote som voor een armzalig geheim, dat misschien niets is als 't

voor den dag komt,« riep Monks ongeduldig uit, »en dat al twaalf jaar of

langer dood is!«

»Zulke dingen bederven niet en worden net als goede wijn, na verloop van

tijd dubbel zooveel waard,« zei de vrouw steeds op denzelfden toon van

vastbesloten onverschilligheid. »Wat dat dood liggen betreft, er zijn

menschen, die twaalf duizend jaar of twaalf millioen jaar begraven

kunnen zijn en die ten slotte toch vreemde geschiedenissen zullen

vertellen!«

»En als ik 't geld voor niets betaal?« vroeg Monks aarzelend.

»U kunt 't gemakkelijk weer terugnemen,« antwoordde de Moeder. »Ik ben

maar een vrouw, alleen en onbeschermd.«

»Niet alleen, vrouwtje, en niet onbeschermd,« viel Mr. Bumble in met een

stem, die beefde van angst. »_Ik_ ben er toch. En bovendien,« voegde

Mr. Bumble er klappertandend bij, »mijnheer Monks is veel te veel man

van eer om tegenover Gemeente-ambtenaren geweld te gebruiken. Mijnheer

Monks weet, dat ik geen jonge man ben, vrouwtje, en ook dat ik, om zoo

te zeggen, een beetje in het zaad geschoten ben; maar hij heeft gehoord,

ik twijfel er niet aan of mijnheer Monks heeft wel gehoord, dat ik een

flinke kerel ben en ongewoon sterk als ik eenmaal driftig word. Ik moet

alleen een beetje driftig worden, dat is alles.«

Mr. Bumble deed onder het spreken een ongelukkige poging zijn lantaarn

met woeste kracht vast te grijpen; de angstige uitdrukking van zijn

gezicht deed duidelijk zien, dat hij werkelijk behoefte had een beetje,

en geen klein beetje ook, driftig te worden eer hij een vijandelijken

aanval zou doen--behalve tegenover de armen of andere lieden, die tot

dat doel opzettelijk in slechte conditie waren gebracht.

»Je bent 'n gek,« zei juffrouw Bumble, »en moest liever je mond houden.«

»Hij moest liever zijn tong afgebeten hebben, eer hij hier kwam, als hij

niet een minder hoogen toon kan aanslaan,« zei Monks grimmig. »Zoo! Dus

hij is uw man?«

»Hij mijn man!« gichelde de vrouw, het antwoord ontwijkend.

»Dat dacht ik al, toen u binnenkwam,« hernam Monks, en merkte den

nijdigen blik op, dien de vrouw onder het spreken haar echtgenoot

toewierp. »Zooveel te beter; ik heb er minder op tegen, de dingen met

twee menschen te bespreken, als ik weet dat zij maar één wil hebben. Ik

meen 't. Hier!«

Hij stak zijn hand in den zijzak van zijn jas, haalde er een linnen

zakje uit, telde vijf-en-twintig sovereigns op tafel neer en schoof ze

de vrouw toe.--

»Nu,« zeide hij, »strijk ze op, en als deze vervloekte donderslag, dien

ik voel aankomen, over is, laat dan je verhaal hooren.«

Toen de donder, die werkelijk veel naderbij was gekomen en bijna boven

hun hoofd losbarstte, weer zweeg, hief Monks zijn gezicht van de tafel

op en bukte voorover om te hooren wat de vrouw zeggen zou. De gezichten

van het drietal raakten elkaar bijna aan, terwijl de twee mannen zich,

in hun begeerte om te luisteren, over het tafeltje heenbogen en de

vrouw ook vooroverboog om haar gefluister te doen verstaan. De flauwe

lichtstralen van de hangende lantaren vielen vlak op hen en deden te

midden van de diepe duisternis en schaduw de bleekheid en spanning op

hunne gezichten scherp uitkomen, zoodat die gezichten iets spookachtigs

kregen.

»Toen die vrouw, die wij oude Sally noemden, stierf,« begon de

armmoeder, »waren zij en ik alleen.«

»Was er niemand bij?« vroeg Monks op denzelfden hollen fluistertoon,

»geen zieke schooier of idioot in een ander bed? Niemand, die 't hooren

kon en bij mogelijkheid verstaan?«

»Geen ziel,« antwoordde de vrouw, »wij waren alleen. Ik alleen stond bij

haar, toen de dood kwam.«

»Goed,« zei Monks en keek haar opmerkzaam aan. »Ga voort.«

»Zij sprak van een jonge vrouw, die eenige jaren geleden een kind ter

wereld bracht; niet alleen in dezelfde kamer, maar in hetzelfde bed,

waarin zij nu lag.«

»Zoo?« zei Monks met bevende lippen, terwijl hij over zijn schouder

keek. »Hel en duivel! Hoe vreemd kunnen de dingen loopen!«

»Het kind was de jongen, waar u gisteravond met hem over hebt

gesproken,« zei de vrouw met een onverschillig knikje in de richting van

haar man, »die baker had de moeder bestolen.«

»Bij haar leven?« vroeg Monks.

