Bevat eenige voorloopige bijzonderheden betreffende een jongmensch, dat
nu ten tooneele verschijnt; en een nieuw avontuur, dat Oliver overkwam.
Het geluk was bijna te groot om gedragen te worden. Oliver was als
verbijsterd en bedwelmd door de onverwachte tijding; hij kon schreien
noch spreken, noch rust vinden. Hij was nauwelijks in staat, iets te
begrijpen van wat er was voorgevallen, totdat, nadat hij langen tijd
in den stillen avond buiten had geloopen, een stroom van tranen hem
verlichting schonk; toen scheen alles plotseling in hem wakker te
worden: het volle besef van de gelukkige verandering, die gekomen was en
van het bijna ondragelijke gewicht van angst, dat van zijn borst was
genomen.
De avond viel snel, terwijl hij naar huis terugkeerde, beladen met
bloemen, die hij met bijzondere zorg verzameld had ter versiering van de
ziekenkamer. Terwijl hij haastig langs den weg liep, hoorde hij achter
zich het geratel van een voertuig, dat met razenden vaart naderkwam.
Toen hij omkeek zag hij, dat het een postsjees was, die met groote
snelheid voortjoeg; daar de paarden galoppeerden en de weg smal was,
drukte Oliver zich tegen een hekje aan om het rijtuig voorbij te laten.
Terwijl het voorbijreed, zag hij in een flits een man met een witte
slaapmuts op; het gezicht kwam hem bekend voor, doch hij had het maar
zoo vluchtig gezien, dat hij niet uit kon maken, wie 't was. Een
oogenblik later werd de slaapmuts uit het portierraampje gestoken en
een stentorstem riep den koetsier toe, stil te houden, hetgeen deze
deed, zoo gauw hij zijn paarden tot stilstand brengen kon. Toen
verscheen de slaapmuts opnieuw en dezelfde stem riep Oliver bij zijn
naam.
»Hier!« riep de stem. »Oliver, hoe is het? Miss Rose! Oliver dan!«
»Bent u 't, Giles?« riep Oliver en holde naar het portier van de
postkoets.
Giles stak zijn slaapmuts weer naar buiten, met het doel eenig antwoord
te geven, toen hij plotseling achteruit werd getrokken door een jongeren
heer, die het andere hoekje van de sjees innam en driftig vroeg hoe het
ging.
»Zeg maar één woord!« riep deze, »beter of erger?«
»Beter--veel beter!« antwoordde Oliver haastig.
»Goddank!« riep de jonge man uit. »Weet je 't zeker?«
»Heel zeker, mijnheer,« antwoordde Oliver. »Een paar uur geleden is er
verandering gekomen en dokter Losberne zegt, dat alle gevaar voorbij
is.«
De jonge man antwoordde niet, maar deed het portier open, sprong uit het
rijtuig, greep Oliver bij den arm en trok hem mee naar den kant van den
weg.
»Weet je 't heel zeker? Is 't niet mogelijk, dat je je vergist, mijn
jongen?« vroeg de heer met trillende stem. »Bedrieg me niet, door
verwachtingen op te wekken, die niet vervuld zullen worden.«
»Dat zou ik voor niets ter wereld willen doen, mijnheer,« hernam Oliver.
»Heusch, u kunt me gelooven. Dokter Losberne's eigen woorden waren, dat
zij leven zou om ons aller vreugd te zijn. Dat heb ik hem zelf hooren
zeggen.«
Tranen stonden in Oliver's oogen, toen hij weer dacht aan dat oogenblik,
dat zooveel geluk inluidde; de jonge man wendde het gezicht af en
bleef enkele minuten zwijgen. Oliver meende hem meer dan eens te
hooren snikken, maar hij vreesde hem te storen door een of andere
opmerking--want hij begreep wel, wat de ander voelde--dus bleef hij op
zij staan en deed alsof hij met zijn bloemen bezig was.
Al dien tijd zat Mr. Giles met zijn slaapmuts op de tree van de koets;
hij liet op iedere knie een elleboog leunen en veegde zijn oogen af met
een blauw katoenen zakdoek met witte stippen. Dat de ontroering van den
braven kerel niet geveinsd was, werd ten stelligste bewezen door de
roode oogen, waarmee hij den jongen man aankeek, toen deze zich omkeerde
en hem aansprak.
