HOOFDSTUK XXXII.

Van het gelukkige leven, dat voor Oliver bij zijn vriendelijke

beschermers aanbrak.

Oliver had veel en hevig lijden te doorstaan. Behalve dat de gebroken

arm hem veel pijn deed en niet dan langzaam genas, kreeg hij, tengevolge

van de koude en vochtigheid, hevige koortsen, die verscheidene weken

aanhielden en hem vreeselijk deden vermageren. Maar eindelijk, heel,

heel langzaam begon hij te genezen en was hij in staat, nu en dan in

enkele woorden, door tranen verstikt, uit te spreken, hoe diep hij de

goedheid der twee lieve dames voelde en hoe vurig hij hoopte, als hij

weer flink en sterk was, iets te kunnen doen om zijn dankbaarheid te

toonen; iets maar, waaruit zij zouden zien, hoe vol zijn hart was van

liefde en toewijding; iets, al was het nog zoo weinig, dat bewijzen kon

hoe haar goedheid niet weggeworpen was, maar dat de arme jongen, die

door hun mededoogen behoed werd voor ellende of dood, niets liever

wilde, dan haar met hart en ziel te dienen.

»Arm kereltje,« zei Rose op een dag, toen Oliver met zwakke stem gepoogd

had de woorden van dankbaarheid te stamelen, die naar zijn bleeke lippen

drongen, »als je wilt, zul je gelegenheid genoeg hebben iets voor ons te

zijn. We gaan naar buiten en tante is van plan je mee te nemen. De rust

daar, de zuivere lucht en al de schoonheid en blijheid van de Lente

zullen je in een paar dagen wel opknappen. Als je eenmaal sterk genoeg

bent, om je een beetje in te spannen, zul je ons op honderd manieren

nuttig kunnen zijn.«

»Mij in te spannen!« riep Oliver. »O! lieve juffrouw, als ik maar voor u

kon werken; als ik maar iets voor u kon doen door uw bloemen water te

geven of uw vogels te verzorgen of den heelen dag heen en weer te

hollen, wat zou ik daar niet voor geven!«

»Je hoeft er niets voor te geven,« zei Miss Maylie met een glimlach,

»want, zooals ik daarnet al zeide, zullen wij je op allerlei manieren

aan het werk zetten, en als je wat wij van je vragen, maar met half

zooveel plezier doet als je nu belooft, zal ik me heusch heel gelukkig

voelen.«

»Gelukkig juffrouw,« riep Oliver. »Wat lief van u om dat te zeggen.«

»Ik kan je niet zeggen, hoe gelukkig ik mij dan zal voelen,« hernam het

jonge meisje. »Te denken, dat mijn goede tante het middel is geweest

waardoor iemand bewaard is voor al de vreeselijke ellende, waar jij ons

van verteld hebt, zou ik al onbeschrijflijk heerlijk vinden; maar te

weten, dat het voorwerp van haar goedheid en medelijden oprecht dankbaar

gestemd was en zich aan haar gehecht voelde, zou mij gelukkiger maken

dan jij je in kunt denken. Begrijp je?« vroeg ze met een blik op

Oliver's peinzend gezichtje.

»O ja, juffrouw, ja!« antwoordde Oliver levendig; »maar ik dacht er

over, dat ik toch doe of ik ondankbaar ben.«

»Tegenover wie?« vroeg het meisje.

»Tegenover den vriendelijken mijnheer en die lieve oude huishoudster,

die een tijd geleden zoo goed voor me gezorgd hebben,« antwoordde

Oliver. »Als ze wisten, hoe gelukkig ik nu ben, zouden zij 't zeker

prettig vinden.«

»Dat zouden zij zeker,« stemde Oliver's weldoenster toe, »en dokter

Losberne is al zoo vriendelijk geweest te beloven, dat hij je, zoodra

je sterk genoeg bent om de tocht te doen, naar hen toe zal brengen.«

»Heusch juffrouw?« riep Oliver, terwijl zijn gezicht van blijdschap

opleefde. »Ik weet niet wat ik doen zal van vreugde als ik die lieve

gezichten weer zie!«

Korten tijd daarna was Oliver sterk genoeg om de vermoeienis van den

tocht te doorstaan. Zoo reden hij en dokter Losberne op een ochtend

uit in een rijtuigje, dat aan Mevrouw Maylie toebehoorde. Toen zij bij

Chertsey Bridge kwamen, werd Oliver bleek en uitte een kreet.

