HOOFDSTUK XXXIII.

Waarin het geluk van Oliver en zijn vriendinnen een plotselingen schok

krijgt.

De lente vervloog snel en de zomer kwam. Was het dorp eerst al mooi

geweest, nu straalde het in de volle glorie en glans van zomerweelde. De

groote boomen, die in de vroege maanden nog kaal en dun bebladerd hadden

geschenen, werden nu in eens vol sterk leven en gezondheid; zij strekten

hun groene takken over den dorstenden grond, herschiepen open kale

plekken in heerlijke hoekjes, waar men van uit diepe, vriendelijke

schaduw uitkeek in wijde verten, die zich in zonneschijn baadden.

De aarde had zich omhangen met haar vroolijken groenen mantel en

verspreidde haar weligste geuren. Het jaar verkeerde in den tijd van

jeugdige kracht; alle dingen bloeiden en waren blij. In het kleine

landhuis ging het leven even rustig voort en onder de bewoners heerschte

dezelfde vroolijke opgewektheid. Oliver was flink en gezond geworden;

maar gezondheid of ziekte brachten geen verschil in zijn warme gevoelens

voor de menschen om hem heen, zooals bij vele menschen gebeurt. Hij was

nog hetzelfde lieve, zachte, gevoelige kind, dat hij was geweest, toen

zijn kracht werd ondermijnd door pijn en leed, en toen hij voor de

minste verlichting van pijn afhing van hen, die hem verzorgden.

Op een mooien avond waren zij verder gewandeld dan gewoonlijk; het was

overdag buitengewoon warm geweest, nu scheen de maan prachtig en er

stak een koeltje op, dat heerlijk verfrisschend aandeed. Rose was heel

vroolijk geweest en ze hadden opgewekt pratend voortgewandeld, tot zij

ver buiten hun gewone grenzen waren gegaan. Daar mevrouw Maylie moe was,

wandelden zij langzamer terug. Het jonge meisje gooide alleen haar

eenvoudige kapje neer en ging als gewoonlijk voor de piano zitten. Nadat

zij eenige minuten lang afgetrokken over de toetsen heen was gegleden,

zette zij een zacht, ernstig lied in en terwijl zij het speelde hoorden

de anderen een geluid, alsof zij schreide.

»Rose, lieveling!« zei de oudere dame.

Rose gaf geen antwoord, maar speelde iets vlugger voort, alsof de

woorden haar uit een of andere pijnlijke gedachte gewekt hadden.

»Rose, lieverd!« riep mevrouw Maylie, terwijl zij opsprong en zich over

haar heenboog. »Wat is er? In tranen! Lieve kind, wat scheelt er aan?«

»Niets tante, niets,« antwoordde het meisje. »Ik weet niet wat het is;

ik kan 't niet beschrijven, maar ik voel me zoo....«

»Toch niet ziek, lieveling?« viel mevrouw Maylie in.

»O! Neen, neen! Niet ziek!« antwoordde Rose met een huivering, alsof

onder het spreken een doodelijke kilte haar beving. »'t Zal dadelijk wel

weer over gaan. Zou je 't raam dicht willen doen?«

Oliver haastte zich, aan haar verzoek te voldoen. Het jonge meisje deed

een poging, haar vroolijkheid te herwinnen en trachtte een lichter

wijsje te spelen; doch haar vingers vielen machteloos neer op de

toetsen. Zij bedekte haar gezicht met haar handen, viel op een sofa neer

en liet den vrijen loop aan de tranen, die zij niet langer weerhouden

kon.

»Lieve kind!« zei de oudere dame en sloeg de armen om haar heen, »ik heb

je nog nooit zoo gezien.«

»Ik zou u niet ongerust maken, als ik er iets aan kon doen,« viel Rose

in, »maar heusch, ik kan 't niet helpen. Ik geloof toch wel, dat ik ziek

ben, tante.«

Zij was werkelijk ziek; toen de kaarsen binnen werden gebracht, zagen de

anderen, hoe in den korten tijd sinds zij thuis waren, de blos op haar

gezicht in marmer-bleekheid was veranderd. De trekken hadden niets van

hun schoonheid verloren, maar op het lieve gezichtje lag een angstige,

verschrikte trek, die het nooit gehad had. Een oogenblik later werd zij

vuurrood en in haar oogen kwam een wilde, starende uitdrukking. Ook deze

verdween, als de schaduw van een overtrekkende wolk en zij werd opnieuw

doodsbleek.