»Het lijkt mij 't best, dat jij in de sjees doorrijdt naar mijn moeder,
Giles,« zeide hij. »Ik wou liever langzaam oploopen om wat tijd te
winnen, eer ik haar zie. Je kunt vast zeggen, dat ik kom.«
»Neem me niet kwalijk, mijnheer Harry,« zeide Giles, terwijl hij zijn
gerimpelde gezicht een laatsten veeg gaf met den zakdoek, »maar ik zou u
heel dankbaar zijn, als u den postjongen met die boodschap wou sturen.
't Zou geen pas geven, dat de meisjes in de keuken mij zóó zagen,
mijnheer; dan zou ik mijn gezag over haar voor goed kwijt zijn.«
»Nu,« antwoordde Harry Maylie met een glimlach »je kunt doen zooals je
wilt. Laat de postjongen doorgaan met de bagage, als je dat liever hebt
en kom jij met ons na. Maar verruil dan die slaapmuts voor een of ander
meer passend hoofddeksel, anders zien ze ons nog voor gekken aan.«
Mr. Giles, die nu eerst dacht aan zijn minder passend toilet, trok de
slaapmuts van zijn hoofd en stak ze in zijn zak; toen haalde hij uit de
koets een hoed van ernstig deftigen vorm te voorschijn en zette dien op.
Daarna reed de postiljon weg; Giles, de heer Maylie en Oliver volgden op
hun gemak.
Onder het voortloopen keek Oliver van tijd tot tijd met veel
belangstelling en nieuwsgierigheid naar den nieuw-aangekomene. Hij
scheen ongeveer vijf en twintig jaar te zijn en van middelbare grootte;
zijn gezicht was knap en innemend en zijn manieren gemakkelijk en
ongedwongen. Ondanks het verschil tusschen jeugd en ouderdom was de
gelijkenis tusschen hem en de oude dame zoo opvallend, dat het Oliver
niet moeilijk zou gevallen zijn, hunne familiebetrekking te raden, ook
wanneer de vreemde niet reeds van haar had gesproken als van zijn
moeder.
Mevrouw Maylie wachtte haar zoon in spanning op, toen deze bij het
landhuis aankwam. De ontmoeting had plaats onder groote ontroering van
weerszijden.
»Moeder!« fluisterde de jonge man, »waarom hebt u niet eer geschreven?«
»Ik had geschreven,« antwoordde Mevrouw Maylie, »doch bij nader bedenken
besloot ik den brief achter te houden tot ik het oordeel van dokter
Losberne wist.«
»Maar waarom«--zei de jonge man--»waarom de kans te loopen van wat toch
bijna gebeurd was? Als Rose--ik kan 't woord nu niet noemen--als haar
ziekte een anderen loop had genomen, hoe zoudt u 't dan uzelf hebben
kunnen vergeven? Hoe zou ik dan ooit weer geluk gekend hebben?«
»Als _dat_ gebeurd was, Harry,« zeide Mevrouw Maylie, »vrees ik, dat je
geluk voor goed verwoest zou zijn en dat het er heel weinig toe zou
doen, of je hier een dag eer of een dag later was gekomen.«
»En wien zou het verwonderen, als dat zoo was, moeder?« hernam de jonge
man, »of waarom zou ik zeggen: »_als?_« 't Is zoo--'t is zoo. Dat weet u
moeder--dat moet u weten!«
»Ik weet, dat zij de beste en reinste liefde waard is, die 't hart van
een man geven kan,« zei mevrouw Maylie; »ik weet, dat de innigheid en
toewijding, die zij in zich heeft, meer eischen dan wat gewoonlijk in
ruil gegeven wordt: een diepe, altijddurende liefde. Als ik dit niet
voelde en bovendien wist, dat een verandering in de liefde van iemand,
dien zij liefhad, haar hart zou breken, zou mijn taak mij niet zoo
moeilijk te vervullen toeschijnen, en zou ik in mijn eigen hart niet
zooveel strijd hebben te voeren, nu ik den weg ga, die mij, naar ik
geloof, door mijn plicht is voorgeschreven.«
»U bent hard, moeder,« zeide Harry. »Beschouwt u mij als een jongen, die
zijn eigen innerlijk niet kent en zich vergist in den drang van zijn
eigen hart?«
»Ik geloof, mijn lieve jongen,« antwoordde mevrouw Maylie, terwijl zij
hare hand op zijn schouder legde, »dat jeugd veel edelmoedige ingevingen