»Toen ze dood was,« antwoordde de vrouw met een lichte huivering. »Zij

stal van het lijk, toen het nog niet koud was, wat de gestorven moeder

haar met haar laatste krachten gesmeekt had voor het kind te bewaren.«

»Heeft zij 't verkocht?« vroeg Monks in wanhopige spanning. »Heeft zij

't verkocht? Waar? Wanneer? Aan wie? Hoe lang geleden?«

»Toen zij mij met groote moeite verteld had, dat ze dit gedaan had,« zei

de vrouw, »viel zij dood achterover.«

»Zonder iets meer te zeggen?« riep Monks met een stem, die juist omdat

ze gedempt was, te woedender klonk. »'t Is een leugen! Ik laat niet met

me spelen. Ze zei meer. Al moet ik 't leven uit jullie scheuren, ik wil

weten wat 't was.«

»Ze zei geen woord meer,« zei de vrouw, uiterlijk onbewogen (waar Mr.

Bumble ver vanaf was) door de woede van den zonderlingen man, »maar met

één hand, die half dicht was, greep zij mijn japon driftig vast; toen ik

zag, dat zij dood was en de hand met geweld los maakte, vond ik een

reepje vuil papier.«

»En daarin was--« viel Monks in, zijn hals rekkend.

»Niets; het was een kwitantie van een pandjeshuis.«

»Waarvoor?« vroeg Monks.

»Dat zal ik u straks vertellen,« zei de vrouw. »Ik denk, dat zij het

kleinood een poosje heeft bewaard, in de hoop er voordeel van te hebben

en 't later heeft beleend; en dat zij elk jaar geld bij elkaar heeft

gespaard of geschraapt om de rente bij de bank van leening te betalen,

zoodat het niet verstaan kon; als er dan een kans kwam, kon 't altijd

ingelost worden. Maar die kans was niet gekomen, en zooals ik al zeide,

stierf ze met het vuile, geknoeide vodje papier in haar hand. Twee dagen

later was de termijn om; ik dacht ook, dat 't misschien nog te pas kon

komen en loste het in.«

»Waar is het nu?« vroeg Monks snel.

»_Hier_,« antwoordde de vrouw. En alsof zij blij was, er afstand van te

kunnen doen, gooide zij haastig een klein zeemleeren zakje op tafel,

nauwelijks groot genoeg om een dameshorloge in te bergen. Monks viel er

op aan en scheurde het met bevende vingers open. Het bevatte een klein

gouden medaillon, met twee haarlokken, en een gladden gouden trouwring.

»Aan den binnenkant staat het woord »Agnes« gegraveerd,« zei de vrouw.

»Er is een plaats opengelaten voor den achternaam en dan volgt de datum;

die is nog geen jaar voordat het kind werd geboren. Dat heb ik ontdekt.«

»En is dit alles?« vroeg Monks, nadat hij den inhoud van het pakje nog

eens nauwkeurig en ijverig onderzocht had.

»Alles,« antwoordde de vrouw.

Mr. Bumble loosde een diepen zucht, alsof hij blij was, dat de

geschiedenis afliep, zonder dat er sprake van was, de vijf-en-twintig

pond te moeten teruggeven; nu eerst vond hij moed de zweetdruppels af te

wisschen, die gedurende het geheele onderhoud vrij langs zijn neus

gegleden waren.

»Ik weet niets van de geschiedenis, behalve wat ik er van raden kan,«

zeide zijn vrouw na een korte stilte, terwijl zij zich tot Monks wendde,

»en ik verlang er ook niets van te weten; dat is veiliger. Maar ik mag u

zeker wel twee vragen doen?«

»U mag vragen,« zeide Monks ietwat verwonderd, »maar of ik antwoorden

zal of niet, is een tweede vraag.«

»Dat zijn er bij mekaar drie,« merkte Mr. Bumble op, met een poging om

geestig te zijn.

»Is dit wat u verwachtte van mij te krijgen?« vroeg de armmoeder.

»Ja,« antwoordde Monks. »En de andere vraag?«

»Wat denkt u er mee te doen? Kan 't tegen mij gebruikt worden?«

»Nooit,« antwoordde Monks, »en evenmin tegen mij. Kijk! Maar doe geen

stap vooruit, of je leven is geen rooie duit waard.«

Bij deze woorden rolde hij plotseling de tafel weg, trok aan een ijzeren

ring in den vloer en sloeg vlak vóór Mr. Bumble's voeten een groot

valluik op, zoodat genoemde heer haastig een eind achteruitstoof.

