Van het gelukkige leven, dat voor Oliver bij zijn vriendelijke
beschermers aanbrak.
Oliver had veel en hevig lijden te doorstaan. Behalve dat de gebroken
arm hem veel pijn deed en niet dan langzaam genas, kreeg hij, tengevolge
van de koude en vochtigheid, hevige koortsen, die verscheidene weken
aanhielden en hem vreeselijk deden vermageren. Maar eindelijk, heel,
heel langzaam begon hij te genezen en was hij in staat, nu en dan in
enkele woorden, door tranen verstikt, uit te spreken, hoe diep hij de
goedheid der twee lieve dames voelde en hoe vurig hij hoopte, als hij
weer flink en sterk was, iets te kunnen doen om zijn dankbaarheid te
toonen; iets maar, waaruit zij zouden zien, hoe vol zijn hart was van
liefde en toewijding; iets, al was het nog zoo weinig, dat bewijzen kon
hoe haar goedheid niet weggeworpen was, maar dat de arme jongen, die
door hun mededoogen behoed werd voor ellende of dood, niets liever
wilde, dan haar met hart en ziel te dienen.
»Arm kereltje,« zei Rose op een dag, toen Oliver met zwakke stem gepoogd
had de woorden van dankbaarheid te stamelen, die naar zijn bleeke lippen
drongen, »als je wilt, zul je gelegenheid genoeg hebben iets voor ons te
zijn. We gaan naar buiten en tante is van plan je mee te nemen. De rust
daar, de zuivere lucht en al de schoonheid en blijheid van de Lente
zullen je in een paar dagen wel opknappen. Als je eenmaal sterk genoeg
bent, om je een beetje in te spannen, zul je ons op honderd manieren
nuttig kunnen zijn.«
»Mij in te spannen!« riep Oliver. »O! lieve juffrouw, als ik maar voor u
kon werken; als ik maar iets voor u kon doen door uw bloemen water te
geven of uw vogels te verzorgen of den heelen dag heen en weer te
hollen, wat zou ik daar niet voor geven!«
»Je hoeft er niets voor te geven,« zei Miss Maylie met een glimlach,
»want, zooals ik daarnet al zeide, zullen wij je op allerlei manieren
aan het werk zetten, en als je wat wij van je vragen, maar met half
zooveel plezier doet als je nu belooft, zal ik me heusch heel gelukkig
voelen.«
»Gelukkig juffrouw,« riep Oliver. »Wat lief van u om dat te zeggen.«
»Ik kan je niet zeggen, hoe gelukkig ik mij dan zal voelen,« hernam het
jonge meisje. »Te denken, dat mijn goede tante het middel is geweest
waardoor iemand bewaard is voor al de vreeselijke ellende, waar jij ons
van verteld hebt, zou ik al onbeschrijflijk heerlijk vinden; maar te
weten, dat het voorwerp van haar goedheid en medelijden oprecht dankbaar
gestemd was en zich aan haar gehecht voelde, zou mij gelukkiger maken
dan jij je in kunt denken. Begrijp je?« vroeg ze met een blik op
Oliver's peinzend gezichtje.
»O ja, juffrouw, ja!« antwoordde Oliver levendig; »maar ik dacht er
over, dat ik toch doe of ik ondankbaar ben.«
»Tegenover wie?« vroeg het meisje.
»Tegenover den vriendelijken mijnheer en die lieve oude huishoudster,
die een tijd geleden zoo goed voor me gezorgd hebben,« antwoordde
Oliver. »Als ze wisten, hoe gelukkig ik nu ben, zouden zij 't zeker
prettig vinden.«
»Dat zouden zij zeker,« stemde Oliver's weldoenster toe, »en dokter
Losberne is al zoo vriendelijk geweest te beloven, dat hij je, zoodra
je sterk genoeg bent om de tocht te doen, naar hen toe zal brengen.«
»Heusch juffrouw?« riep Oliver, terwijl zijn gezicht van blijdschap
opleefde. »Ik weet niet wat ik doen zal van vreugde als ik die lieve
gezichten weer zie!«
Korten tijd daarna was Oliver sterk genoeg om de vermoeienis van den
tocht te doorstaan. Zoo reden hij en dokter Losberne op een ochtend
uit in een rijtuigje, dat aan Mevrouw Maylie toebehoorde. Toen zij bij
Chertsey Bridge kwamen, werd Oliver bleek en uitte een kreet.
