HOOFDSTUK XXXIV.

Bevat eenige voorloopige bijzonderheden betreffende een jongmensch, dat

nu ten tooneele verschijnt; en een nieuw avontuur, dat Oliver overkwam.

Het geluk was bijna te groot om gedragen te worden. Oliver was als

verbijsterd en bedwelmd door de onverwachte tijding; hij kon schreien

noch spreken, noch rust vinden. Hij was nauwelijks in staat, iets te

begrijpen van wat er was voorgevallen, totdat, nadat hij langen tijd

in den stillen avond buiten had geloopen, een stroom van tranen hem

verlichting schonk; toen scheen alles plotseling in hem wakker te

worden: het volle besef van de gelukkige verandering, die gekomen was en

van het bijna ondragelijke gewicht van angst, dat van zijn borst was

genomen.

De avond viel snel, terwijl hij naar huis terugkeerde, beladen met

bloemen, die hij met bijzondere zorg verzameld had ter versiering van de

ziekenkamer. Terwijl hij haastig langs den weg liep, hoorde hij achter

zich het geratel van een voertuig, dat met razenden vaart naderkwam.

Toen hij omkeek zag hij, dat het een postsjees was, die met groote

snelheid voortjoeg; daar de paarden galoppeerden en de weg smal was,

drukte Oliver zich tegen een hekje aan om het rijtuig voorbij te laten.

Terwijl het voorbijreed, zag hij in een flits een man met een witte

slaapmuts op; het gezicht kwam hem bekend voor, doch hij had het maar

zoo vluchtig gezien, dat hij niet uit kon maken, wie 't was. Een

oogenblik later werd de slaapmuts uit het portierraampje gestoken en

een stentorstem riep den koetsier toe, stil te houden, hetgeen deze

deed, zoo gauw hij zijn paarden tot stilstand brengen kon. Toen

verscheen de slaapmuts opnieuw en dezelfde stem riep Oliver bij zijn

naam.

»Hier!« riep de stem. »Oliver, hoe is het? Miss Rose! Oliver dan!«

»Bent u 't, Giles?« riep Oliver en holde naar het portier van de

postkoets.

Giles stak zijn slaapmuts weer naar buiten, met het doel eenig antwoord

te geven, toen hij plotseling achteruit werd getrokken door een jongeren

heer, die het andere hoekje van de sjees innam en driftig vroeg hoe het

ging.

»Zeg maar één woord!« riep deze, »beter of erger?«

»Beter--veel beter!« antwoordde Oliver haastig.

»Goddank!« riep de jonge man uit. »Weet je 't zeker?«

»Heel zeker, mijnheer,« antwoordde Oliver. »Een paar uur geleden is er

verandering gekomen en dokter Losberne zegt, dat alle gevaar voorbij

is.«

De jonge man antwoordde niet, maar deed het portier open, sprong uit het

rijtuig, greep Oliver bij den arm en trok hem mee naar den kant van den

weg.

»Weet je 't heel zeker? Is 't niet mogelijk, dat je je vergist, mijn

jongen?« vroeg de heer met trillende stem. »Bedrieg me niet, door

verwachtingen op te wekken, die niet vervuld zullen worden.«

»Dat zou ik voor niets ter wereld willen doen, mijnheer,« hernam Oliver.

»Heusch, u kunt me gelooven. Dokter Losberne's eigen woorden waren, dat

zij leven zou om ons aller vreugd te zijn. Dat heb ik hem zelf hooren

zeggen.«

Tranen stonden in Oliver's oogen, toen hij weer dacht aan dat oogenblik,

dat zooveel geluk inluidde; de jonge man wendde het gezicht af en

bleef enkele minuten zwijgen. Oliver meende hem meer dan eens te

hooren snikken, maar hij vreesde hem te storen door een of andere

opmerking--want hij begreep wel, wat de ander voelde--dus bleef hij op

zij staan en deed alsof hij met zijn bloemen bezig was.

Al dien tijd zat Mr. Giles met zijn slaapmuts op de tree van de koets;

hij liet op iedere knie een elleboog leunen en veegde zijn oogen af met

een blauw katoenen zakdoek met witte stippen. Dat de ontroering van den

braven kerel niet geveinsd was, werd ten stelligste bewezen door de

roode oogen, waarmee hij den jongen man aankeek, toen deze zich omkeerde

en hem aansprak.

