Verhaalt den onbevredigenden afloop van Oliver's avontuur en een niet
onbelangrijk gesprek tusschen Harry Maylie en Rose.
Toen de bewoners van het huis op Oliver's kreten haastig naar de plek
kwamen loopen vanwaar ze weerklonken, vonden zij hem bleek en opgewonden
wijzen naar de weiden achter het huis, terwijl hij nauwelijks in staat
was de woorden duidelijk uit te brengen. »De Jood! De Jood!«
Mr. Giles begreep in 't geheel niet, wat die kreet beduidde, maar Harry
Maylie, die vlugger van begrip was en Oliver's geschiedenis van zijn
moeder gehoord had, begreep het terstond.
»Welken kant is hij uitgegaan?« vroeg hij en nam een dikken stok, die in
een hoek stond.
»Die!« antwoordde Oliver en wees in de richting, die de man genomen had.
»Ze waren dadelijk uit 't gezicht.«
»Dan zijn ze in de greppel!« zei Harry. »Kom mee! En blijf zoo dicht bij
me als je kunt.« Met deze woorden sprong hij over de heg en holde weg
met een vlugheid, die het voor de anderen heel moeielijk maakte, hem bij
te houden.
Giles volgde zoo goed hij kon en Oliver volgde ook, en een paar minuten
later tuimelde dokter Losberne, die juist van een wandeling terugkwam,
achter hen aan over de heg; en vlugger opspringend dan men van hem zou
verwachten, nam hij met niet weinig snelheid deel aan den loop, steeds
zoo hard mogelijk schreeuwend om te weten wat er toch was.
Voort holden ze allemaal; ze stonden niet stil om adem te halen tot
de voorman, in een hoek van het weiland, dat Oliver had aangewezen,
nauwkeurig de greppel en de heg er naast begon te doorzoeken, wat den
overigen gelegenheid gaf, hem in te halen, en aan Oliver om dokter
Losberne te vertellen, wat aanleiding tot die verwoede vervolging had
gegeven.
Al hun zoeken was tevergeefs. Zelfs geen versche sporen van voetstappen
waren te zien. Ze stonden nu op den top van een heuveltje, vanwaar men
den omtrek in elke richting drie of vier mijlen ver kon overzien. Links
in de diepte lag het dorp; maar om daar te komen, na in de richting
gegaan te zijn, die Oliver aanwees, moesten de mannen over een open stuk
grond gegaan zijn, wat zij onmogelijk in zoo'n korten tijd hadden kunnen
doen. In andere richting werd het weiland omzoomd door een dicht bosch,
maar deze schuilplaats konden zij om dezelfde reden nog niet bereikt
hebben.
»Je moet gedroomd hebben, Oliver,« zei Harry.
»Neen, heusch niet, mijnheer,« antwoordde Oliver, huiverend bij de
enkele herinnering aan het gezicht van den ouden schurk, »daarvoor heb
ik hem te duidelijk gezien. Ik zag ze allebei, even duidelijk als ik u
nu zie.«
»Wie was de ander?« vroegen Harry en de dokter tegelijk.
»Dezelfde man waar ik u van vertelde, die in de herberg tegen me
aanliep,« zei Oliver. »We keken elkaar vlak in 't gezicht en ik kan er
op zweren, dat hij 't was.«
»Zijn ze dezen kant uitgegaan?« vroeg Harry, »weet je 't zeker?«
»Even zeker, als dat de mannen voor het raam stonden,« antwoordde Oliver
en wees onder het spreken naar de heg, die den tuin van het weiland
scheidde. »De lange man sprong er dáár overheen; de Jood liep een paar
stappen naar rechts en kroop door dat gat.«
De beide heeren zagen, hoe ernstig Oliver's gezicht stond onder het
spreken en terwijl zij beurtelings hem en elkander aankeken, waren zij
blijkbaar voldaan over de nauwkeurigheid, waarmee hij vertelde. Toch, in
geen enkele richting waren indrukken van voetstappen te vinden, alsof
mannen haastig waren weggevlucht. Het gras stond hoog, doch het was
nergens platgetrapt, behalve waar hun eigen voeten er overheen waren
gegaan.