»Wat scheelt je jongen?« riep de dokter, driftig als gewoonlijk. »Zie je
wat--hoor je wat--voel je wat--nou?«
»Dat meneer,« riep Oliver en wees uit het raampje. »Dat huis!«
»Nu, wat is daarmee? Stop koetsier. Hou op!« riep de dokter. »Nu vent,
wat is er met dat huis, wat?«
»De dieven--het huis, waar ze me heen brachten!« fluisterde Oliver.
»Wat duivel!« riep de dokter. »Hé! Ho!! Laat me er uit!«
Maar eer de koetsier van den bok kon komen, was de dokter al op een of
andere manier het rijtuig uitgetuimeld; hij holde naar het verlaten huis
toe en begon als een dolle op de deur te bonzen.
»Hé!« zei een leelijke, kleine, gebochelde man, terwijl hij de deur zoo
plotseling opentrok, dat de dokter door den schok van zijn laatsten klop
bijna voorover de gang inviel. »Wat is er te doen?«
»Te doen!« riep de ander en greep hem zonder nadenken bij den kraag.
»Heel wat! Inbraak en diefstal--dat is er te doen.«
»En daar zal gauw moord bij komen,« antwoordde de gebochelde koel, »als
je me niet loslaat. Versta je?«
»Ik versta je,« zei de dokter en schudde zijn gevangene flink door
elkaar. »Waar is--duivels hoe heet die schurk ook weer--Sikes; dat is
't. Waar is Sikes, dief die je bent?«
Als in de uiterste verbazing en verontwaardiging staarde de gebochelde
hem aan; toen rukte hij zich met een handige beweging uit des dokters
handen los, stootte een vloed van afschuwelijke vloeken uit en ging in
het huis terug. Doch eer hij de voordeur kon sluiten, was de dokter,
zonder een woord te zeggen, de voorkamer binnen gegaan. Hij keek
opmerkzaam rond; geen enkel meubelstuk, geen aanduiding van iets, hetzij
levend of levenloos, dat aan Oliver's beschrijving herinnerde; zelfs
niet de plaats waar de kasten stonden.
»Nou,« zei de gebochelde, die met scherpen blik zijn bewegingen gevolgd
had, »wat beteekent dat, dat je met geweld mijn huis binnendringt? Wil
je mij berooven of vermoorden? Wat wil je?«
»Heb je ooit gehoord dat een man die zooiets wou doen in een karretje
kwam en met getuigen, malle ouwe vampier?« vroeg de driftige dokter.
»Wat moet je hier dan?« vroeg de bochel. »Wil je nou dadelijk weggaan,
vóór ik een ongeluk aan je bega? Pas op!«
»Zoo gauw ik het tijd vind,« zei dokter Losberne en keek in de andere
kamer; ook deze leek niets op de beschrijving, die Oliver ervan gegeven
had. »Ik zal je wel krijgen, vriendje.«
»Zoo, zal je dat?« smaalde de leelijke stumpert. »Als je mij noodig
hebt, ben ik hier. Ik heb hier vijf en twintig jaar lang alleen, als een
gek, gewoond en laat me niet door jou wegjagen. Ik zal 't je betaald
zetten; ik zal 't je betaald zetten.« Met deze woorden zette het
misvormde duiveltje 't op een gillen en danste op den grond alsof hij
dol was van woede.