»Wat scheelt je jongen?« riep de dokter, driftig als gewoonlijk. »Zie je

wat--hoor je wat--voel je wat--nou?«

»Dat meneer,« riep Oliver en wees uit het raampje. »Dat huis!«

»Nu, wat is daarmee? Stop koetsier. Hou op!« riep de dokter. »Nu vent,

wat is er met dat huis, wat?«

»De dieven--het huis, waar ze me heen brachten!« fluisterde Oliver.

»Wat duivel!« riep de dokter. »Hé! Ho!! Laat me er uit!«

Maar eer de koetsier van den bok kon komen, was de dokter al op een of

andere manier het rijtuig uitgetuimeld; hij holde naar het verlaten huis

toe en begon als een dolle op de deur te bonzen.

»Hé!« zei een leelijke, kleine, gebochelde man, terwijl hij de deur zoo

plotseling opentrok, dat de dokter door den schok van zijn laatsten klop

bijna voorover de gang inviel. »Wat is er te doen?«

»Te doen!« riep de ander en greep hem zonder nadenken bij den kraag.

»Heel wat! Inbraak en diefstal--dat is er te doen.«

»En daar zal gauw moord bij komen,« antwoordde de gebochelde koel, »als

je me niet loslaat. Versta je?«

»Ik versta je,« zei de dokter en schudde zijn gevangene flink door

elkaar. »Waar is--duivels hoe heet die schurk ook weer--Sikes; dat is

't. Waar is Sikes, dief die je bent?«

Als in de uiterste verbazing en verontwaardiging staarde de gebochelde

hem aan; toen rukte hij zich met een handige beweging uit des dokters

handen los, stootte een vloed van afschuwelijke vloeken uit en ging in

het huis terug. Doch eer hij de voordeur kon sluiten, was de dokter,

zonder een woord te zeggen, de voorkamer binnen gegaan. Hij keek

opmerkzaam rond; geen enkel meubelstuk, geen aanduiding van iets, hetzij

levend of levenloos, dat aan Oliver's beschrijving herinnerde; zelfs

niet de plaats waar de kasten stonden.

»Nou,« zei de gebochelde, die met scherpen blik zijn bewegingen gevolgd

had, »wat beteekent dat, dat je met geweld mijn huis binnendringt? Wil

je mij berooven of vermoorden? Wat wil je?«

»Heb je ooit gehoord dat een man die zooiets wou doen in een karretje

kwam en met getuigen, malle ouwe vampier?« vroeg de driftige dokter.

»Wat moet je hier dan?« vroeg de bochel. »Wil je nou dadelijk weggaan,

vóór ik een ongeluk aan je bega? Pas op!«

»Zoo gauw ik het tijd vind,« zei dokter Losberne en keek in de andere

kamer; ook deze leek niets op de beschrijving, die Oliver ervan gegeven

had. »Ik zal je wel krijgen, vriendje.«

»Zoo, zal je dat?« smaalde de leelijke stumpert. »Als je mij noodig

hebt, ben ik hier. Ik heb hier vijf en twintig jaar lang alleen, als een

gek, gewoond en laat me niet door jou wegjagen. Ik zal 't je betaald

zetten; ik zal 't je betaald zetten.« Met deze woorden zette het

misvormde duiveltje 't op een gillen en danste op den grond alsof hij

dol was van woede.

»'n Gekke geschiedenis!« mompelde de dokter in zichzelf. »De jongen moet

't mis hebben. Hier! Steek dit in je zak en sluit je weer op!«

Met deze woorden wierp hij den bochel een geldstuk toe en keerde naar

het rijtuig terug.

Onder het uiten van woedende verwenschingen en vloeken, volgde de man

tot aan het portier; maar toen dokter Losberne zich een oogenblik

omkeerde, om met den koetsier te spreken, keek hij in het rijtuig en

staarde Oliver een oogenblik zóó woest en tegelijk zóó woedend en

wraakzuchtig aan, dat de jongen er maandenlang wakend en slapend aan

bleef denken. Tot de koetsier zijn plaats hernomen had, bleef de

misvormde zijn vreeselijke verwenschingen uitbraken; en terwijl het

rijtuig wegreed, konden zij hem op eenigen afstand achter zich zien, op

den grond stampend en in echte of voorgewende woede, de haren uit zijn

hoofd rukkend.

»Ik ben een ezel!« zei de dokter na een lange stilte. »Wist je dat al,

Oliver?«

»Nee mijnheer.«

»Vergeet 't dan niet weer.«

»'n Ezel,« herhaalde de dokter na een nieuwe stilte van eenige minuten.