»Kijk naar beneden,« zei Monks, terwijl hij de lantaren in de opening

hield. »Wees niet bang voor me. Als ik zooiets in mijn schild voerde,

had ik u zonder moeite naar beneden kunnen laten, toen u er bovenop

zat.«

[Illustratie: »KIJK NAAR BENEDEN,« ZEI MONKS, TERWIJL HIJ DE LANTAREN IN

DE OPENING HIELD.]

Aldus aangemoedigd kwam de vrouw dicht aan den rand en zelfs Mr. Bumble

waagde, door nieuwsgierigheid gedreven, hetzelfde te doen. Het donkere

water, gezwollen door den stortregen, ruischte in de diepte; alle

andere geluiden gingen verloren in het geraas, waarmede het tegen de

groen beschimmelde palen aanbruiste en klotste. Beneden was vroeger een

watermolen geweest; de stroom schuimde en schuurde om de half-vergane

spaken der raderen en enkele deelen van de oude machinerie, die nog over

waren gebleven; dan, bevrijd van de hinderpalen, die tevergeefs

trachtten zijn snellen loop tegen te houden, stortte de stroom met

nieuwe kracht voorwaarts.

»Als je hier een menschelijk lichaam in smeet, waar zou het dan morgen

zijn?« vroeg Monks, terwijl hij de lantaren in de donkere diepte heen en

weer zwaaide.

»Twaalf mijlen ver de rivier af en in stukken geslagen bovendien,« zei

Bumble, terugdeinzend bij de gedachte alleen.

Monks haalde het pakje uit zijn borst te voorschijn, waar hij het

haastig had opgeborgen; hij maakte het vast aan een stuk lood dat op den

grond lag en dat vroeger deel van een hijschblok scheen te hebben

uitgemaakt en liet het in den stroom vallen. Het viel recht en zwaar

neer als een dobbelsteen, deed het water nauwelijks zichtbaar opspatten

en was verdwenen.

Toen het drietal elkaar weer aankeek, schenen zij vrijer adem te halen.

»Daar!« zei Monks en sloot het valluik, dat met een zwaren slag op zijn

plaats terugviel. »Als de zee zijn dooden teruggeeft, zooals in de

boeken staat, zal ze haar goud en zilver wel vasthouden en dus die

rommel ook. We hebben niets meer te zeggen en kunnen ons gezellig

samenzijn opheffen.«

»Met alle genoegen,« merkte Mr. Bumble vroolijk op.

»Je houdt je kop dicht!« zei Monks met een dreigenden blik. »Voor je

vrouw ben ik niet bang.«

»Op mij kunt u vertrouwen, jongmensch,« antwoordde Mr. Bumble beleefd,

terwijl hij geleidelijk naar den ladder toeschoof. »Ten voordeele van

iedereen, jongmensch; voor mijzelf ook, meneer Monks.«

»Ik ben blij ter wille van jou, dit te hooren,« merkte Monks op. »Steek

je lantaarn aan! En ga hier zoo gauw vandaan als je kunt.«

't Was gelukkig, dat het gesprek hier eindigde; anders zou Mr. Bumble,

die nog maar zes duim van de ladder af was, ongetwijfeld hals over kop

in de ruimte er onder zijn getuimeld. Hij stak zijn licht aan aan de

lantaarn, die Monks van het touw had losgemaakt en in zijn hand hield;

zonder één poging het gesprek nog langer voort te zetten, daalde hij,

gevolgd door zijn vrouw, zwijgend de ladder af.

Monks vormde de achterhoede en bleef op elke trede staan om er zich van

te overtuigen, dat er geen ander gerucht werd gehoord dan het striemen

van den regen buiten en het geruisch van het water.

Voorzichtig en langzaam liepen zij het lager gelegen vertrek door; Monks

ontstelde van elken schaduw en Mr. Bumble, die zijn lantaren een voet

boven den grond hield, liep niet alleen buitengewoon omzichtig, maar

zelfs met opvallend zachten tred voor een man van zijn omvang;

zenuwachtig gluurde hij om zich heen naar verborgen valluiken. Het

poortje waardoor zij binnen waren gekomen, werd door Monks zachtjes

ontsloten en geopend; nadat zij een hoofdknik met hun vreemden gastheer

gewisseld hadden, verdween het echtpaar in de duisternis en nattigheid

buiten.

Ze waren nauwelijks weg, toen Monks, die een onoverwinnelijken afkeer

van alleen-zijn scheen te hebben, een jongen riep, die ergens beneden

verborgen was geweest. Hij beval hem, vóór te gaan en het licht te

dragen en keerde zoo naar de kamer terug, die hij juist had verlaten.

De avonturen van Oliver Twist · 第 98 / 118 题