heeft, die niet duren, en dat daar enkele onder zijn, die, wanneer zij
gevolgd worden, des te eer vervliegen. Bovenal geloof ik dit,« zeide de
oude dame, haar oogen strak op 't gezicht van haar zoon gevestigd: »Als
een enthousiast, vurig en eerzuchtig man een vrouw trouwt, op wier
naam een vlek kleeft, die, al heeft zij zelve er geen schuld aan, door
toedoen van koude, lage menschen, toch op haar hoofd neerkomt en op zijn
kinderen; wanneer dit hem, juist in dezelfde mate als hij succes heeft
in de wereld, zijdelings verweten wordt en 't onderwerp uitmaakt van
schampere opmerkingen, dat het dan zou kunnen gebeuren, dat hij, hoe
goed en edelmoedig zijn aard ook zij, op zekeren dag die verbindtenis
uit zijn jeugd zou gaan berouwen. En dan komt voor haar het leed, omdat
zij dit begrijpt.«
»Moeder,« zei de jonge man ongeduldig, »wie zoo deed zou een ruwe egoïst
zijn, evenmin waard den naam van man te dragen, als de vrouw, die u
beschrijft, de zijne te noemen.«
»Zoo denk je nu, Harry,« antwoordde zijn moeder.
»En zoo zal ik altijd denken,« zei de jonge man. »De zielsangst,
waaronder ik de laatste twee dagen geleden heb, dringt mij tot de
bekentenis van een hartstocht, die, zooals u wel weet, niet van gisteren
is en niet de inval van een oogenblik. Mijn hart hangt aan Rose, het
lieve, teere meisje! zoo innig, als ooit het hart van een man aan een
vrouw gehangen heeft. Ik heb geen gedachte, geen uitzicht, geen hoop in
mijn leven, waar zij niet in betrokken is; en als u mij tegenwerkt in
dit, dat de inzet van mijn leven is, dan neemt u mijn geluk en mijn
zielevrede in uwe handen en verstrooit ze in den wind. Moeder, denk
beter van mijn liefde en van mij en misken het geluk niet, waarover u
zoo gering schijnt te denken.«
»Harry,« zeide mevrouw Maylie, »'t is juist, omdat ik zoo goed denk over
warme, gevoelige harten, dat ik ze voor pijn wil behoeden. Maar we
hebben nu reeds genoeg en meer dan genoeg over de kwestie gezegd.«
»Laat Rose dan beslissen,« viel Harry in. »U zult die overdreven ideeën
van u toch zeker niet zoo ver willen drijven van eenigen hinderpaal op
mijn weg te werpen?«
»Dat zal ik niet doen,« antwoordde mevrouw Maylie. »Maar ik wou dat jij
bedacht--«
»Ik heb alles bedacht,« was het ongeduldige antwoord; »moeder, ik heb er
jaren en jaren over gedacht. Ik heb er over gedacht zoo lang ik in staat
ben ernstig na te denken. Mijn gevoelens blijven onveranderd, zooals zij
altijd zullen blijven, en waarom zou ik mijzelf pijn doen, door nog
langer te wachten er gehoor aan te geven, wat voor niemand ter wereld
dienstig kan zijn? Neen! Eer ik 't huis verlaat, zal Rose mij
aanhooren.«
»Goed,« zei mevrouw Maylie.
»Er is iets in uw manier van doen, moeder, waaruit ik bijna opmaak, dat
zij mij koel aan zal hooren,« zei de jonge man.
»Koel niet,« antwoordde de oude dame, »verre van dien.«
»Wat dan?« vroeg de jonge man. »Ze heeft toch geen ander lief?«
»Dat niet,« antwoordde zijn moeder, »als ik mij niet vergis, heb jij
maar al te zeer haar genegenheid reeds gewonnen. Wat ik zeggen wilde,«
hernam de oude dame, haar zoon, die wilde spreken, in de rede vallend,
»is dit. Vóór je alles op 't spel zet; vóór je jezelf opvoert tot de
hoogste verwachtingen; denk eerst eens na, jongenlief, over Rose's
geschiedenis en bedenk, welke invloed het kennen van haar twijfelachtige
geboorte op haar besluit kan hebben--gehecht als zij is aan ons, met al
de innigheid van haar gevoelig hart en met die volkomen opoffering van
haarzelf, die haar in alle zaken, groot of klein zoo eigen is.«
»Wat bedoelt u?«
»Dat uit te maken, laat ik aan jezelf over,« antwoordde mevrouw Maylie.