»Het lijkt mij 't best, dat jij in de sjees doorrijdt naar mijn moeder,

Giles,« zeide hij. »Ik wou liever langzaam oploopen om wat tijd te

winnen, eer ik haar zie. Je kunt vast zeggen, dat ik kom.«

»Neem me niet kwalijk, mijnheer Harry,« zeide Giles, terwijl hij zijn

gerimpelde gezicht een laatsten veeg gaf met den zakdoek, »maar ik zou u

heel dankbaar zijn, als u den postjongen met die boodschap wou sturen.

't Zou geen pas geven, dat de meisjes in de keuken mij zóó zagen,

mijnheer; dan zou ik mijn gezag over haar voor goed kwijt zijn.«

»Nu,« antwoordde Harry Maylie met een glimlach »je kunt doen zooals je

wilt. Laat de postjongen doorgaan met de bagage, als je dat liever hebt

en kom jij met ons na. Maar verruil dan die slaapmuts voor een of ander

meer passend hoofddeksel, anders zien ze ons nog voor gekken aan.«

Mr. Giles, die nu eerst dacht aan zijn minder passend toilet, trok de

slaapmuts van zijn hoofd en stak ze in zijn zak; toen haalde hij uit de

koets een hoed van ernstig deftigen vorm te voorschijn en zette dien op.

Daarna reed de postiljon weg; Giles, de heer Maylie en Oliver volgden op

hun gemak.

Onder het voortloopen keek Oliver van tijd tot tijd met veel

belangstelling en nieuwsgierigheid naar den nieuw-aangekomene. Hij

scheen ongeveer vijf en twintig jaar te zijn en van middelbare grootte;

zijn gezicht was knap en innemend en zijn manieren gemakkelijk en

ongedwongen. Ondanks het verschil tusschen jeugd en ouderdom was de

gelijkenis tusschen hem en de oude dame zoo opvallend, dat het Oliver

niet moeilijk zou gevallen zijn, hunne familiebetrekking te raden, ook

wanneer de vreemde niet reeds van haar had gesproken als van zijn

moeder.

Mevrouw Maylie wachtte haar zoon in spanning op, toen deze bij het

landhuis aankwam. De ontmoeting had plaats onder groote ontroering van

weerszijden.

