Waarin het geluk van Oliver en zijn vriendinnen een plotselingen schok
krijgt.
De lente vervloog snel en de zomer kwam. Was het dorp eerst al mooi
geweest, nu straalde het in de volle glorie en glans van zomerweelde. De
groote boomen, die in de vroege maanden nog kaal en dun bebladerd hadden
geschenen, werden nu in eens vol sterk leven en gezondheid; zij strekten
hun groene takken over den dorstenden grond, herschiepen open kale
plekken in heerlijke hoekjes, waar men van uit diepe, vriendelijke
schaduw uitkeek in wijde verten, die zich in zonneschijn baadden.
De aarde had zich omhangen met haar vroolijken groenen mantel en
verspreidde haar weligste geuren. Het jaar verkeerde in den tijd van
jeugdige kracht; alle dingen bloeiden en waren blij. In het kleine
landhuis ging het leven even rustig voort en onder de bewoners heerschte
dezelfde vroolijke opgewektheid. Oliver was flink en gezond geworden;
maar gezondheid of ziekte brachten geen verschil in zijn warme gevoelens
voor de menschen om hem heen, zooals bij vele menschen gebeurt. Hij was
nog hetzelfde lieve, zachte, gevoelige kind, dat hij was geweest, toen
zijn kracht werd ondermijnd door pijn en leed, en toen hij voor de
minste verlichting van pijn afhing van hen, die hem verzorgden.
Op een mooien avond waren zij verder gewandeld dan gewoonlijk; het was
overdag buitengewoon warm geweest, nu scheen de maan prachtig en er
stak een koeltje op, dat heerlijk verfrisschend aandeed. Rose was heel
vroolijk geweest en ze hadden opgewekt pratend voortgewandeld, tot zij
ver buiten hun gewone grenzen waren gegaan. Daar mevrouw Maylie moe was,
wandelden zij langzamer terug. Het jonge meisje gooide alleen haar
eenvoudige kapje neer en ging als gewoonlijk voor de piano zitten. Nadat
zij eenige minuten lang afgetrokken over de toetsen heen was gegleden,
zette zij een zacht, ernstig lied in en terwijl zij het speelde hoorden
de anderen een geluid, alsof zij schreide.
»Rose, lieveling!« zei de oudere dame.
Rose gaf geen antwoord, maar speelde iets vlugger voort, alsof de
woorden haar uit een of andere pijnlijke gedachte gewekt hadden.
»Rose, lieverd!« riep mevrouw Maylie, terwijl zij opsprong en zich over
haar heenboog. »Wat is er? In tranen! Lieve kind, wat scheelt er aan?«
»Niets tante, niets,« antwoordde het meisje. »Ik weet niet wat het is;
ik kan 't niet beschrijven, maar ik voel me zoo....«
»Toch niet ziek, lieveling?« viel mevrouw Maylie in.
»O! Neen, neen! Niet ziek!« antwoordde Rose met een huivering, alsof
onder het spreken een doodelijke kilte haar beving. »'t Zal dadelijk wel
weer over gaan. Zou je 't raam dicht willen doen?«
Oliver haastte zich, aan haar verzoek te voldoen. Het jonge meisje deed
een poging, haar vroolijkheid te herwinnen en trachtte een lichter
wijsje te spelen; doch haar vingers vielen machteloos neer op de
toetsen. Zij bedekte haar gezicht met haar handen, viel op een sofa neer
en liet den vrijen loop aan de tranen, die zij niet langer weerhouden
kon.
»Lieve kind!« zei de oudere dame en sloeg de armen om haar heen, »ik heb
je nog nooit zoo gezien.«
»Ik zou u niet ongerust maken, als ik er iets aan kon doen,« viel Rose
in, »maar heusch, ik kan 't niet helpen. Ik geloof toch wel, dat ik ziek
ben, tante.«
Zij was werkelijk ziek; toen de kaarsen binnen werden gebracht, zagen de
anderen, hoe in den korten tijd sinds zij thuis waren, de blos op haar
gezicht in marmer-bleekheid was veranderd. De trekken hadden niets van
hun schoonheid verloren, maar op het lieve gezichtje lag een angstige,
verschrikte trek, die het nooit gehad had. Een oogenblik later werd zij
vuurrood en in haar oogen kwam een wilde, starende uitdrukking. Ook deze
verdween, als de schaduw van een overtrekkende wolk en zij werd opnieuw
doodsbleek.