»Ik moet nu naar haar terug. God zegene je!«
»Ik zie u vanavond toch nog?« vroeg de jonge man gretig.
»Strakjes,« antwoordde zijn moeder, »als ik van Rose terug kom.«
»Vertelt u haar, dat ik hier ben?« vroeg Harry.
»Natuurlijk,« antwoordde mevrouw Maylie.
»En hoe angstig ik ben geweest, en hoe ik heb geleden, en hoe ik naar
haar verlang. U zult dat toch niet weigeren, moeder?«
»Neen,« zei de oude dame; »ik zal haar alles vertellen.«
Ze drukte innig de hand van haar zoon en ging haastig de kamer uit.
Terwijl dit gesprek op haastigen toon gevoerd werd, waren Oliver en
dokter Losberne in een anderen hoek van de kamer gebleven. De eerste
stak nu Harry de hand toe en hartelijke begroetingen werden over en weer
gewisseld.
In antwoord op ontelbare vragen van zijn jongen vriend, gaf de dokter
nauwkeurig verslag van den toestand zijner patiente, een verslag dat
even troostend en veelbelovend van toon was als Oliver's bericht hem had
doen hopen. Mr. Giles, bezig met de bagage, luisterde er met gretige
ooren naar.
»Heb je den laatsten tijd nog iemand neergeschoten, Giles?« vroeg de
dokter, toen hij had uitgesproken.
»Niemand dokter,« antwoordde Mr. Giles, met een kleur tot op zijn
voorhoofd.
»Geen dieven gevangen of inbrekers herkend?« vroeg de dokter.
»Heelemaal niet, mijnheer,« antwoordde Mr. Giles, dood-ernstig.
»Hé,« zei de dokter, »dat spijt me, je kunt die dingen zoo knap. En hoe
maakt Brittles 't?«
»Die jongen maakt 't best, mijnheer,« zei Mr. Giles weer op zijn gewonen
beschermenden toon, »hij doet u zijn eerbiedige groeten.«
»Goed,« zei de dokter. »Nu ik je hier zie, Giles, denk ik er weer aan,
dat ik op den dag, voordat ik hier zoo haastig naar toe ging, op verzoek
van je goede meesteres een kleine opdracht vervulde ten gunste van jou.
Kom eens even hier in den hoek, wil je?«
Mr. Giles stapte heel gewichtig, maar toch eenigszins verbaasd, naar den
hoek en werd daar vereerd met een korte, gefluisterde mededeeling van
den dokter, aan het slot waarvan Giles verscheidene buigingen maakte en
met buitengewone statigheid de kamer uitstapte.
Over het onderwerp van dit gesprek werd in de kamer niet gesproken, maar
de keuken was er spoedig over ingelicht, want Mr. Giles ging daar recht
naar toe, riep om een kruik ale en vertelde in majestueuse houding, die
veel indruk maakte, dat het zijne meesteres behaagd had, ingevolge zijn
moedig gedrag bij gelegenheid van de poging tot inbraak, ten zijnen
voordeele de som van vijf-en-twintig pond op de spaarbank te zetten. Bij
dit bericht hieven de beide vrouwelijke dienstboden handen en oogen ten
hemel en merkten op, dat Mr. Giles nu wel trotsch zou worden, waarop Mr.
Giles, zijn jabot rechttrekkend: »Neen, Neen« antwoordde, en dat hij
haar zeer dankbaar zou zijn, wanneer zij, mocht hij zich trotsch toonen
tegenover zijn minderen, hem daarop wilden wijzen. Daarna maakte hij nog
vele andere opmerkingen, die niet minder zijn nederigheid in het licht
stelden en die met dezelfde toejuiching en waardeering ontvangen werden;
zij waren dan ook over het geheel even origineel en doeltreffend als de
opmerkingen van groote mannen gewoonlijk zijn.