Oliver, die angstig naar de oude dame keek, merkte op hoe deze teekens

haar verontrustten; hij was ook ongerust, maar ziende, dat zij haar best

deed, haar onrust te verbergen, trachtte hij hetzelfde te doen en zij

slaagden in zoover, dat, toen Rose door haar tante overgehaald was zich

voor den nacht terug te trekken, zij opgewekter was en er zelfs beter

uitzag; ze verzekerde, dat zij stellig den volgenden morgen heelemaal

beter op zou staan.

»Ik hoop toch,« zei Oliver, toen mevrouw Maylie terugkwam, »dat er niets

is. Ze ziet er niet goed uit, maar....«

De oude dame wenkte hem, niet te spreken en ging in een donkeren hoek

van de kamer zitten. Het bleef een poos stil. Eindelijk zeide zij met

bevende stem:

»Ik hoop 't, Oliver. Ik ben deze jaren zoo gelukkig met haar geweest--te

gelukkig misschien. 't Is zeker tijd, dat er een of ander ongeluk over

me komt, maar ik hoop, dat het dit niet is.«

»Wat?« vroeg Oliver.

»De vreeselijke slag,« zei de oude dame, »dat ik het lieve meisje zou

moeten verliezen, dat zoo lang mijn geluk en mijn troost is geweest.«

»O! dat verhoede God,« riep Oliver haastig.

»Amen! kindlief!« zei de oude dame handenwringend.

»Er is toch geen gevaar voor zoo iets vreeselijks?« vroeg Oliver. »Twee

uur geleden was zij nog heel goed.«

»Nu is zij heel ziek,« antwoordde mevrouw Maylie, »en ik geloof zeker,

dat 't nog erger zal worden. Mijn lieve, lieve Rose! O, wat zou ik

moeten doen zonder haar!«

Zij gaf blijk van zulk een hevige smart, dat Oliver, zijn eigen

ontroering onderdrukkend, het waagde haar moed in te spreken, en haar

ernstig te verzoeken, ter wille van de lieve jonge dame zelf, kalmer te

zijn.

»En bedenk, mevrouw,« zeide Oliver, terwijl de tranen hem in de oogen

sprongen, ondanks al zijn pogingen ze te onderdrukken. »O, bedenk, hoe

jong en goed ze is en hoeveel vreugde en geluk zij geeft aan allen om

haar heen. Ik weet zeker--heusch, heel zeker, dat zij, ter wille van u,

die zoo goed bent en ter wille van haar zelf en ter wille van allen, die

zij zoo gelukkig maakt, niet zal sterven. De Hemel zal haar zoo jong

niet doen sterven.«

»St!« zeide mevrouw Maylie, terwijl zij haar hand op Oliver's hoofd

legde. »Je denkt als een kind, arme jongen. Maar ondanks dat, wijs je

mij op mijn plicht. Ik had die een oogenblik vergeten, Oliver, maar ik

hoop, dat dit mij vergeven zal worden, want ik ben oud en heb genoeg van

ziekte en dood gezien om de smart te kennen, die de scheiding van wie

ons lief zijn, meebrengt. Ik heb ook genoeg gezien, om te weten, dat het

niet altijd de jongste en beste zijn, die gespaard worden voor wie hen

liefhebben; maar dit moet ons tot troost zijn in onze droefheid, want de

Hemel is rechtvaardig en zulke dingen leeren ons onafwijsbaar, dat er

een schooner wereld bestaat dan de onze en dat de overgang erheen

plotseling kan zijn. Gods wil geschiede! Ik heb haar lief; Hij weet

_hoe_ lief.«

Tot zijn verwondering zag Oliver, dat mevrouw Maylie, terwijl zij deze

woorden sprak, haar klachten als met één poging onderdrukte; toen zij

uitgesproken had, was zij weer zelfbeheerscht en flink. Nog meer

verwonderd was hij te ontdekken, dat die flinkheid aanhield en dat

mevrouw Maylie bij al de zorg en het nachtwaken, dat volgde, steeds

zelfbeheerscht en kalm bleef; al de plichten, die op haar rustten,

vervulde zij vastbesloten en naar het uiterlijk te oordeelen, zelfs

opgewekt. Maar hij was jong en wist niet, waar sterke geesten onder

beproevingen toe in staat zijn. Hoe zou hij dat ook kunnen weten, waar

de sterke geesten zelf zoo zelden zichzelf kennen?

Een bange nacht volgde. Toen de morgen kwam, ging de voorspelling van

mevrouw Maylie maar al te zeer in vervulling. Rose verkeerde in het

eerste stadium van een hooge, gevaarlijke koorts.