De kanten der slooten waren van vochtige klei, maar nergens konden zij
den indruk van mannenschoenen ontdekken of het geringste teeken, dat er
op wees, hoe hier in de laatste uren de grond door eenigen voet betreden
was.
»'t Is vreemd,« zei Harry.
»Vreemd?« herhaalde de dokter. »Hier zouden Blathers en Duff zelfs geen
raad op weten.«
Ofschoon hun zoeken blijkbaar zonder resultaat was, gaven zij het niet
op, eer het vallen van den avond verdere pogingen onmogelijk maakte
en zelfs toen gaven zij het slechts met tegenzin op. Giles werd naar
de verschillende bierhuizen in het dorp gezonden, gewapend met de
nauwkeurigste beschrijving, die Oliver van uiterlijk en kleeding der
vreemdelingen kon geven. Van hen beiden was ten minste de Jood wel zoo
bijzonder, dat hij opgemerkt zou zijn, wanneer hij iets was komen
drinken of door het dorp had geloopen, maar Giles kwam met geen enkel
bericht terug, dat het geheim kon oplossen of zelfs maar minder
geheimzinnig maken.
Den volgenden dag werd er opnieuw gezocht en opnieuw nagevraagd, maar
met geen beter resultaat. Den daarop volgenden dag gingen Oliver en de
heer Maylie naar het stadje in de buurt, in de hoop daar iets van den
man te zien of te hooren; maar ook deze poging was vruchteloos. Na
enkele dagen raakte de zaak in het vergeetboek, zooals de meeste zaken,
wanneer de nieuwsgierigheid, bij gebrek aan nieuw voedsel, vanzelf
sterft.
Intusschen nam Rose snel in beterschap toe. Ze mocht van haar kamer
komen, kon uitgaan en bracht, toen zij weer in den familiekring kwam,
vreugde in aller harten.
Maar, ofschoon deze gelukkige verandering blijkbaar op den kleinen
kring inwerkte en ofschoon vroolijke stemmen en blij gelach weer
in het landhuis gehoord werden, scheen er nu en dan een vreemde
terughoudendheid te heerschen tusschen enkelen uit den kleinen
kring--waarin ook Rose betrokken was en die Oliver niet ontging. Mevrouw
Maylie en haar zoon sloten zich dikwijls langen tijd te zamen op en meer
dan eens verscheen Rose met sporen van tranen op haar gezicht.
Nadat dokter Losberne een dag had vastgesteld voor zijn vertrek naar
Chertsey, namen deze symptomen toe en het werd duidelijk, dat er iets
gaande was, dat de rust van het jonge meisje bedreigde en nog van iemand
anders ook.
Eindelijk, op een morgen, toen Rose alleen in de ontbijtkamer was, kwam
Harry Maylie binnen en vroeg na eenige aarzeling verlof, haar een
oogenblik te spreken. »Eén oogenblik--even maar--Rose, dat is genoeg,«
zei de jonge man en trok zijn stoel naast den hare. »Wat ik te zeggen
heb, kan je niet onbekend zijn; je kent de liefste wenschen van mijn
hart, al heb je ze nog niet van mijn lippen gehoord.«
Rose was, dadelijk toen hij binnenkwam, heel bleek geworden, maar dit
kon het gevolg zijn van haar ziekte. Zij boog alleen, en wachtte,
terwijl zij zich over de planten voor het raam heenboog, zwijgend tot
hij voort zou gaan.
»Ik--ik--had hier al eer vandaan moeten gaan,« zeide Harry.