De verdere avond ging in de huiskamer opgewekt voorbij, want de dokter
was vroolijk gestemd, en hoe vermoeid of afgetrokken Harry Maylie in 't
begin ook mocht zijn, hij was niet bestand tegen de opgeruimdheid van
den dokter, die zich uitte in allerlei kwinkslagen en herinneringen uit
zijn praktijk, en in grapjes, die Oliver het koddigste toeschenen wat
hij ooit gehoord had en waar hij dus schaterend om lachte, tot blijkbare
voldoening van den dokter; deze lachte zelf hartelijk om zijn eigen
grappen totdat Harry, door de macht der sympathie, bijna even hard
meelachte. Zoo zaten zij zoo vroolijk bij elkaar, als in de gegeven
omstandigheden maar mogelijk was en het was laat eer zij met lichte,
dankbare harten uit elkaar gingen om de rust te zoeken, waaraan zij, na
de spanning en onzekerheid der laatste dagen, groote behoefte hadden.
Oliver stond den volgenden morgen veel opgeruimder op en begon met veel
meer plezier aan zijn gewone morgenbezigheden dan hij dagen lang gekend
had. De vogels werden weer op hun oude plaatsje buiten gehangen om daar
te zingen en de mooiste wilde bloemen die te vinden waren, werden weer
geplukt, om Rose met hun schoonheid te verheugen. De droefheid, die in
de oogen van den angstigen jongen de vorige dagen over alle voorwerpen,
al waren ze nog zoo mooi, te hangen scheen, was nu als door betoovering
weggevaagd. De dauw scheen helderder te schitteren op de groene
bladeren, de lucht scheen vervuld van liefelijker muziek en de hemel
zelf scheen blauwer en helderder. Zoo groot is de invloed, die onze
eigen gedachten verleenen zelfs aan het uiterlijk van dingen buiten ons.
Menschen, die de natuur en hunne medemenschen aanzien en roepen, dat
alles donker en somber is, hebben gelijk, maar de sombere kleuren zijn
de weerschijn van hun eigen kranke oogen en harten. De werkelijke
kleuren zijn fijn, men heeft heldere oogen noodig om ze te zien.
We moeten hier opmerken en Oliver merkte het te zijner tijd eveneens op,
dat deze morgentochten niet langer alleen werden gemaakt. Harry Maylie
legde na den eersten morgen, toen hij Oliver met volle handen thuis
zag komen, zulk een liefde voor bloemen aan den dag en zulk een goeden
smaak om ze te schikken, dat hij hierin zijn jonger vriendje ver achter
zich liet. Doch al was Oliver de mindere in dit opzicht, hij wist waar
de beste bloemen te vinden waren en den éénen ochtend na den andere
zwierven zij samen door den omtrek en brachten de mooiste bloemen, die
bloeiden. Het raam van Rose's kamer stond nu open, want zij hield er
van, de welige zomerlucht binnen te voelen stroomen en leefde op in de
heerlijke frischheid ervan, maar juist binnen het kozijn stond één klein
bouquetje in 't water, dat elken morgen met de grootste zorg verfrischt
werd. Oliver kon niet nalaten op te merken, dat de verflenste bloemen
nooit weggegooid werden, ofschoon het vaasje geregeld opnieuw werd
gevuld; ook zag hij, dat de dokter, zoo dikwijls hij in den tuin
kwam, vast en zeker zijn oogen naar dat bijzondere hoekje opsloeg en
nadenkend met het hoofd knikte, terwijl hij zijn morgenwandeling
voortzette. Intusschen vlogen de dagen voorbij en Rose nam snel in
beterschap toe.
De tijd viel Oliver niet lang, al was Rose nog niet uit haar kamer
geweest en al waren er geen avondwandelingen, behalve nu en dan een
klein eindje met mevrouw Maylie. Hij legde zich met verdubbelden ijver
toe op de lessen van den witharigen ouden heer en werkte zóó hard, dat
zijn snelle vorderingen hemzelf verbaasden. Bij dit werk werd hij op
zekeren dag hevig verschrikt en ontsteld door een onverwachte
gebeurtenis.
Het kamertje, waar hij gewoonlijk zat als hij zijn lessen leerde, was
gelijkvloers en lag aan den achterkant van het huis. Het was een echt
tuinkamertje met een tralievenster, waaromheen jasmijn en kamperfoelie
groeiden, waarvan de ranken om de tralies kropen en het vertrekje met
hun heerlijken geur vulden.
Het zag uit in een tuin, die met een hekje naar een omheind grasveld
voerde; in heel den omtrek waren frissche weilanden en bosschen. In die
richting lag geen ander huis in de buurt en men had er een uitgestrekt
vergezicht.