Oliver, die angstig naar de oude dame keek, merkte op hoe deze teekens
haar verontrustten; hij was ook ongerust, maar ziende, dat zij haar best
deed, haar onrust te verbergen, trachtte hij hetzelfde te doen en zij
slaagden in zoover, dat, toen Rose door haar tante overgehaald was zich
voor den nacht terug te trekken, zij opgewekter was en er zelfs beter
uitzag; ze verzekerde, dat zij stellig den volgenden morgen heelemaal
beter op zou staan.
»Ik hoop toch,« zei Oliver, toen mevrouw Maylie terugkwam, »dat er niets
is. Ze ziet er niet goed uit, maar....«
De oude dame wenkte hem, niet te spreken en ging in een donkeren hoek
van de kamer zitten. Het bleef een poos stil. Eindelijk zeide zij met
bevende stem:
»Ik hoop 't, Oliver. Ik ben deze jaren zoo gelukkig met haar geweest--te
gelukkig misschien. 't Is zeker tijd, dat er een of ander ongeluk over
me komt, maar ik hoop, dat het dit niet is.«
»Wat?« vroeg Oliver.
»De vreeselijke slag,« zei de oude dame, »dat ik het lieve meisje zou
moeten verliezen, dat zoo lang mijn geluk en mijn troost is geweest.«
»O! dat verhoede God,« riep Oliver haastig.
»Amen! kindlief!« zei de oude dame handenwringend.
»Er is toch geen gevaar voor zoo iets vreeselijks?« vroeg Oliver. »Twee
uur geleden was zij nog heel goed.«
»Nu is zij heel ziek,« antwoordde mevrouw Maylie, »en ik geloof zeker,
dat 't nog erger zal worden. Mijn lieve, lieve Rose! O, wat zou ik
moeten doen zonder haar!«
Zij gaf blijk van zulk een hevige smart, dat Oliver, zijn eigen
ontroering onderdrukkend, het waagde haar moed in te spreken, en haar
ernstig te verzoeken, ter wille van de lieve jonge dame zelf, kalmer te
zijn.
»En bedenk, mevrouw,« zeide Oliver, terwijl de tranen hem in de oogen
sprongen, ondanks al zijn pogingen ze te onderdrukken. »O, bedenk, hoe
jong en goed ze is en hoeveel vreugde en geluk zij geeft aan allen om
haar heen. Ik weet zeker--heusch, heel zeker, dat zij, ter wille van u,
die zoo goed bent en ter wille van haar zelf en ter wille van allen, die
zij zoo gelukkig maakt, niet zal sterven. De Hemel zal haar zoo jong
niet doen sterven.«
»St!« zeide mevrouw Maylie, terwijl zij haar hand op Oliver's hoofd
legde. »Je denkt als een kind, arme jongen. Maar ondanks dat, wijs je
mij op mijn plicht. Ik had die een oogenblik vergeten, Oliver, maar ik
hoop, dat dit mij vergeven zal worden, want ik ben oud en heb genoeg van
ziekte en dood gezien om de smart te kennen, die de scheiding van wie
ons lief zijn, meebrengt. Ik heb ook genoeg gezien, om te weten, dat het
niet altijd de jongste en beste zijn, die gespaard worden voor wie hen
liefhebben; maar dit moet ons tot troost zijn in onze droefheid, want de
Hemel is rechtvaardig en zulke dingen leeren ons onafwijsbaar, dat er
een schooner wereld bestaat dan de onze en dat de overgang erheen
plotseling kan zijn. Gods wil geschiede! Ik heb haar lief; Hij weet
_hoe_ lief.«
Tot zijn verwondering zag Oliver, dat mevrouw Maylie, terwijl zij deze
woorden sprak, haar klachten als met één poging onderdrukte; toen zij
uitgesproken had, was zij weer zelfbeheerscht en flink. Nog meer
verwonderd was hij te ontdekken, dat die flinkheid aanhield en dat
mevrouw Maylie bij al de zorg en het nachtwaken, dat volgde, steeds
zelfbeheerscht en kalm bleef; al de plichten, die op haar rustten,
vervulde zij vastbesloten en naar het uiterlijk te oordeelen, zelfs
opgewekt. Maar hij was jong en wist niet, waar sterke geesten onder
beproevingen toe in staat zijn. Hoe zou hij dat ook kunnen weten, waar
de sterke geesten zelf zoo zelden zichzelf kennen?
Een bange nacht volgde. Toen de morgen kwam, ging de voorspelling van
mevrouw Maylie maar al te zeer in vervulling. Rose verkeerde in het
eerste stadium van een hooge, gevaarlijke koorts.