»Moeder!« fluisterde de jonge man, »waarom hebt u niet eer geschreven?«

»Ik had geschreven,« antwoordde Mevrouw Maylie, »doch bij nader bedenken

besloot ik den brief achter te houden tot ik het oordeel van dokter

Losberne wist.«

»Maar waarom«--zei de jonge man--»waarom de kans te loopen van wat toch

bijna gebeurd was? Als Rose--ik kan 't woord nu niet noemen--als haar

ziekte een anderen loop had genomen, hoe zoudt u 't dan uzelf hebben

kunnen vergeven? Hoe zou ik dan ooit weer geluk gekend hebben?«

»Als _dat_ gebeurd was, Harry,« zeide Mevrouw Maylie, »vrees ik, dat je

geluk voor goed verwoest zou zijn en dat het er heel weinig toe zou

doen, of je hier een dag eer of een dag later was gekomen.«

»En wien zou het verwonderen, als dat zoo was, moeder?« hernam de jonge

man, »of waarom zou ik zeggen: »_als?_« 't Is zoo--'t is zoo. Dat weet u

moeder--dat moet u weten!«

»Ik weet, dat zij de beste en reinste liefde waard is, die 't hart van

een man geven kan,« zei mevrouw Maylie; »ik weet, dat de innigheid en

toewijding, die zij in zich heeft, meer eischen dan wat gewoonlijk in

ruil gegeven wordt: een diepe, altijddurende liefde. Als ik dit niet

voelde en bovendien wist, dat een verandering in de liefde van iemand,

dien zij liefhad, haar hart zou breken, zou mijn taak mij niet zoo

moeilijk te vervullen toeschijnen, en zou ik in mijn eigen hart niet

zooveel strijd hebben te voeren, nu ik den weg ga, die mij, naar ik

geloof, door mijn plicht is voorgeschreven.«

»U bent hard, moeder,« zeide Harry. »Beschouwt u mij als een jongen, die

zijn eigen innerlijk niet kent en zich vergist in den drang van zijn

eigen hart?«

»Ik geloof, mijn lieve jongen,« antwoordde mevrouw Maylie, terwijl zij

hare hand op zijn schouder legde, »dat jeugd veel edelmoedige ingevingen

heeft, die niet duren, en dat daar enkele onder zijn, die, wanneer zij

gevolgd worden, des te eer vervliegen. Bovenal geloof ik dit,« zeide de

oude dame, haar oogen strak op 't gezicht van haar zoon gevestigd: »Als

een enthousiast, vurig en eerzuchtig man een vrouw trouwt, op wier

naam een vlek kleeft, die, al heeft zij zelve er geen schuld aan, door

toedoen van koude, lage menschen, toch op haar hoofd neerkomt en op zijn

kinderen; wanneer dit hem, juist in dezelfde mate als hij succes heeft

in de wereld, zijdelings verweten wordt en 't onderwerp uitmaakt van

schampere opmerkingen, dat het dan zou kunnen gebeuren, dat hij, hoe

goed en edelmoedig zijn aard ook zij, op zekeren dag die verbindtenis

uit zijn jeugd zou gaan berouwen. En dan komt voor haar het leed, omdat

zij dit begrijpt.«

»Moeder,« zei de jonge man ongeduldig, »wie zoo deed zou een ruwe egoïst

zijn, evenmin waard den naam van man te dragen, als de vrouw, die u

beschrijft, de zijne te noemen.«

»Zoo denk je nu, Harry,« antwoordde zijn moeder.

»En zoo zal ik altijd denken,« zei de jonge man. »De zielsangst,

waaronder ik de laatste twee dagen geleden heb, dringt mij tot de

bekentenis van een hartstocht, die, zooals u wel weet, niet van gisteren

is en niet de inval van een oogenblik. Mijn hart hangt aan Rose, het

lieve, teere meisje! zoo innig, als ooit het hart van een man aan een

vrouw gehangen heeft. Ik heb geen gedachte, geen uitzicht, geen hoop in

mijn leven, waar zij niet in betrokken is; en als u mij tegenwerkt in

dit, dat de inzet van mijn leven is, dan neemt u mijn geluk en mijn

zielevrede in uwe handen en verstrooit ze in den wind. Moeder, denk

beter van mijn liefde en van mij en misken het geluk niet, waarover u

zoo gering schijnt te denken.«

»Harry,« zeide mevrouw Maylie, »'t is juist, omdat ik zoo goed denk over

warme, gevoelige harten, dat ik ze voor pijn wil behoeden. Maar we

hebben nu reeds genoeg en meer dan genoeg over de kwestie gezegd.«

»Laat Rose dan beslissen,« viel Harry in. »U zult die overdreven ideeën

van u toch zeker niet zoo ver willen drijven van eenigen hinderpaal op

mijn weg te werpen?«

»Dat zal ik niet doen,« antwoordde mevrouw Maylie. »Maar ik wou dat jij

bedacht--«

»Ik heb alles bedacht,« was het ongeduldige antwoord; »moeder, ik heb er

jaren en jaren over gedacht. Ik heb er over gedacht zoo lang ik in staat

ben ernstig na te denken. Mijn gevoelens blijven onveranderd, zooals zij

altijd zullen blijven, en waarom zou ik mijzelf pijn doen, door nog

langer te wachten er gehoor aan te geven, wat voor niemand ter wereld

dienstig kan zijn? Neen! Eer ik 't huis verlaat, zal Rose mij

aanhooren.«

»Goed,« zei mevrouw Maylie.

»Er is iets in uw manier van doen, moeder, waaruit ik bijna opmaak, dat

zij mij koel aan zal hooren,« zei de jonge man.

»Koel niet,« antwoordde de oude dame, »verre van dien.«

»Wat dan?« vroeg de jonge man. »Ze heeft toch geen ander lief?«

»Dat niet,« antwoordde zijn moeder, »als ik mij niet vergis, heb jij

maar al te zeer haar genegenheid reeds gewonnen. Wat ik zeggen wilde,«

hernam de oude dame, haar zoon, die wilde spreken, in de rede vallend,

»is dit. Vóór je alles op 't spel zet; vóór je jezelf opvoert tot de

hoogste verwachtingen; denk eerst eens na, jongenlief, over Rose's

geschiedenis en bedenk, welke invloed het kennen van haar twijfelachtige

geboorte op haar besluit kan hebben--gehecht als zij is aan ons, met al

de innigheid van haar gevoelig hart en met die volkomen opoffering van

haarzelf, die haar in alle zaken, groot of klein zoo eigen is.«

»Wat bedoelt u?«

»Dat uit te maken, laat ik aan jezelf over,« antwoordde mevrouw Maylie.