Op een mooien avond, toen de eerste schaduwen der schemering op de aarde
nederdaalden, zat Oliver vóór dit raam, ingespannen bezig met zijn
boeken. Een tijd lang had hij zich in zijn boek verdiept en daar de dag
drukkend warm was geweest en hij zich nogal had ingespannen, ligt er
geen minachting in voor den schrijver van dat boek, wie het ook zij,
wanneer ik zeg, dat Oliver langzamerhand in slaap viel.
[Illustratie: »ST.... VRIEND! MEENDE HIJ TE HOOREN ZEGGEN.... HIJ IS 'T
STELLIG.«]
Soms besluipt ons een soort van slaap, die het lichaam gevangen houdt,
doch den geest zich bewust laat blijven van de dingen om hem heen en hem
vrij laat, rond te dwalen, waarheen hij lust heeft. In zoover drukkende
loomheid, volslagen gebrek aan kracht en onmacht onze gedachten te
controleeren of ons te bewegen, slaap genoemd kunnen worden, dan is dit
slaap en toch hebben wij besef van alles, wat om ons heen voorvalt.
Wanneer wij op zulk een oogenblik droomen, vereenzelvigen zich woorden,
die werkelijk gesproken worden, of klanken, die werkelijk bestaan, met
verrassende vlugheid met onze droom-visioenen, totdat werkelijkheid en
verbeelding zoo vreemd dooreengemengd zijn, dat het naderhand bijna
onmogelijk is, ze van elkaar te scheiden. Doch dit, een treffend wonder,
is volstrekt niet alleen aan zulk een droomtoestand eigen. Het is een
onbetwistbaar feit, dat, ofschoon onze gevoels- en gezichtszinnen voor
het oogenblik dood zijn, toch de gedachten van onzen slaap en de
droomtafereelen, die wij zien, den daadwerkelijken invloed ondervinden,
zelfs van _de zwijgende tegenwoordigheid_ van een of ander voorwerp
buiten ons, dat misschien niet bij ons was, toen wij onze oogen sloten
en van welks nabijheid wij bij ons wakker zijn niet wisten. Oliver wist
heel goed, dat hij in zijn eigen kamertje zat, dat zijn boeken vóór
hem op tafel lagen, dat de geurige buitenlucht van buiten door de
slingerplanten heen binnenstroomde. En toch sliep hij. Plotseling
veranderde het tooneel, de lucht werd benauwd en drukkend en hij
ontdekte met een gevoel van ontzetting, dat hij weer in het huis van den
Jood was. Daar zat de afschuwelijke oude man in zijn gewone hoekje en
wees naar hem, met afgewend gezicht fluisterde hij een anderen man, die
naast hem zat, iets in.
»St..... vriend!« meende hij den Jood te hooren zeggen, »hij is 't,
stellig. Kom mee.«
»Hij!« scheen de andere man te antwoorden, »denk je, dat ik me in hem
vergissen kan? Al had een stoet spoken ook allemaal zijn gedaante
aangenomen en hij stond er tusschen, dan zou toch iets me zeggen, hoe ik
hem er uit zou vinden. Al begroef je hem vijftig voet diep en je bracht
mij bij het graf, dan zou ik toch, geloof ik, weten, dat hij er onder
lag, al stond er geen teeken op!«
De man scheen dit met zoo'n vreeselijken haat te zeggen, dat Oliver van
angst wakker werd en opsprong.
God! wat was dat, dat het bloed naar zijn hart terugdreef en hem buiten
staat deed zijn te schreeuwen of zich te verroeren? Daar--daar--vóór het
raam, vlak vóór hem--zóó vlak bij, dat hij hem bijna had kunnen aanraken
eer hij terugdeinsde, met zijn oogen de kamer inglurend en de zijne
ontmoetend, daar stond de Jood! En naast hem, wit van woede of angst of
van beide, zag Oliver de norsche trekken van denzelfden man, die in de
herberg tegen hem was aangebotst. Het was maar een oogwenk, een flits,
en weg waren zij! Maar zij hadden hem herkend en hij hen en hunne
gezichten waren zoo vast in zijn geheugen geprent, alsof zij diep in
steen gegriffeld waren en hij ze zóó van zijn geboorte af vóór zich had
gehad. Een oogenblik stond hij als vastgenageld aan den grond; toen
sprong hij uit het raam in den tuin en schreeuwde luidkeels om hulp.