»We moeten iets doen Oliver en niet toegeven aan onnutte droefheid,«

zei mevrouw Maylie, terwijl zij den vinger op de lippen legde en hem

strak aankeek, »deze brief moet zoo gauw mogelijk naar dokter Losberne

gezonden worden. De brief moet naar het marktstadje gebracht worden, dat

is niet verder dan vier mijlen langs het voetpad door de velden; vandaar

moet hij door een bode te paard recht naar Chertsey worden gebracht. De

menschen uit de herberg zullen daar wel voor zorgen en ik kan jou wel

toevertrouwen, den brief daarheen te brengen, nietwaar?«

Oliver kon niet antwoorden, maar zijn oogen zeiden hoe verlangend hij

was, dadelijk op weg te gaan.

»Hier is nog een brief,« zei mevrouw Maylie en dacht een oogenblik na,

»maar ik weet niet goed, of ik hem nu zal verzenden of wachten zal, tot

ik weet, hoe 't met Rose gaan zal. Ik zou hem alleen verzenden, als ik

het ergste vreesde.«

»Moet hij ook naar Chertsey, mevrouw?« vroeg Oliver, ongeduldig om zijn

boodschap te verrichten en stak zijn bevende hand uit naar den brief.

»Neen,« antwoordde de oude dame en reikte hem den brief werktuigelijk

toe. Oliver wierp er een blik op en zag, dat hij geadresseerd was aan

den heer Harry Maylie, in een of ander groot landhuis, waar kon hij niet

uitmaken.

»Moet hij mee, mevrouw?« vroeg Oliver en keek ongeduldig op.

»Ik geloof 't niet,« antwoordde mevrouw Maylie, terwijl zij den brief

terugnam. »Ik zal tot morgen wachten.«

Bij deze woorden gaf zij Oliver haar beurs en zonder zich langer op te

houden, rende hij weg zoo hard hij kon. Vlug liep hij door de velden en

langs de paadjes, die ze hier en daar doorsneden; nu eens was hij bijna

verborgen door het hooge koren aan weerskanten, dan weer kwam hij op een

open weiland, waar de maaiers en hooiers druk aan 't werk waren; hij

bleef niet staan, behalve nu en dan een paar seconden om op adem te

komen, tot hij warm en met stof bedekt op het marktplein van het stadje

aankwam.

Hier bleef hij staan en keek om zich heen naar de herberg. Er was een

witte bank en een roode brouwerij en een geel stadhuis en in één hoek

stond een groot huis, waarvan al het houtwerk groen geschilderd was en

waar op het uithangbord stond: »De George.« Zoodra hij dit in het oog

kreeg, ging hij er haastig op af.

Hij sprak een postjongen aan, die onder de poort zat te dommelen en die

hem, toen hij hoorde, wat hij verlangde, naar den huisknecht verwees;

toen deze ook alles aangehoord had wat hij te zeggen had, stuurde hij

hem naar den waard; deze was een lange man met een blauwe das, een witte

hoed, een grijze broek en kaplaarzen; hij leunde tegen de pomp bij de

staldeur en bewerkte zijn tanden met een zilveren tandenstoker.

Deze heer ging met veel omslag de gelagkamer binnen om de kosten te

berekenen, wat heel wat tijd kostte; toen dit klaar was en het geld

betaald, moest een paard gezadeld en een man reisvaardig gemaakt worden,

wat opnieuw tien minuten kostte. Intusschen verkeerde Oliver in zulk een

wanhopigen toestand van ongeduld en angst, dat hij 't gevoel had, alsof

hij zelf op het paard zou willen springen om in galop naar de volgende

pleisterplaats te rijden. Eindelijk was alles klaar; toen Oliver het

briefje had overgereikt met allerlei verzoeken en aanbevelingen om het

spoedig te bezorgen, gaf de man zijn paard de sporen, draafde over de

oneffen steenen van de markt, reed de stad uit en galoppeerde twee

minuten later langs den straatweg.

Het bewustzijn, dat er om hulp was gezonden en dat geen tijd verloren

was gegaan, was ten minste iets en Oliver liep met lichter hart de

binnenplaats van de herberg op. Toen hij het koetshuis uitkwam, botste

hij tegen een langen man in een wijde jas aan, die op dat oogenblik uit

de herbergdeur kwam.

»Ha!« riep de man, met zijn oogen op Oliver gericht en plotseling

terugdeinzend. »Wat is dat, voor den duivel?«

»Neem me niet kwalijk, mijnheer,« zei Oliver, »ik liep hard naar huis en

zag u niet aankomen.«

»Dood en duivel!« mompelde de man, den jongen met zijn groote, donkere

oogen aanstarend. »Wie zou dat gedacht hebben? Vermorzel hem tot gruis!