»Ik moet nu naar haar terug. God zegene je!«

»Ik zie u vanavond toch nog?« vroeg de jonge man gretig.

»Strakjes,« antwoordde zijn moeder, »als ik van Rose terug kom.«

»Vertelt u haar, dat ik hier ben?« vroeg Harry.

»Natuurlijk,« antwoordde mevrouw Maylie.

»En hoe angstig ik ben geweest, en hoe ik heb geleden, en hoe ik naar

haar verlang. U zult dat toch niet weigeren, moeder?«

»Neen,« zei de oude dame; »ik zal haar alles vertellen.«

Ze drukte innig de hand van haar zoon en ging haastig de kamer uit.

Terwijl dit gesprek op haastigen toon gevoerd werd, waren Oliver en

dokter Losberne in een anderen hoek van de kamer gebleven. De eerste

stak nu Harry de hand toe en hartelijke begroetingen werden over en weer

gewisseld.

In antwoord op ontelbare vragen van zijn jongen vriend, gaf de dokter

nauwkeurig verslag van den toestand zijner patiente, een verslag dat

even troostend en veelbelovend van toon was als Oliver's bericht hem had

doen hopen. Mr. Giles, bezig met de bagage, luisterde er met gretige

ooren naar.

»Heb je den laatsten tijd nog iemand neergeschoten, Giles?« vroeg de

dokter, toen hij had uitgesproken.

»Niemand dokter,« antwoordde Mr. Giles, met een kleur tot op zijn

voorhoofd.

»Geen dieven gevangen of inbrekers herkend?« vroeg de dokter.

»Heelemaal niet, mijnheer,« antwoordde Mr. Giles, dood-ernstig.

»Hé,« zei de dokter, »dat spijt me, je kunt die dingen zoo knap. En hoe

maakt Brittles 't?«

»Die jongen maakt 't best, mijnheer,« zei Mr. Giles weer op zijn gewonen

beschermenden toon, »hij doet u zijn eerbiedige groeten.«

»Goed,« zei de dokter. »Nu ik je hier zie, Giles, denk ik er weer aan,

dat ik op den dag, voordat ik hier zoo haastig naar toe ging, op verzoek

van je goede meesteres een kleine opdracht vervulde ten gunste van jou.

Kom eens even hier in den hoek, wil je?«

Mr. Giles stapte heel gewichtig, maar toch eenigszins verbaasd, naar den

hoek en werd daar vereerd met een korte, gefluisterde mededeeling van

den dokter, aan het slot waarvan Giles verscheidene buigingen maakte en

met buitengewone statigheid de kamer uitstapte.

Over het onderwerp van dit gesprek werd in de kamer niet gesproken, maar

de keuken was er spoedig over ingelicht, want Mr. Giles ging daar recht

naar toe, riep om een kruik ale en vertelde in majestueuse houding, die

veel indruk maakte, dat het zijne meesteres behaagd had, ingevolge zijn

moedig gedrag bij gelegenheid van de poging tot inbraak, ten zijnen

voordeele de som van vijf-en-twintig pond op de spaarbank te zetten. Bij

dit bericht hieven de beide vrouwelijke dienstboden handen en oogen ten

hemel en merkten op, dat Mr. Giles nu wel trotsch zou worden, waarop Mr.

Giles, zijn jabot rechttrekkend: »Neen, Neen« antwoordde, en dat hij

haar zeer dankbaar zou zijn, wanneer zij, mocht hij zich trotsch toonen

tegenover zijn minderen, hem daarop wilden wijzen. Daarna maakte hij nog

vele andere opmerkingen, die niet minder zijn nederigheid in het licht

stelden en die met dezelfde toejuiching en waardeering ontvangen werden;

zij waren dan ook over het geheel even origineel en doeltreffend als de

opmerkingen van groote mannen gewoonlijk zijn.