»Dat had je zeker,« antwoordde Rose. »Vergeef me, dat ik het zeg, maar
ik wou, dat je 't gedaan had.«
»Ik kwam hier in de vreeselijkste en meest folterende angst, die er
bestaat,« zei de jonge man, »de angst, het eenige dierbare wezen te
verliezen, op wie al mijn verlangens en wenschen zijn gevestigd. Je was
den dood nabij, zwevend tusschen hemel en aarde. Wij weten, dat, als wat
jong is en schoon en goed, bezocht wordt door ziekte, de reine ziel zich
als vanzelf keert naar het blijde tehuis van eeuwige rust; wij weten,
dat de besten en edelsten van ons geslacht maar al te dikwijls in den
bloei verwelken.«
Toen deze woorden werden gesproken, sprongen tranen in de oogen van het
teere meisje en toen een traan op de bloem viel waar zij zich overheen
boog en helder bleef glinsteren in de kelk, waardoor de bloem nog mooier
werd, toen scheen het, alsof, wat zoo natuurlijk opwelde uit haar lieve
jonge ziel, zich verwant voelde aan de liefelijkste dingen der natuur.
»Een wezen,« ging de jonge man hartstochtelijk voort, »een wezen, even
schoon en schuldeloos als een van God's engelen, zweefde tusschen leven
en dood. O! wie durfde hopen, dat zij terug zou keeren tot de smart en
moeite van deze wereld, wanneer die andere verre wereld, waartoe zij
behoorde, zich reeds half opende voor haar blik! Rose, Rose! te moeten
denken, dat je heen zoudt gaan als een zachte schaduw, door een licht
van boven op de aarde geworpen; geen hoop te hebben, dat je gespaard
zoudt worden voor hen, die hier vertoeven; nauwelijks een reden te
weten, waarom dit zou gebeuren; te weten, dat je behoorde in die
schitterende sfeer, waarheen zoo velen van de schoonste en de beste
reeds vroeg hunne vlucht hebben genomen en toch te midden van al die
troostgronden te bidden, dat je behouden mocht blijven voor hen, die
je liefhadden--dit was een tweestrijd, bijna te zwaar om te dragen.
Daar leed ik onder bij dag en bij nacht en daarbij kwam zulk een
overweldigende stroom van angsten, vermoedens en zelfzuchtig verdriet,
wanneer je zoudt sterven en nooit zoudt weten, hoe innig ik je liefhad,
dat verstand en bewustzijn bijna bezweken onder den last ervan. Je werd
beter. Elken dag, ja, bijna elk uur, kwam je gezondheid als bij druppels
terug, die den zwakken, loomvlietenden levensstroom in je weer aandreven
tot een krachtigen, ruischenden vloed.
Met oogen, bijna blind door verlangen en diepe gehechtheid, heb ik
gezien, hoe je als van den dood tot het leven terugkwam. Zeg niet, hoe
je wenschte, dat ik dit niet had bijgewoond; het heeft mijn hart
verzacht jegens de geheele menschheid.«
»Dat bedoelde ik niet,« zei Rose schreiend, »ik wou alleen, dat je hier
vandaan was gegaan om je weer aan je hooge en edele streven te wijden;
een streven dat je waardig is.«
»Er is geen doel meer waard nagejaagd te worden door mij, of door de
edelste natuur die bestaat, dan het winnen van zulk een hart als het
jouwe,« zei de jonge man, terwijl hij haar hand nam. »Rose, mijn eigen,
lieve Rose! Jaren lang--jaren lang--heb ik je liefgehad; ik hoopte
beroemd te worden en dan vol trots thuis te komen en jou te zeggen, dat
ik alleen roem begeerd had om jou er in te laten deelen; in mijn wakend
droomen stelde ik mij voor, hoe ik je in dat gelukkige oogenblik al
de stille teekens die ik gegeven had van mijn jongensgenegenheid in
herinnering zou brengen; hoe ik je hand zou nemen als de vervulling van
een oud zwijgend gesloten verbond, dat tusschen ons bezegeld was! Die
tijd is niet gekomen; maar nu zonder roem en zonder dat één van mijn
jeugd-illusies nog verwezenlijkt werd, bied ik je het hart aan, dat al
zoo lang van jou was en zet al mijn geluk op de woorden, waarmee jij het
aanbod zult aanvaarden.«
»Je bent altijd vriendelijk en goed voor mij geweest,« zeide Rose,
terwijl zij trachtte haar ontroering te onderdrukken. »Je weet, dat ik
niet ongevoelig ben of ondankbaar; hoor dan mijn antwoord.«
»Het is, dat ik mag trachten je te verdienen, nietwaar Rose?«
»Het is,« antwoordde Rose, »dat je moet trachten mij te vergeten; niet
als je oude trouwe speelmakkertje, want dat zou mij pijn doen; maar
alleen als het voorwerp van je liefde. Kijk om je heen en denk er eens
aan, hoeveel harten er in de wereld te winnen zijn, waarop je trotsch
kunt wezen. Vertrouw mij toe, dat je een ander lief hebt als je wilt en
ik zal de meest oprechte, warmste en trouwste vriendin voor je zijn.«
Er volgde een stilte, gedurende welke Rose, die haar gezicht in haar
ééne hand verborgen had, den vrijen loop liet aan haar tranen. Harry
hield nog altijd de andere vast.