»'n Gekke geschiedenis!« mompelde de dokter in zichzelf. »De jongen moet
't mis hebben. Hier! Steek dit in je zak en sluit je weer op!«
Met deze woorden wierp hij den bochel een geldstuk toe en keerde naar
het rijtuig terug.
Onder het uiten van woedende verwenschingen en vloeken, volgde de man
tot aan het portier; maar toen dokter Losberne zich een oogenblik
omkeerde, om met den koetsier te spreken, keek hij in het rijtuig en
staarde Oliver een oogenblik zóó woest en tegelijk zóó woedend en
wraakzuchtig aan, dat de jongen er maandenlang wakend en slapend aan
bleef denken. Tot de koetsier zijn plaats hernomen had, bleef de
misvormde zijn vreeselijke verwenschingen uitbraken; en terwijl het
rijtuig wegreed, konden zij hem op eenigen afstand achter zich zien, op
den grond stampend en in echte of voorgewende woede, de haren uit zijn
hoofd rukkend.
»Ik ben een ezel!« zei de dokter na een lange stilte. »Wist je dat al,
Oliver?«
»Nee mijnheer.«
»Vergeet 't dan niet weer.«
»'n Ezel,« herhaalde de dokter na een nieuwe stilte van eenige minuten.
»Zelfs al was het de juiste plek geweest en ik had er de kerels, die ik
zocht, gevonden, wat zou ik dan alleen hebben kunnen uitvoeren? En als
ik hulp had gehad, zou ik nog niets goeds uitgericht hebben; ik zou me
zelf in een vreemd daglicht hebben gebracht, want dan zou onvermijdelijk
uit zijn gekomen, hoe ik de zaak in de doofpot heb gestopt. 't Zou net
goed voor me zijn geweest, want door m'n toegeven aan ingevingen, raak
ik altijd in de klem. 't Zou me goed gedaan hebben.«
De waarheid was, dat de brave dokter zijn leven lang volgens niets
anders dan ingevingen had gehandeld en het was geen slecht compliment
voor die ingevingen, dat hij, verre van in eenig ongeluk of moeilijkheid
te geraken, integendeel van harte geëerd en geacht werd door iedereen,
die hem kende. Oprecht gesproken was hij een paar minuten lang ietwat
uit zijn humeur, doordat hij bij de eerste de beste gelegenheid
teleurgesteld was in zijn poging, het verhaal van Oliver door de feiten
bevestigd te zien. Doch hij zette dit spoedig weer van zich af en toen
hij opmerkte, hoe Oliver's antwoorden op zijn vragen even oprecht en
vast klonken als ooit te voren en blijkbaar met dezelfde eerlijkheid en
waarheid werden uitgesproken, nam hij zich voor van nu af er ten volle
geloof aan te schenken.
Daar Oliver den naam van de straat wist, waarin de heer Brownlow woonde,
konden zij er recht naar toe rijden. Toen het rijtuig de straat insloeg,
klopte Oliver's hart zoo hevig, dat hij nauwelijks snel genoeg adem kon
halen.
»Nu, m'n jongen, welk huis is het?« vroeg de dokter.
»Dàt! dàt!« antwoordde Oliver levendig en wees uit het raampje. »Dat
witte huis! O, gauw! Toe gauw! Ik heb een gevoel of ik sterven moet; ik
beef zoo.«
»Kom! kom!« zei de dokter, hem op den schouder kloppend. »Dadelijk zie
je hen en ze zullen dol blij zijn, je gezond en wel weer te zien.«
»O, dat hoop ik maar!« riep Oliver. »Ze zijn zoo goed voor me geweest,
zoo heel, heel goed!«
Het rijtuig rolde voort. Het hield stil. Neen, dat was het verkeerde
huis; de volgende deur. Het rijtuig ging een eindje voort en stond toen
weer stil. Oliver keek op naar de ramen; langs zijn gezicht stroomden
tranen van blij verlangen. Helaas! Het witte huis was leeg en op het
raam stond: »Te Huur.«
»Klop hiernaast aan,« zei de dokter en trok Oliver's arm door den zijne.