»Zelfs al was het de juiste plek geweest en ik had er de kerels, die ik

zocht, gevonden, wat zou ik dan alleen hebben kunnen uitvoeren? En als

ik hulp had gehad, zou ik nog niets goeds uitgericht hebben; ik zou me

zelf in een vreemd daglicht hebben gebracht, want dan zou onvermijdelijk

uit zijn gekomen, hoe ik de zaak in de doofpot heb gestopt. 't Zou net

goed voor me zijn geweest, want door m'n toegeven aan ingevingen, raak

ik altijd in de klem. 't Zou me goed gedaan hebben.«

De waarheid was, dat de brave dokter zijn leven lang volgens niets

anders dan ingevingen had gehandeld en het was geen slecht compliment

voor die ingevingen, dat hij, verre van in eenig ongeluk of moeilijkheid

te geraken, integendeel van harte geëerd en geacht werd door iedereen,

die hem kende. Oprecht gesproken was hij een paar minuten lang ietwat

uit zijn humeur, doordat hij bij de eerste de beste gelegenheid

teleurgesteld was in zijn poging, het verhaal van Oliver door de feiten

bevestigd te zien. Doch hij zette dit spoedig weer van zich af en toen

hij opmerkte, hoe Oliver's antwoorden op zijn vragen even oprecht en

vast klonken als ooit te voren en blijkbaar met dezelfde eerlijkheid en

waarheid werden uitgesproken, nam hij zich voor van nu af er ten volle

geloof aan te schenken.

Daar Oliver den naam van de straat wist, waarin de heer Brownlow woonde,

konden zij er recht naar toe rijden. Toen het rijtuig de straat insloeg,

klopte Oliver's hart zoo hevig, dat hij nauwelijks snel genoeg adem kon

halen.

»Nu, m'n jongen, welk huis is het?« vroeg de dokter.

»Dàt! dàt!« antwoordde Oliver levendig en wees uit het raampje. »Dat

witte huis! O, gauw! Toe gauw! Ik heb een gevoel of ik sterven moet; ik

beef zoo.«

»Kom! kom!« zei de dokter, hem op den schouder kloppend. »Dadelijk zie

je hen en ze zullen dol blij zijn, je gezond en wel weer te zien.«

»O, dat hoop ik maar!« riep Oliver. »Ze zijn zoo goed voor me geweest,

zoo heel, heel goed!«

Het rijtuig rolde voort. Het hield stil. Neen, dat was het verkeerde

huis; de volgende deur. Het rijtuig ging een eindje voort en stond toen

weer stil. Oliver keek op naar de ramen; langs zijn gezicht stroomden

tranen van blij verlangen. Helaas! Het witte huis was leeg en op het

raam stond: »Te Huur.«

»Klop hiernaast aan,« zei de dokter en trok Oliver's arm door den zijne.

»Wat is er geworden van mijnheer Brownlow, die hiernaast heeft gewoond?

Weet u dat ook?«

Het dienstmeisje wist 't niet, maar wou het binnen gaan vragen. Nu kwam

ze terug en vertelde, dat de heer Brownlow zes weken te voren zijn

inboedel verkocht had en naar West-Indië was gegaan. Oliver sloeg zijn

handen samen en dreigde in elkaar te zakken.

»Is zijn huishoudster ook weg?« vroeg de dokter na een oogenblik.

»Ja mijnheer,« antwoordde het dienstmeisje. »De oude heer, de

huishoudster en een andere mijnheer, een vriend van mijnheer Brownlow,

zijn allemaal samen weggegaan.«

»Dan naar huis,« zeide Losberne tot den koetsier, »en je hoeft niet stil

te staan om de paarden eten te geven eer we dat vervloekte Londen weer

uit zijn!«

»De man van het boekenstalletje mijnheer!« zei Oliver. »Ik weet de weg

er naar toe. Toe asjeblieft, mijnheer, ga naar hem toe! Toe mijnheer!«

»Lieve jongen, dit is teleurstelling genoeg voor één dag,« zei de

dokter. »Genoeg voor ons allebei. Als we naar het boekenstalletje gaan,

krijgen we zeker te hooren, dat de man dood is, of zijn huis in brand

heeft gestoken of weg is geloopen. Neen, we gaan rechtuit naar huis!«

En gehoorzaam aan de ingeving van den dokter, gingen zij naar huis.

Deze bittere teleurstelling bracht Oliver veel leed en verdriet zelfs te

midden van zijn geluk; gedurende zijn ziekte had hij zich honderdmaal

met genot voorgesteld, wat de heer Brownlow en juffrouw Bedwin zeggen

zouden, en hoe heerlijk het zou zijn hun te vertellen, hoeveel dagen en

nachten hij had doorgebracht met aan hen te denken en aan wat zij voor

hem hadden gedaan en met 't betreuren van zijn wreede scheiding van hen.