»We moeten iets doen Oliver en niet toegeven aan onnutte droefheid,«
zei mevrouw Maylie, terwijl zij den vinger op de lippen legde en hem
strak aankeek, »deze brief moet zoo gauw mogelijk naar dokter Losberne
gezonden worden. De brief moet naar het marktstadje gebracht worden, dat
is niet verder dan vier mijlen langs het voetpad door de velden; vandaar
moet hij door een bode te paard recht naar Chertsey worden gebracht. De
menschen uit de herberg zullen daar wel voor zorgen en ik kan jou wel
toevertrouwen, den brief daarheen te brengen, nietwaar?«
Oliver kon niet antwoorden, maar zijn oogen zeiden hoe verlangend hij
was, dadelijk op weg te gaan.
»Hier is nog een brief,« zei mevrouw Maylie en dacht een oogenblik na,
»maar ik weet niet goed, of ik hem nu zal verzenden of wachten zal, tot
ik weet, hoe 't met Rose gaan zal. Ik zou hem alleen verzenden, als ik
het ergste vreesde.«
»Moet hij ook naar Chertsey, mevrouw?« vroeg Oliver, ongeduldig om zijn
boodschap te verrichten en stak zijn bevende hand uit naar den brief.
»Neen,« antwoordde de oude dame en reikte hem den brief werktuigelijk
toe. Oliver wierp er een blik op en zag, dat hij geadresseerd was aan
den heer Harry Maylie, in een of ander groot landhuis, waar kon hij niet
uitmaken.
»Moet hij mee, mevrouw?« vroeg Oliver en keek ongeduldig op.
»Ik geloof 't niet,« antwoordde mevrouw Maylie, terwijl zij den brief
terugnam. »Ik zal tot morgen wachten.«
Bij deze woorden gaf zij Oliver haar beurs en zonder zich langer op te
houden, rende hij weg zoo hard hij kon. Vlug liep hij door de velden en
langs de paadjes, die ze hier en daar doorsneden; nu eens was hij bijna
verborgen door het hooge koren aan weerskanten, dan weer kwam hij op een
open weiland, waar de maaiers en hooiers druk aan 't werk waren; hij
bleef niet staan, behalve nu en dan een paar seconden om op adem te
komen, tot hij warm en met stof bedekt op het marktplein van het stadje
aankwam.
Hier bleef hij staan en keek om zich heen naar de herberg. Er was een
witte bank en een roode brouwerij en een geel stadhuis en in één hoek
stond een groot huis, waarvan al het houtwerk groen geschilderd was en
waar op het uithangbord stond: »De George.« Zoodra hij dit in het oog
kreeg, ging hij er haastig op af.
Hij sprak een postjongen aan, die onder de poort zat te dommelen en die
hem, toen hij hoorde, wat hij verlangde, naar den huisknecht verwees;
toen deze ook alles aangehoord had wat hij te zeggen had, stuurde hij
hem naar den waard; deze was een lange man met een blauwe das, een witte
hoed, een grijze broek en kaplaarzen; hij leunde tegen de pomp bij de
staldeur en bewerkte zijn tanden met een zilveren tandenstoker.
Deze heer ging met veel omslag de gelagkamer binnen om de kosten te
berekenen, wat heel wat tijd kostte; toen dit klaar was en het geld
betaald, moest een paard gezadeld en een man reisvaardig gemaakt worden,
wat opnieuw tien minuten kostte. Intusschen verkeerde Oliver in zulk een
wanhopigen toestand van ongeduld en angst, dat hij 't gevoel had, alsof
hij zelf op het paard zou willen springen om in galop naar de volgende
pleisterplaats te rijden. Eindelijk was alles klaar; toen Oliver het
briefje had overgereikt met allerlei verzoeken en aanbevelingen om het
spoedig te bezorgen, gaf de man zijn paard de sporen, draafde over de
oneffen steenen van de markt, reed de stad uit en galoppeerde twee
minuten later langs den straatweg.
Het bewustzijn, dat er om hulp was gezonden en dat geen tijd verloren
was gegaan, was ten minste iets en Oliver liep met lichter hart de
binnenplaats van de herberg op. Toen hij het koetshuis uitkwam, botste
hij tegen een langen man in een wijde jas aan, die op dat oogenblik uit
de herbergdeur kwam.
»Ha!« riep de man, met zijn oogen op Oliver gericht en plotseling
terugdeinzend. »Wat is dat, voor den duivel?«
»Neem me niet kwalijk, mijnheer,« zei Oliver, »ik liep hard naar huis en
zag u niet aankomen.«
»Dood en duivel!« mompelde de man, den jongen met zijn groote, donkere
oogen aanstarend. »Wie zou dat gedacht hebben? Vermorzel hem tot gruis!