»En je redenen, Rose?« vroeg hij eindelijk met zachte stem, »je redenen
voor deze beslissing?«
»Je hebt 't recht ze te kennen,« gaf Rose toe. »Je kunt niets zeggen,
dat verandering brengt in mijn besluit. Het is een plicht, dien ik moet
volbrengen. Dat ben ik niet alleen aan anderen, maar ook aan mijzelf
verplicht.«
»Aan jezelf?«
»Ja Harry. Ik ben aan mijzelve verplicht, dat ik als meisje zonder
vrienden en zonder huwelijksgift, met een smet op mijn naam, aan jouw
vrienden geen reden geef, te vermoeden, dat ik zoo laag zou zijn gebruik
te maken van je verliefdheid om als een last op al je verwachtingen voor
de toekomst te drukken. Ik ben aan jou en je familie verplicht, te
beletten, dat je, in de warmte van je edelmoedige natuur, deze groote
hinderpaal zoudt plaatsen op je weg om in de wereld vooruit te komen.«
»Als je neigingen overeenkomen met je plichtsbesef--« begon Harry.
»Dat doen zij niet,« viel Rose in met donkeren blos.
»Dus je beantwoordt mijn liefde?« vroeg Harry. »Zeg dat alleen maar,
lieve Rose; zeg dat alleen en verzacht de bitterheid van deze wreede
teleurstelling!«
»Als ik 't had kunnen doen zonder den man, dien ik liefheb, groot
onrecht aan te doen,« hernam Rose, »dan zou ik--«
»Mijn liefdesbetuiging heel anders hebben beantwoord?« zei Harry.
»Verzwijg dat ten minste niet voor mij, Rose.«
»Dat is zoo,« zeide Rose. »Maar,« voegde zij erbij, terwijl zij hare
hand losmaakte, »waarom zouden wij dit pijnlijke gesprek voortzetten?