Hij zou nog uit een steenen kist springen en me in den weg komen!«

»'t Spijt me,« stamelde Oliver, onthutst door den woesten blik van den

vreemde. »Ik hoop, dat ik u geen pijn heb gedaan!«

»Verrek jij!« mompelde de man woest tusschen zijn gesloten tanden, »als

ik maar moed had, het woord te zeggen, zou ik in één nacht van je af

zijn. Vloek over je hoofd en dat de pest je hale, duivelsjong! Wat doe

je hier?«

De man balde zijn vuist terwijl hij deze woorden uitstootte. Hij liep

op Oliver toe, als om hem een slag te geven, maar smakte op den grond,

waar hij zich in een zenuwtoeval heen en weer rolde, terwijl het schuim

hem op den mond kwam.

Oliver keek een oogenblik naar den krankzinnige (want daar hield hij hem

voor) en liep toen het huis in om hulp te halen. Nadat hij den man

veilig het hotel had zien binnen dragen, wendde hij zich huiswaarts en

liep zoo hard hij kon om den verloren tijd in te halen; intusschen dacht

hij nog eens met groote verbazing en iets als angst aan het vreemde

gedrag van den man, dien hij zoo juist ontmoet had.

Hij bleef echter niet lang aan het voorval denken, want toen hij het

landhuis bereikte, was er genoeg om zijn geest bezig te houden en alles

wat hemzelf betrof voor 't oogenblik volkomen uit zijn gedachten te

bannen.

Rose Maylie was veel erger geworden; tegen middernacht begon zij te

ijlen. Een dokter, die in het dorp woonde, bleef voortdurend bij haar;

nadat hij de patiënte gezien had, nam hij mevrouw Maylie ter zijde en

verklaarde, dat de ziekte van den meest ernstigen aard was. »Eerlijk

gezegd,« verklaarde hij, »zou het iets als een wonder zijn, wanneer ze

beter werd.«

Hoe dikwijls sprong Oliver dien nacht zijn bed uit, sloop onhoorbaar

naar de trap en luisterde naar het minste geluid uit de ziekenkamer!

Hoe dikwijls schokte een huivering door zijn leden en parelden koude

angstdruppels op zijn voorhoofd, wanneer een plotseling geluid van

voetstappen hem deed vreezen, dat er iets gebeurd was, te vreeselijk om

aan te denken! En wat waren de vurigste gebeden, die hij ooit geuit had,

vergeleken bij de gebeden die hij uitstootte, nu hij in doodsangst

hartstochtelijk smeekte om leven en gezondheid voor het liefelijke

wezen, dat aan den rand van het donkere graf verkeerde!

O! de onzekerheid, de vreeselijke, drukkende onzekerheid, waarin men het

werkeloos aan moet zien, hoe het leven van iemand, die ons dierbaar is,

in de waagschaal staat.

O! de folterende gedachten, die in ons brein woelen en ons hart hevig

doen kloppen en onzen adem beklemmen, door de voorstellingen die zij in

onzen geest oproepen; de wanhopige begeerte, _iets te doen_ om de

pijn te verzachten of het gevaar te verminderen, dat wij niet kunnen

bezweren; de somberheid, die over onze ziel en onzen geest komt, door de

droeve gedachte aan onze hulpeloosheid; welke folteringen zijn daaraan

gelijk? door welke gedachten of ingespannen werkzaamheden kunnen wij er

leniging voor vinden in de koortsachtige opwinding van het oogenblik?

De morgen brak aan en het landhuisje was eenzaam en stil. Men sprak

fluisterend; angstige gezichten kwamen van tijd tot tijd aan de deur;

vrouwen en kinderen gingen in tranen heen. Heel den langen dag, en uren

nadat het donker was geworden, liep Oliver langzaam op en neer in den

tuin; ieder oogenblik keek hij op naar de ziekenkamer en schrikte terug

als hij het omfloerste raam zag, dat er uitzag, alsof de dood daarachter

huisde. Laat in den avond kwam dokter Losberne. »Het is hard,« zei de

goede dokter en wendde zijn hoofd af onder het spreken »zoo jong, zoo

bemind; maar er is heel weinig hoop.«

Een nieuwe morgen. De zon scheen helder--zoo helder, alsof zij niet

neerzag op ellende en zorg; en terwijl alle bladeren en bloemen in

vollen bloei om haar heen stonden, terwijl leven, gezondheid, klanken en

kleuren van zomerweelde haar aan alle kanten omringden, lag het mooie,

jonge schepseltje snel weg te teren. Oliver sloop naar het oude kerkhof,

ging op een van de groene grafheuvels zitten en schreide en bad in

stilte voor haar.