Ook had de hoop, zich tegenover hen te kunnen rechtvaardigen en uit te

kunnen leggen, hoe hij met geweld weggevoerd was, hem onder vele van

zijn beproevingen opgemonterd en gesteund, en nu was het denkbeeld, dat

zij zoo ver weg waren gegaan en de overtuiging met zich meedroegen, dat

hij een brutale dief was--een overtuiging, die nu misschien zijn leven

lang onweersproken zou blijven--bijna meer dan hij dragen kon.

Het gebeurde bracht evenwel geen verandering in het gedrag van zijn

weldoeners. Veertien dagen later, toen het mooie warme weer was begonnen

en alle boomen en bloemen hun jonge blaadjes en welige bloesems

ontplooiden, werden er toebereidselen gemaakt om het huis in Chertsey

voor eenige maanden te verlaten. Het zilver, dat zoo zeer Fagin's

begeerte had opgewekt, werd naar de bank gebracht, de zorg voor het huis

aan Giles en een anderen bediende opgedragen; daarna ging de familie

naar een landhuis, dat een eind verder het land in lag en namen Oliver

mee. Wie zal de vreugde en het genot beschrijven, de liefelijke rust en

de vrede in zijn hart, die de herstellende jongen vond in de geurige

buitenlucht en tusschen de groene heuvels en welige bosschen van een

landelijk dorp! Wie kan in woorden uitdrukken hoe tooneelen van vrede en

rust inwerken op de ziel der afgesloofde bewoners van dichtbevolkte,

rumoerige steden, en welken diepen indruk de frischheid van het

buitenleven maakt op hunne vermoeide harten! Menschen, die een

zwoegleven geleid hebben in dichtbevolkte enge stegen en die nooit naar

verandering gehaakt hebben; menschen voor wie de gewoonte werkelijk tot

een tweede natuur is geworden, en die er bijna toe gekomen zijn te

houden van elken steen en elke dakpan waartusschen zij hun dagelijksche

wandeling volbrengen, zelfs zij hebben, wanneer zij den dood nabij

waren, eindelijk gesmacht naar één blik op het gelaat der Natuur; en

wanneer zij weggebracht werden, ver van het tooneel hunner oude smarten

en genoegens, schenen zij tot een nieuw bestaan te ontwaken. Terwijl zij

zich elken dag naar een groen zonnig plekje sleepten, wekte de aanblik

van den hemel, van de heuvels, de wijde vlakten en het blinkende water

zulke herinneringen in hen op, dat hun sterven verzacht werd door een

voorsmaak van den hemel en zij in het graf zonken even vredig als

de zon, die zij enkele uren tevoren van uit het raam hunner eenzame

kamer zagen ondergaan, voor hun omfloerste zwakke oogen verdween. De

herinneringen, die een rustig landschap in ons opwekt, zijn niet van

deze wereld, noch van de verwachtingen en gedachten dezer wereld. Hun

liefelijke invloed moge ons leeren, hoe wij frissche kransen moeten

vlechten voor de graven van hen, die wij liefhadden; moge onze gedachten

verreinen en alle oude vijandschap en haat in ons onderdrukken; maar

behalve dit alles, draagt zelfs de meest gedachtelooze geest een vaag en

halfgevormd bewustzijn in zich om dergelijke gevoelens reeds gekoesterd

te hebben lang te voren in een ver-affe, lang verleden tijd; dit besef

roept ernstige gedachten op aan tijden, die nog komen zullen en buigt

de trots der wereld neder.

Het was een liefelijk oord, waarheen zij gingen. Oliver, die tot nu toe

zijn dagen had doorgebracht onder vuile menschen, te midden van rumoer

en geschreeuw, scheen hier een nieuw leven begonnen te zijn. Rozen en

kamperfoelie klommen tegen de muren van het huis; om oude boomstammen

slingerde zich de klimop en de bloemen in den tuin wademden heerlijke

geuren uit. Dichtbij lag een klein kerkhof, niet overvol groote,

leelijke grafmonumenten, maar met bescheiden grafheuvels, overgroeid met

frisch gras en mos, waaronder de oude menschen van het dorp te ruste

waren gelegd. Hier dwaalde Oliver dikwijls rond en als hij dacht aan het

armzalige graf, waarin zijn moeder rustte, ging hij somwijlen zitten en

schreide stil; doch wanneer hij zijn oogen ophief naar den diepblauwen

hemel boven zich, dacht hij niet langer aan haar, alsof zij in den grond

lag, en zijn verlangend weenen om haar werd vrij van pijn.