Heel pijnlijk voor mij en toch laat het iets gelukkigs na, want het
zal gelukkig zijn, te weten, dat ik in jouw hart eens de hooge plaats
innam, die ik daar nu heb en elke overwinning, die je in je leven
behaalt, zal mij met nieuwe kracht en nieuwen moed vervullen. Vaarwel
Harry! Zooals vandaag zullen we elkaar niet meer ontmoeten, maar in een
andere verhouding dan die waarin dit gesprek ons had kunnen brengen,
zullen wij lang en gelukkig verbonden zijn; mogen alle zegeningen, die
een trouw en oprecht hart af kan smeeken van de bron van alle waarheid
en oprechtheid, je gelukkig maken!«
»Nog één woord, Rose,« zeide Harry. »Laat mij de reden in je eigen
woorden hooren. Van je eigen lippen--toe!«
»Je hebt een schitterende toekomst voor je,« antwoordde Rose op vasten
toon. »Al de eereplaatsen, waarop groote talenten en machtige connecties
een man in het openbare leven kunnen brengen, staan voor je open. Maar
die connecties zijn trotsch; ik zou niet in aanraking willen komen met
menschen, die smalen op de moeder, welke mij het leven schonk en evenmin
oneer of tegenslag brengen over den zoon van haar, die zoo goed de
plaats van die moeder bij mij vervuld heeft. In één woord,« zei het
meisje en wendde haar gezicht af, daar zij voelde hoe de tijdelijke moed
haar ging begeven, »er rust een vlek op mijn naam, waarvoor de wereld
een onschuldige boeten laat. Ik zal er geen ander mede bevlekken en het
verwijt zal alleen mij treffen.«
»Nog één woord, Rose. Liefste Rose, nog één!« riep Harry en wierp zich
voor haar op de knieën. »Als ik minder--minder _gelukkig_ was geweest,
zou de wereld zeggen--als mijn bestemming een effen, eenvoudig leven was
geweest--als ik ziek, arm, ongelukkig was geweest, zou je je dan van mij
afgewend hebben? Of komt deze overweging daaruit voort, dat ik misschien
aanspraak zal mogen maken op eer en rijkdom?«
»Dwing mij niet, te antwoorden,« zei Rose. »Die vraag komt niet ter
sprake en zal nooit ter sprake komen. 't Is niet mooi, ja bijna hard, ze
uit te spreken.«
»Als je antwoord zijn zou, wat ik bijna durf hopen, dat het is,« hernam
Harry, »zal dit een straal van geluk werpen op mijn eenzamen weg en mijn
pad verlichten. Het is geen nietig iets, door een paar woorden zooveel
te doen voor iemand, die je boven alles liefheeft. O Rose! in naam van
mijn vurige, en onwankelbare liefde, in naam van al wat ik geleden heb
om jou en al het lijden, dat je mij nog oplegt, antwoord op die ééne
vraag!«
»Nu dan. Als het lot je een andere bestemming had gegeven,« sprak Rose,
»zelfs als je een weinig maar niet zoo ver boven mij had gestaan; als
ik een hulp en troost voor je had kunnen zijn in een nederig leven van
vrede en eenvoud, en niet hoefde te vreezen door een eerzuchtige en
voorname menigte als een last en een hinderpaal beschouwd te worden, dan
zou deze beproeving mij bespaard zijn. Ik heb nu alle reden om heel,
heel gelukkig te zijn, maar ik erken Harry, dat ik dan gelukkiger
geweest zou zijn.«
Terwijl Rose deze bekentenis deed, woelden door haar hoofd tal van
herinneringen aan vroegere verwachtingen, die zij als kind gekoesterd
had; maar zij voerden tranen mee, zooals oude verwachtingen doen wanneer
zij vernietigd zijn en deze tranen gaven haar verlichting.
»Ik kan niet helpen, dat ik zoo zwak ben, maar 't maakt mijn besluit des
te vaster,« zei Rose, hem haar hand toestekend. »Ik moet nu werkelijk
heengaan.«
»Ik vraag één belofte,« zei Harry. »Eens, en niet meer dan eens--zeg
over een jaar, maar 't kan veel eer zijn--mag ik nog over dit onderwerp
met je spreken en dan voor de laatste maal?«
»Maar niet om te trachten mijn besluit te veranderen,« antwoordde Rose
met een droeven glimlach, »dat zal tevergeefs zijn.«
»Neen,« zei Harry, »om het je te hooren herhalen, als je wilt, voor 't
laatst herhalen! Ik zal aan je voeten leggen, welke plaats of welk
fortuin ik ook bezit en als je nog vasthoudt aan je tegenwoordige
besluit, zal ik dit door woord noch daad trachten te veranderen.«
»Dan is 't goed,« zeide Rose, »'t zal nog maar eens pijn doen en tegen
dien tijd zal ik beter in staat zijn die te verdragen.«
Zij stak opnieuw haar hand uit. Maar de jonge man trok haar aan zijn
hart, drukte een kus op haar blanke voorhoofd en haastte zich de kamer
uit.