De verdere avond ging in de huiskamer opgewekt voorbij, want de dokter

was vroolijk gestemd, en hoe vermoeid of afgetrokken Harry Maylie in 't

begin ook mocht zijn, hij was niet bestand tegen de opgeruimdheid van

den dokter, die zich uitte in allerlei kwinkslagen en herinneringen uit

zijn praktijk, en in grapjes, die Oliver het koddigste toeschenen wat

hij ooit gehoord had en waar hij dus schaterend om lachte, tot blijkbare

voldoening van den dokter; deze lachte zelf hartelijk om zijn eigen

grappen totdat Harry, door de macht der sympathie, bijna even hard

meelachte. Zoo zaten zij zoo vroolijk bij elkaar, als in de gegeven

omstandigheden maar mogelijk was en het was laat eer zij met lichte,

dankbare harten uit elkaar gingen om de rust te zoeken, waaraan zij, na

de spanning en onzekerheid der laatste dagen, groote behoefte hadden.

Oliver stond den volgenden morgen veel opgeruimder op en begon met veel

meer plezier aan zijn gewone morgenbezigheden dan hij dagen lang gekend

had. De vogels werden weer op hun oude plaatsje buiten gehangen om daar

te zingen en de mooiste wilde bloemen die te vinden waren, werden weer

geplukt, om Rose met hun schoonheid te verheugen. De droefheid, die in

de oogen van den angstigen jongen de vorige dagen over alle voorwerpen,

al waren ze nog zoo mooi, te hangen scheen, was nu als door betoovering

weggevaagd. De dauw scheen helderder te schitteren op de groene

bladeren, de lucht scheen vervuld van liefelijker muziek en de hemel

zelf scheen blauwer en helderder. Zoo groot is de invloed, die onze

eigen gedachten verleenen zelfs aan het uiterlijk van dingen buiten ons.

Menschen, die de natuur en hunne medemenschen aanzien en roepen, dat

alles donker en somber is, hebben gelijk, maar de sombere kleuren zijn

de weerschijn van hun eigen kranke oogen en harten. De werkelijke

kleuren zijn fijn, men heeft heldere oogen noodig om ze te zien.

We moeten hier opmerken en Oliver merkte het te zijner tijd eveneens op,

dat deze morgentochten niet langer alleen werden gemaakt. Harry Maylie

legde na den eersten morgen, toen hij Oliver met volle handen thuis

zag komen, zulk een liefde voor bloemen aan den dag en zulk een goeden

smaak om ze te schikken, dat hij hierin zijn jonger vriendje ver achter

zich liet. Doch al was Oliver de mindere in dit opzicht, hij wist waar

de beste bloemen te vinden waren en den éénen ochtend na den andere

zwierven zij samen door den omtrek en brachten de mooiste bloemen, die

bloeiden. Het raam van Rose's kamer stond nu open, want zij hield er

van, de welige zomerlucht binnen te voelen stroomen en leefde op in de

heerlijke frischheid ervan, maar juist binnen het kozijn stond één klein

bouquetje in 't water, dat elken morgen met de grootste zorg verfrischt

werd. Oliver kon niet nalaten op te merken, dat de verflenste bloemen

nooit weggegooid werden, ofschoon het vaasje geregeld opnieuw werd

gevuld; ook zag hij, dat de dokter, zoo dikwijls hij in den tuin

kwam, vast en zeker zijn oogen naar dat bijzondere hoekje opsloeg en

nadenkend met het hoofd knikte, terwijl hij zijn morgenwandeling

voortzette. Intusschen vlogen de dagen voorbij en Rose nam snel in

beterschap toe.

De tijd viel Oliver niet lang, al was Rose nog niet uit haar kamer

geweest en al waren er geen avondwandelingen, behalve nu en dan een

klein eindje met mevrouw Maylie. Hij legde zich met verdubbelden ijver

toe op de lessen van den witharigen ouden heer en werkte zóó hard, dat

zijn snelle vorderingen hemzelf verbaasden. Bij dit werk werd hij op

zekeren dag hevig verschrikt en ontsteld door een onverwachte

gebeurtenis.

Het kamertje, waar hij gewoonlijk zat als hij zijn lessen leerde, was

gelijkvloers en lag aan den achterkant van het huis. Het was een echt

tuinkamertje met een tralievenster, waaromheen jasmijn en kamperfoelie

groeiden, waarvan de ranken om de tralies kropen en het vertrekje met

hun heerlijken geur vulden.

Het zag uit in een tuin, die met een hekje naar een omheind grasveld

voerde; in heel den omtrek waren frissche weilanden en bosschen. In die

richting lag geen ander huis in de buurt en men had er een uitgestrekt

vergezicht.