»Wat is er geworden van mijnheer Brownlow, die hiernaast heeft gewoond?
Weet u dat ook?«
Het dienstmeisje wist 't niet, maar wou het binnen gaan vragen. Nu kwam
ze terug en vertelde, dat de heer Brownlow zes weken te voren zijn
inboedel verkocht had en naar West-Indië was gegaan. Oliver sloeg zijn
handen samen en dreigde in elkaar te zakken.
»Is zijn huishoudster ook weg?« vroeg de dokter na een oogenblik.
»Ja mijnheer,« antwoordde het dienstmeisje. »De oude heer, de
huishoudster en een andere mijnheer, een vriend van mijnheer Brownlow,
zijn allemaal samen weggegaan.«
»Dan naar huis,« zeide Losberne tot den koetsier, »en je hoeft niet stil
te staan om de paarden eten te geven eer we dat vervloekte Londen weer
uit zijn!«
»De man van het boekenstalletje mijnheer!« zei Oliver. »Ik weet de weg
er naar toe. Toe asjeblieft, mijnheer, ga naar hem toe! Toe mijnheer!«
»Lieve jongen, dit is teleurstelling genoeg voor één dag,« zei de
dokter. »Genoeg voor ons allebei. Als we naar het boekenstalletje gaan,
krijgen we zeker te hooren, dat de man dood is, of zijn huis in brand
heeft gestoken of weg is geloopen. Neen, we gaan rechtuit naar huis!«
En gehoorzaam aan de ingeving van den dokter, gingen zij naar huis.
Deze bittere teleurstelling bracht Oliver veel leed en verdriet zelfs te
midden van zijn geluk; gedurende zijn ziekte had hij zich honderdmaal
met genot voorgesteld, wat de heer Brownlow en juffrouw Bedwin zeggen
zouden, en hoe heerlijk het zou zijn hun te vertellen, hoeveel dagen en
nachten hij had doorgebracht met aan hen te denken en aan wat zij voor
hem hadden gedaan en met 't betreuren van zijn wreede scheiding van hen.
Ook had de hoop, zich tegenover hen te kunnen rechtvaardigen en uit te
kunnen leggen, hoe hij met geweld weggevoerd was, hem onder vele van
zijn beproevingen opgemonterd en gesteund, en nu was het denkbeeld, dat
zij zoo ver weg waren gegaan en de overtuiging met zich meedroegen, dat
hij een brutale dief was--een overtuiging, die nu misschien zijn leven
lang onweersproken zou blijven--bijna meer dan hij dragen kon.