Alles was zoo vredig en schoon, het zonnige landschap scheen zoo vol

licht en vroolijkheid, de zang der zomervogels zoo vol streelende

muziek, er sprak zulk een besef van vrijheid uit de snelle vlucht der

kraaien, die hoog door de lucht zeilden, zooveel leven en blijheid uit

alles, dat in den jongen, toen hij zijn stekende oogen ophief en om zich

heen keek, onwillekeurig de gedachte opkwam, hoe dit geen tijd was voor

den dood; Rose kon niet sterven, wanneer dingen van lager orde alle zoo

vroolijk en blij waren; de graven waren er voor den kouden droeven

winter, niet voor den tijd van zonneschijn en bloei. Hij dacht bijna

dat lijkkleeden alleen bestonden voor ouden en afgeleefden en dat hun

spookachtige plooien nimmer zulk een jong, bekoorlijk wezen omhulden.

Deze kinderlijke gedachten werden plotseling onderbroken door het luiden

van de kerkklok. Daar! Weer! De klok luidde voor een begrafenis. Een

groep armelijke rouwdragers kwam het hek binnen; zij droegen witte

rouwbanden, want de gestorvene was jong. Met onbedekte hoofden stonden

zij bij het graf en in den treurenden stoet was een moeder--die geen

moeder meer was. Maar de zon scheen helder en de vogels zongen.

Oliver ging naar huis terug, denkend aan al de vriendelijkheden, die

Rose hem bewezen had, en wenschend dat er nog eenmaal een tijd mocht

komen, waarin hij haar voortdurend zou kunnen toonen, hoe dankbaar hij

haar was en hoe zeer aan haar gehecht. Hij had zich niets te verwijten,

wat betreft onachtzaamheid of gedachteloosheid, want hij had haar met

toewijding gediend en toch kwamen honderd kleine voorvallen in zijn

herinnering op, waarbij hij ijveriger had kunnen zijn en toegewijder en

hij wenschte, dat hij zóó geweest was. Wij moeten voorzichtig zijn, hoe

we met de menschen om ons heen omgaan, daar elk sterfgeval in den

kleinen kring der overlevenden gedachten oproept aan veel, dat werd

nagelaten en aan weinig, dat gedaan werd--aan zooveel vergeten dingen

en aan zooveel meer, dat hersteld had kunnen worden! Geen berouw zoo

diep als over iets, dat niet te herstellen is; als wij behoed willen

blijven voor de kwellingen ervan, laat ons hier dan bijtijds aan denken.

Toen hij thuiskwam, zat mevrouw Maylie in de kleine huiskamer. Oliver

ontstelde, toen hij haar zag; zij had tot nu toe geen oogenblik het

ziekbed van haar nichtje verlaten en hij beefde bij de gedachte, welke

verandering haar vandaar verdreven kon hebben. Hij vernam, dat Rose in

een diepen slaap was geraakt, waaruit zij wakker zou worden, hetzij tot

beterschap en leven of om afscheid van hen te nemen en te sterven.

Uren lang zaten zij bij elkaar, luisterend en bang om te spreken. Het

eten bleef onaangeroerd en werd zoo weer afgenomen; met gezichten,

waarop te lezen stond, hoe hunne gedachten elders waren, keken zij naar

de zon, die lager en lager zonk en eindelijk over hemel en aarde de

schitterende kleuren goot, die haar heengaan inleiden. Hun ooren vingen

van verre het geluid van naderende voetstappen. Onwillekeurig snelden

zij beiden naar de deur, toen dokter Losberne binnenkwam.

»Hoe is 't met Rose?« riep de oude dame. »Zeg 't me in eens. Ik kan 't

dragen; alles, behalve deze onzekerheid. O, zeg 't me om 's Hemels wil!«

»U moet kalm blijven,« zei de dokter en ondersteunde haar. »Kalm, lieve

mevrouw, kalm.«

»Laat mij in Gods naam naar haar toe gaan! Mijn dierbaar kind! Ze

sterft! Ze sterft!«

»Neen!« riep de dokter ontroerd. »Dank zij Gods goedheid en genade, zal

zij nog jaren leven en ons tot vreugde zijn.«

Mevrouw Maylie viel op de knieën en trachtte hare handen te vouwen; maar

de wilskracht, waarmede zij zich zoo lang had opgehouden, ontzonk haar

tegelijk met haar eerste dankgebed ten Hemel en zij viel neer in de

vriendenarmen, die uitgestrekt waren om haar op te vangen.

De avonturen van Oliver Twist · 第 93 / 118 题