Is heel kort en schijnbaar zonder belang; maar ondanks dat moet het toch
gelezen worden als vervolg op het vorige en als een sleutel tot een
ander, dat volgen zal, wanneer de tijd ervoor gekomen is.
»En dus ben je besloten van morgen mijn reisgezel te zijn, hé?« vroeg de
dokter, toen Harry Maylie bij hem en Oliver aan de ontbijttafel kwam.
»Jij blijft ook geen twee halve uren na elkaar bij hetzelfde plan!«
»U zult er dezer dagen wel anders over oordeelen,« zeide Harry en
kleurde zonder eenige naspeurlijke reden.
»Ik hoop, dat ik er reden voor zal hebben,« antwoordde de dokter,
»ofschoon ik bekennen moet, dat ik 't niet geloof. Gisterenmorgen nog
was je plotseling besloten, hier te blijven en als een gehoorzame zoon
met je moeder mee naar de zeekust te gaan. Eer het middag was, verkondig
je, dat je mij de eer zult aandoen mij zoover als ik ga te vergezellen
op je weg naar Londen. 's Avonds dring je, heel geheimzinnig, bij mij
aan, op reis te gaan eer de dames op zijn; waarvan het gevolg is, dat
Oliver hier aan 't ontbijt zit, terwijl hij in de weilanden behoorde te
dwalen om botanische wonderen van allerlei soort op te zoeken. 't Is al
te erg, wat zeg jij, Oliver?«
»'t Zou mij erg gespeten hebben, niet thuis te zijn als u en mijnheer
Maylie weggaan,« antwoordde Oliver.
»Jij bent een aardige jongen,« zei de dokter, »als je weer in Chertsey
bent, moet je mij eens komen opzoeken. Maar in ernst Harry, heeft een of
ander bericht van de groote hansen je in eens zoo doen verlangen om weg
te gaan?«
»De groote hansen,« antwoordde Harry, »onder welke benaming ik vermoed
dat u mijn zeer waarde oom bedoelt, hebben me heelemaal geen bericht
gezonden, sinds ik hier ben; ook is het in dezen tijd van 't jaar niet
waarschijnlijk dat iets mijn onmiddellijke verschijning bij hen
noodzakelijk zou maken.«
»Wel,« zei de dokter, »jij bent een gekke jongen. Maar natuurlijk
brengen ze je bij de verkiezing nog vóór Kerstmis in het Parlement
en deze plotselinge wisselingen en veranderingen zijn geen slechte
voorbereiding in de politiek. Er is iets voor te zeggen. Goed getrained
te zijn is altijd aan te bevelen, of de wedstrijd om een positie, een
eerebeker of een wedrenprijs gaat.«
Harry Maylie zette een gezicht, alsof hij dit korte gesprek kon doen
volgen door één of twee opmerkingen, die den dokter niet weinig versteld
zouden doen staan, maar hij vergenoegde er zich mee, te zeggen: »We
zullen wel zien« en ging niet verder op het onderwerp door. Kort daarop
reed de postsjees voor de deur. Giles kwam de bagage halen en de dokter
holde naar buiten om te zien of alles er wel was.
»Oliver,« zeide Harry Maylie met zachte stem, »ik wou graag een woordje
met je spreken.«
Oliver ging naar de breede vensterbank, waarheen Harry hem wenkte; heel
verbaasd toen hij opmerkte hoe de jonge man tegelijk bedroefd en
opgewonden scheen.
»Je kunt nu toch goed schrijven?« vroeg Harry en legde zijn hand op
Oliver's arm.
»Ik hoop 't, mijnheer,« antwoordde Oliver.
»Ik kom misschien in langen tijd niet weer thuis; ik wou graag, dat je
mij schreef--laten we zeggen eens in de veertien dagen om den anderen
maandag--naar het Algemeene Postkantoor in Londen. Wil je?«
»O! zeker mijnheer, ik zal er trotsch op zijn, dat ik 't doen mag,« riep
Oliver uit, erg vereerd met de opdracht.
»Ik wou graag weten, hoe mijn moeder en juffrouw Maylie het maken,«
zei de jonge man, »en dan mag je ook een velletje volschrijven met
te vertellen, welke wandelingen je doet en waar je over praat en of
zij--mijn moeder en Miss Maylie meen ik--gelukkig en vroolijk zijn.
Begrijp je me?«
»O, ja mijnheer, best,« antwoordde Oliver.
»Ik wou liever, dat je er met haarzelve niet over sprak,« zei Harry
haastig, »omdat moeder dan misschien ook meer aan mij zou willen
schrijven en 't is zoo'n moeite voor haar. Laat het een geheim zijn
tusschen jou en mij en denk er om, dat je alles schrijft! Ik reken op
je.«
Oliver, die zich heel vereerd en gewichtig voelde, nu hem zoo iets
belangrijks opgedragen werd, beloofde het geheim te bewaren en uitvoerig
te zijn in zijn berichten. Mijnheer Maylie nam afscheid van hem met
allerlei verzekeringen van zijn genegenheid en bescherming.
De dokter zat in de postkoets, Giles (die achter zou blijven) hield de
deur open en de dienstmeisjes stonden in den tuin te kijken. Harry wierp
één vluchtigen blik op het tralievenster en sprong in het rijtuig.
»Vooruit!« riep hij, »vlug, snel, in galop! Niets dat niet hard vliegt,
zal mij vandaag bijhouden. Hoor je?«
»Hallo!« riep de dokter, terwijl hij haastig het voorraampje neerliet en
den postiljon toeschreeuwde: »mij kan iets, dat heel langzaam vliegt,
wel bijhouden. Hoor je?«
Ratelend en rammelend, tot de afstand het geluid onhoorbaar maakte en
alleen het oog den snellen gang nog waar kon nemen, zocht het voertuig
zijn weg langs den weg, bijna verborgen in een stofwolk, nu eens gansch
verdwenen en dan weer zichtbaar, al naar de voorwerpen of de bochten van
den weg het toelieten. Eerst toen de stofwolk niet meer te zien was,
verspreidden de toeschouwers zich.
Er was één toeschouwster, die nog lang, nadat het rijtuig mijlen ver weg
was, haar oogen gericht hield op de plek, waar het was verdwenen; want
achter het witte gordijn, dat haar, toen Harry naar het raam opkeek,
verborgen had, zat Rose.
»Hij schijnt vroolijk en gelukkig,« zeide zij eindelijk. »Ik vreesde,
dat hij anders zou zijn. Ik vergiste me. Daar ben ik heel, heel blij
om.«
Tranen kunnen zoowel verdriet als blijdschap uitdrukken, maar de tranen,
die langs Rose's gezicht vloeiden, terwijl zij peinzend voor het raam
zat en altijd in dezelfde richting staarde, schenen meer van verdriet
dan van vreugde te spreken.