Het gebeurde bracht evenwel geen verandering in het gedrag van zijn
weldoeners. Veertien dagen later, toen het mooie warme weer was begonnen
en alle boomen en bloemen hun jonge blaadjes en welige bloesems
ontplooiden, werden er toebereidselen gemaakt om het huis in Chertsey
voor eenige maanden te verlaten. Het zilver, dat zoo zeer Fagin's
begeerte had opgewekt, werd naar de bank gebracht, de zorg voor het huis
aan Giles en een anderen bediende opgedragen; daarna ging de familie
naar een landhuis, dat een eind verder het land in lag en namen Oliver
mee. Wie zal de vreugde en het genot beschrijven, de liefelijke rust en
de vrede in zijn hart, die de herstellende jongen vond in de geurige
buitenlucht en tusschen de groene heuvels en welige bosschen van een
landelijk dorp! Wie kan in woorden uitdrukken hoe tooneelen van vrede en
rust inwerken op de ziel der afgesloofde bewoners van dichtbevolkte,
rumoerige steden, en welken diepen indruk de frischheid van het
buitenleven maakt op hunne vermoeide harten! Menschen, die een
zwoegleven geleid hebben in dichtbevolkte enge stegen en die nooit naar
verandering gehaakt hebben; menschen voor wie de gewoonte werkelijk tot
een tweede natuur is geworden, en die er bijna toe gekomen zijn te
houden van elken steen en elke dakpan waartusschen zij hun dagelijksche
wandeling volbrengen, zelfs zij hebben, wanneer zij den dood nabij
waren, eindelijk gesmacht naar één blik op het gelaat der Natuur; en
wanneer zij weggebracht werden, ver van het tooneel hunner oude smarten
en genoegens, schenen zij tot een nieuw bestaan te ontwaken. Terwijl zij
zich elken dag naar een groen zonnig plekje sleepten, wekte de aanblik
van den hemel, van de heuvels, de wijde vlakten en het blinkende water
zulke herinneringen in hen op, dat hun sterven verzacht werd door een
voorsmaak van den hemel en zij in het graf zonken even vredig als
de zon, die zij enkele uren tevoren van uit het raam hunner eenzame
kamer zagen ondergaan, voor hun omfloerste zwakke oogen verdween. De
herinneringen, die een rustig landschap in ons opwekt, zijn niet van
deze wereld, noch van de verwachtingen en gedachten dezer wereld. Hun
liefelijke invloed moge ons leeren, hoe wij frissche kransen moeten
vlechten voor de graven van hen, die wij liefhadden; moge onze gedachten
verreinen en alle oude vijandschap en haat in ons onderdrukken; maar
behalve dit alles, draagt zelfs de meest gedachtelooze geest een vaag en
halfgevormd bewustzijn in zich om dergelijke gevoelens reeds gekoesterd
te hebben lang te voren in een ver-affe, lang verleden tijd; dit besef
roept ernstige gedachten op aan tijden, die nog komen zullen en buigt
de trots der wereld neder.
Het was een liefelijk oord, waarheen zij gingen. Oliver, die tot nu toe
zijn dagen had doorgebracht onder vuile menschen, te midden van rumoer
en geschreeuw, scheen hier een nieuw leven begonnen te zijn. Rozen en
kamperfoelie klommen tegen de muren van het huis; om oude boomstammen
slingerde zich de klimop en de bloemen in den tuin wademden heerlijke
geuren uit. Dichtbij lag een klein kerkhof, niet overvol groote,
leelijke grafmonumenten, maar met bescheiden grafheuvels, overgroeid met
frisch gras en mos, waaronder de oude menschen van het dorp te ruste
waren gelegd. Hier dwaalde Oliver dikwijls rond en als hij dacht aan het
armzalige graf, waarin zijn moeder rustte, ging hij somwijlen zitten en
schreide stil; doch wanneer hij zijn oogen ophief naar den diepblauwen
hemel boven zich, dacht hij niet langer aan haar, alsof zij in den grond
lag, en zijn verlangend weenen om haar werd vrij van pijn.