Op een mooien avond, toen de eerste schaduwen der schemering op de aarde

nederdaalden, zat Oliver vóór dit raam, ingespannen bezig met zijn

boeken. Een tijd lang had hij zich in zijn boek verdiept en daar de dag

drukkend warm was geweest en hij zich nogal had ingespannen, ligt er

geen minachting in voor den schrijver van dat boek, wie het ook zij,

wanneer ik zeg, dat Oliver langzamerhand in slaap viel.

[Illustratie: »ST.... VRIEND! MEENDE HIJ TE HOOREN ZEGGEN.... HIJ IS 'T

STELLIG.«]

Soms besluipt ons een soort van slaap, die het lichaam gevangen houdt,

doch den geest zich bewust laat blijven van de dingen om hem heen en hem

vrij laat, rond te dwalen, waarheen hij lust heeft. In zoover drukkende

loomheid, volslagen gebrek aan kracht en onmacht onze gedachten te

controleeren of ons te bewegen, slaap genoemd kunnen worden, dan is dit

slaap en toch hebben wij besef van alles, wat om ons heen voorvalt.

Wanneer wij op zulk een oogenblik droomen, vereenzelvigen zich woorden,

die werkelijk gesproken worden, of klanken, die werkelijk bestaan, met

verrassende vlugheid met onze droom-visioenen, totdat werkelijkheid en

verbeelding zoo vreemd dooreengemengd zijn, dat het naderhand bijna

onmogelijk is, ze van elkaar te scheiden. Doch dit, een treffend wonder,

is volstrekt niet alleen aan zulk een droomtoestand eigen. Het is een

onbetwistbaar feit, dat, ofschoon onze gevoels- en gezichtszinnen voor

het oogenblik dood zijn, toch de gedachten van onzen slaap en de

droomtafereelen, die wij zien, den daadwerkelijken invloed ondervinden,

zelfs van _de zwijgende tegenwoordigheid_ van een of ander voorwerp

buiten ons, dat misschien niet bij ons was, toen wij onze oogen sloten

en van welks nabijheid wij bij ons wakker zijn niet wisten. Oliver wist

heel goed, dat hij in zijn eigen kamertje zat, dat zijn boeken vóór

hem op tafel lagen, dat de geurige buitenlucht van buiten door de

slingerplanten heen binnenstroomde. En toch sliep hij. Plotseling

veranderde het tooneel, de lucht werd benauwd en drukkend en hij

ontdekte met een gevoel van ontzetting, dat hij weer in het huis van den

Jood was. Daar zat de afschuwelijke oude man in zijn gewone hoekje en

wees naar hem, met afgewend gezicht fluisterde hij een anderen man, die

naast hem zat, iets in.

»St..... vriend!« meende hij den Jood te hooren zeggen, »hij is 't,

stellig. Kom mee.«

»Hij!« scheen de andere man te antwoorden, »denk je, dat ik me in hem

vergissen kan? Al had een stoet spoken ook allemaal zijn gedaante

aangenomen en hij stond er tusschen, dan zou toch iets me zeggen, hoe ik

hem er uit zou vinden. Al begroef je hem vijftig voet diep en je bracht

mij bij het graf, dan zou ik toch, geloof ik, weten, dat hij er onder

lag, al stond er geen teeken op!«

De man scheen dit met zoo'n vreeselijken haat te zeggen, dat Oliver van

angst wakker werd en opsprong.

God! wat was dat, dat het bloed naar zijn hart terugdreef en hem buiten

staat deed zijn te schreeuwen of zich te verroeren? Daar--daar--vóór het

raam, vlak vóór hem--zóó vlak bij, dat hij hem bijna had kunnen aanraken

eer hij terugdeinsde, met zijn oogen de kamer inglurend en de zijne

ontmoetend, daar stond de Jood! En naast hem, wit van woede of angst of

van beide, zag Oliver de norsche trekken van denzelfden man, die in de

herberg tegen hem was aangebotst. Het was maar een oogwenk, een flits,

en weg waren zij! Maar zij hadden hem herkend en hij hen en hunne

gezichten waren zoo vast in zijn geheugen geprent, alsof zij diep in

steen gegriffeld waren en hij ze zóó van zijn geboorte af vóór zich had

gehad. Een oogenblik stond hij als vastgenageld aan den grond; toen

sprong hij uit het raam in den tuin en schreeuwde luidkeels om hulp.

De avonturen van Oliver Twist · 第 94 / 118 题