Hij zou nog uit een steenen kist springen en me in den weg komen!«
»'t Spijt me,« stamelde Oliver, onthutst door den woesten blik van den
vreemde. »Ik hoop, dat ik u geen pijn heb gedaan!«
»Verrek jij!« mompelde de man woest tusschen zijn gesloten tanden, »als
ik maar moed had, het woord te zeggen, zou ik in één nacht van je af
zijn. Vloek over je hoofd en dat de pest je hale, duivelsjong! Wat doe
je hier?«
De man balde zijn vuist terwijl hij deze woorden uitstootte. Hij liep
op Oliver toe, als om hem een slag te geven, maar smakte op den grond,
waar hij zich in een zenuwtoeval heen en weer rolde, terwijl het schuim
hem op den mond kwam.
Oliver keek een oogenblik naar den krankzinnige (want daar hield hij hem
voor) en liep toen het huis in om hulp te halen. Nadat hij den man
veilig het hotel had zien binnen dragen, wendde hij zich huiswaarts en
liep zoo hard hij kon om den verloren tijd in te halen; intusschen dacht
hij nog eens met groote verbazing en iets als angst aan het vreemde
gedrag van den man, dien hij zoo juist ontmoet had.
Hij bleef echter niet lang aan het voorval denken, want toen hij het
landhuis bereikte, was er genoeg om zijn geest bezig te houden en alles
wat hemzelf betrof voor 't oogenblik volkomen uit zijn gedachten te
bannen.
Rose Maylie was veel erger geworden; tegen middernacht begon zij te
ijlen. Een dokter, die in het dorp woonde, bleef voortdurend bij haar;
nadat hij de patiënte gezien had, nam hij mevrouw Maylie ter zijde en
verklaarde, dat de ziekte van den meest ernstigen aard was. »Eerlijk
gezegd,« verklaarde hij, »zou het iets als een wonder zijn, wanneer ze
beter werd.«
Hoe dikwijls sprong Oliver dien nacht zijn bed uit, sloop onhoorbaar
naar de trap en luisterde naar het minste geluid uit de ziekenkamer!
Hoe dikwijls schokte een huivering door zijn leden en parelden koude
angstdruppels op zijn voorhoofd, wanneer een plotseling geluid van
voetstappen hem deed vreezen, dat er iets gebeurd was, te vreeselijk om
aan te denken! En wat waren de vurigste gebeden, die hij ooit geuit had,
vergeleken bij de gebeden die hij uitstootte, nu hij in doodsangst
hartstochtelijk smeekte om leven en gezondheid voor het liefelijke
wezen, dat aan den rand van het donkere graf verkeerde!
O! de onzekerheid, de vreeselijke, drukkende onzekerheid, waarin men het
werkeloos aan moet zien, hoe het leven van iemand, die ons dierbaar is,
in de waagschaal staat.
O! de folterende gedachten, die in ons brein woelen en ons hart hevig
doen kloppen en onzen adem beklemmen, door de voorstellingen die zij in
onzen geest oproepen; de wanhopige begeerte, _iets te doen_ om de
pijn te verzachten of het gevaar te verminderen, dat wij niet kunnen
bezweren; de somberheid, die over onze ziel en onzen geest komt, door de
droeve gedachte aan onze hulpeloosheid; welke folteringen zijn daaraan
gelijk? door welke gedachten of ingespannen werkzaamheden kunnen wij er
leniging voor vinden in de koortsachtige opwinding van het oogenblik?
De morgen brak aan en het landhuisje was eenzaam en stil. Men sprak
fluisterend; angstige gezichten kwamen van tijd tot tijd aan de deur;
vrouwen en kinderen gingen in tranen heen. Heel den langen dag, en uren
nadat het donker was geworden, liep Oliver langzaam op en neer in den
tuin; ieder oogenblik keek hij op naar de ziekenkamer en schrikte terug
als hij het omfloerste raam zag, dat er uitzag, alsof de dood daarachter
huisde. Laat in den avond kwam dokter Losberne. »Het is hard,« zei de
goede dokter en wendde zijn hoofd af onder het spreken »zoo jong, zoo
bemind; maar er is heel weinig hoop.«
Een nieuwe morgen. De zon scheen helder--zoo helder, alsof zij niet
neerzag op ellende en zorg; en terwijl alle bladeren en bloemen in
vollen bloei om haar heen stonden, terwijl leven, gezondheid, klanken en
kleuren van zomerweelde haar aan alle kanten omringden, lag het mooie,
jonge schepseltje snel weg te teren. Oliver sloop naar het oude kerkhof,
ging op een van de groene grafheuvels zitten en schreide en bad in
stilte voor haar.