Het was een gelukkige tijd. De dagen waren vredig en helder, de nachten
brachten zorg noch angst; geen gedachten aan een vreeselijke gevangenis
of slechte menschen, waaraan hij geketend was; niets dan prettige en
gelukkige gedachten. Elken morgen ging hij naar een ouden heer met wit
haar, die dicht bij de kerk woonde; deze leerde hem beter lezen en
schrijven en sprak zoo vriendelijk en gaf zich zooveel moeite voor hem,
dat Oliver zich nooit genoeg in kon spannen om het hem naar den zin te
maken. Daarna ging hij gewoonlijk wandelen met Mevrouw Maylie en Rose en
hoorde haar over boeken spreken, of hij zat op een schaduwrijk plekje
bij haar en luisterde, terwijl het jonge meisje voorlas; dit zou hij
hebben willen doen tot het te donker werd om de letters te zien. Hij had
werk te maken voor zijn les van den volgenden dag en daar werkte hij
hard voor in een klein kamertje, dat op den tuin uitzag; dan viel de
avond langzamerhand en gingen de dames gewoonlijk weer wandelen en hij
met haar; met wat een plezier luisterde hij naar alles wat zij spraken
en hoe gelukkig maakte het hem als zij om een bloem vroegen, die hij met
eenige moeite plukken moest, of als zij iets vergeten hadden en hij kon
terugloopen om het te halen en in een ommezien weer terug te zijn. Als
het geheel donker was geworden en zij weer in huis waren, placht het
jonge meisje voor de piano te gaan zitten en een mooi lied te spelen, of
wel zij zong met zachte, lieve stem een of andere oude melodie, die haar
tante graag hoorde. Op zulke avonden werden de kaarsen niet opgestoken
en Oliver zat gewoonlijk voor het raam en luisterde in verrukking
naar de liefelijke muziek. En de Zondag, hoe heel anders werd die
doorgebracht dan hij dien dag tot nu toe had doorgebracht en hoe
heerlijk was dit evenals al de andere dagen van dezen gelukkigen tijd.
's Morgens was daar het kerkje, waar de groene bladeren langs de ramen
streken; buiten zongen de vogels en de zacht geurende lucht sloop door
de lage deuren binnen en vervulde het gezellige gebouwtje met zijn
aroma. De arme menschen zagen er zoo netjes en zindelijk uit en knielden
zoo vroom neer in gebed, dat het scheen alsof zij voor hun plezier hier
samenkwamen en niet om een lastigen plicht te vervullen en ofschoon het
zingen wat ruw van toon was, klonk het welgemeend en (tenminste in
Oliver's ooren) muzikaler dan eenig kerkgezang, dat hij nog gehoord had.
Dan volgden de gewone wandelingen en vele bezoeken aan de zindelijke
boerenhuisjes en 's avonds las Oliver een paar hoofdstukken voor uit den
bijbel, waar hij de heele week op gestudeerd had; bij het vervullen van
die taak voelde hij zich zoo trotsch en gelukkig alsof hij de dominee
zelf was.
's Morgens stond Oliver om zes uur op, dwaalde door de velden en
plunderde wijd en zijd de heggen om bossen wilde bloemen te verzamelen;
met zijn armen volgeladen kwam hij thuis. Dan kostte het heel wat zorg
en hoofdbreken, de bloemen zoo mooi mogelijk te schikken ter versiering
van de ontbijttafel. Ook bracht hij frisch muurt mee voor de vogels van
Miss Maylie, waarmee Oliver, die onder de bekwame leiding van den
dorpsonderwijzer het onderwerp bestudeerd had, de kooien op smaakvolle
wijze versierde. Als de vogels allen hun dagelijksche verzorging en
opknap gehad hadden, was er meestal een of ander te brengen aan een arm
gezin in het dorp, of anders speelde hij cricket op het grasveld, of
anders was er altijd wel wat in den tuin te doen of met de planten.
Oliver had hiervan ook een en ander geleerd van denzelfden meester, die
plantkundige van beroep was en legde er zich met veel goeden wil op toe.
Daarna verscheen Miss Rose en prees hem met duizend glimlachjes voor
alles wat hij gedaan had.
Zoo gingen drie maanden voorbij; drie maanden, die in het leven van den
mensch, die 't meest door de fortuin gezegend was, vol onvermengd geluk
geweest zouden zijn, en die in Oliver's leven als een paradijs-periode
waren. Aan den eenen kant de zuiverste en meest innemende gulheid, aan
den anderen kant de meest oprechte, warme, diepgevoelde dankbaarheid;
het is geen wonder dat Oliver Twist na verloop van dien korten tijd door
de oude dame en haar nicht als één der hunnen werd beschouwd en dat zij
van haar kant tegenover de vurige gehechtheid van zijn jong, gevoelig
hart, trotsch op hem waren en van hem hielden.