Alles was zoo vredig en schoon, het zonnige landschap scheen zoo vol
licht en vroolijkheid, de zang der zomervogels zoo vol streelende
muziek, er sprak zulk een besef van vrijheid uit de snelle vlucht der
kraaien, die hoog door de lucht zeilden, zooveel leven en blijheid uit
alles, dat in den jongen, toen hij zijn stekende oogen ophief en om zich
heen keek, onwillekeurig de gedachte opkwam, hoe dit geen tijd was voor
den dood; Rose kon niet sterven, wanneer dingen van lager orde alle zoo
vroolijk en blij waren; de graven waren er voor den kouden droeven
winter, niet voor den tijd van zonneschijn en bloei. Hij dacht bijna
dat lijkkleeden alleen bestonden voor ouden en afgeleefden en dat hun
spookachtige plooien nimmer zulk een jong, bekoorlijk wezen omhulden.
Deze kinderlijke gedachten werden plotseling onderbroken door het luiden
van de kerkklok. Daar! Weer! De klok luidde voor een begrafenis. Een
groep armelijke rouwdragers kwam het hek binnen; zij droegen witte
rouwbanden, want de gestorvene was jong. Met onbedekte hoofden stonden
zij bij het graf en in den treurenden stoet was een moeder--die geen
moeder meer was. Maar de zon scheen helder en de vogels zongen.
Oliver ging naar huis terug, denkend aan al de vriendelijkheden, die
Rose hem bewezen had, en wenschend dat er nog eenmaal een tijd mocht
komen, waarin hij haar voortdurend zou kunnen toonen, hoe dankbaar hij
haar was en hoe zeer aan haar gehecht. Hij had zich niets te verwijten,
wat betreft onachtzaamheid of gedachteloosheid, want hij had haar met
toewijding gediend en toch kwamen honderd kleine voorvallen in zijn
herinnering op, waarbij hij ijveriger had kunnen zijn en toegewijder en
hij wenschte, dat hij zóó geweest was. Wij moeten voorzichtig zijn, hoe
we met de menschen om ons heen omgaan, daar elk sterfgeval in den
kleinen kring der overlevenden gedachten oproept aan veel, dat werd
nagelaten en aan weinig, dat gedaan werd--aan zooveel vergeten dingen
en aan zooveel meer, dat hersteld had kunnen worden! Geen berouw zoo
diep als over iets, dat niet te herstellen is; als wij behoed willen
blijven voor de kwellingen ervan, laat ons hier dan bijtijds aan denken.
Toen hij thuiskwam, zat mevrouw Maylie in de kleine huiskamer. Oliver
ontstelde, toen hij haar zag; zij had tot nu toe geen oogenblik het
ziekbed van haar nichtje verlaten en hij beefde bij de gedachte, welke
verandering haar vandaar verdreven kon hebben. Hij vernam, dat Rose in
een diepen slaap was geraakt, waaruit zij wakker zou worden, hetzij tot
beterschap en leven of om afscheid van hen te nemen en te sterven.
Uren lang zaten zij bij elkaar, luisterend en bang om te spreken. Het
eten bleef onaangeroerd en werd zoo weer afgenomen; met gezichten,
waarop te lezen stond, hoe hunne gedachten elders waren, keken zij naar
de zon, die lager en lager zonk en eindelijk over hemel en aarde de
schitterende kleuren goot, die haar heengaan inleiden. Hun ooren vingen
van verre het geluid van naderende voetstappen. Onwillekeurig snelden
zij beiden naar de deur, toen dokter Losberne binnenkwam.
»Hoe is 't met Rose?« riep de oude dame. »Zeg 't me in eens. Ik kan 't
dragen; alles, behalve deze onzekerheid. O, zeg 't me om 's Hemels wil!«
»U moet kalm blijven,« zei de dokter en ondersteunde haar. »Kalm, lieve
mevrouw, kalm.«
»Laat mij in Gods naam naar haar toe gaan! Mijn dierbaar kind! Ze
sterft! Ze sterft!«
»Neen!« riep de dokter ontroerd. »Dank zij Gods goedheid en genade, zal
zij nog jaren leven en ons tot vreugde zijn.«
Mevrouw Maylie viel op de knieën en trachtte hare handen te vouwen; maar
de wilskracht, waarmede zij zich zoo lang had opgehouden, ontzonk haar
tegelijk met haar eerste dankgebed ten Hemel en zij viel neer in de
vriendenarmen, die uitgestrekt waren om haar op te vangen.