Het was een gelukkige tijd. De dagen waren vredig en helder, de nachten

brachten zorg noch angst; geen gedachten aan een vreeselijke gevangenis

of slechte menschen, waaraan hij geketend was; niets dan prettige en

gelukkige gedachten. Elken morgen ging hij naar een ouden heer met wit

haar, die dicht bij de kerk woonde; deze leerde hem beter lezen en

schrijven en sprak zoo vriendelijk en gaf zich zooveel moeite voor hem,

dat Oliver zich nooit genoeg in kon spannen om het hem naar den zin te

maken. Daarna ging hij gewoonlijk wandelen met Mevrouw Maylie en Rose en

hoorde haar over boeken spreken, of hij zat op een schaduwrijk plekje

bij haar en luisterde, terwijl het jonge meisje voorlas; dit zou hij

hebben willen doen tot het te donker werd om de letters te zien. Hij had

werk te maken voor zijn les van den volgenden dag en daar werkte hij

hard voor in een klein kamertje, dat op den tuin uitzag; dan viel de

avond langzamerhand en gingen de dames gewoonlijk weer wandelen en hij

met haar; met wat een plezier luisterde hij naar alles wat zij spraken

en hoe gelukkig maakte het hem als zij om een bloem vroegen, die hij met

eenige moeite plukken moest, of als zij iets vergeten hadden en hij kon

terugloopen om het te halen en in een ommezien weer terug te zijn. Als

het geheel donker was geworden en zij weer in huis waren, placht het

jonge meisje voor de piano te gaan zitten en een mooi lied te spelen, of

wel zij zong met zachte, lieve stem een of andere oude melodie, die haar

tante graag hoorde. Op zulke avonden werden de kaarsen niet opgestoken

en Oliver zat gewoonlijk voor het raam en luisterde in verrukking

naar de liefelijke muziek. En de Zondag, hoe heel anders werd die

doorgebracht dan hij dien dag tot nu toe had doorgebracht en hoe

heerlijk was dit evenals al de andere dagen van dezen gelukkigen tijd.

's Morgens was daar het kerkje, waar de groene bladeren langs de ramen

streken; buiten zongen de vogels en de zacht geurende lucht sloop door

de lage deuren binnen en vervulde het gezellige gebouwtje met zijn

aroma. De arme menschen zagen er zoo netjes en zindelijk uit en knielden

zoo vroom neer in gebed, dat het scheen alsof zij voor hun plezier hier

samenkwamen en niet om een lastigen plicht te vervullen en ofschoon het

zingen wat ruw van toon was, klonk het welgemeend en (tenminste in

Oliver's ooren) muzikaler dan eenig kerkgezang, dat hij nog gehoord had.

Dan volgden de gewone wandelingen en vele bezoeken aan de zindelijke

boerenhuisjes en 's avonds las Oliver een paar hoofdstukken voor uit den

bijbel, waar hij de heele week op gestudeerd had; bij het vervullen van

die taak voelde hij zich zoo trotsch en gelukkig alsof hij de dominee

zelf was.

's Morgens stond Oliver om zes uur op, dwaalde door de velden en

plunderde wijd en zijd de heggen om bossen wilde bloemen te verzamelen;

met zijn armen volgeladen kwam hij thuis. Dan kostte het heel wat zorg

en hoofdbreken, de bloemen zoo mooi mogelijk te schikken ter versiering

van de ontbijttafel. Ook bracht hij frisch muurt mee voor de vogels van

Miss Maylie, waarmee Oliver, die onder de bekwame leiding van den

dorpsonderwijzer het onderwerp bestudeerd had, de kooien op smaakvolle

wijze versierde. Als de vogels allen hun dagelijksche verzorging en

opknap gehad hadden, was er meestal een of ander te brengen aan een arm

gezin in het dorp, of anders speelde hij cricket op het grasveld, of

anders was er altijd wel wat in den tuin te doen of met de planten.

Oliver had hiervan ook een en ander geleerd van denzelfden meester, die

plantkundige van beroep was en legde er zich met veel goeden wil op toe.

Daarna verscheen Miss Rose en prees hem met duizend glimlachjes voor

alles wat hij gedaan had.

Zoo gingen drie maanden voorbij; drie maanden, die in het leven van den

mensch, die 't meest door de fortuin gezegend was, vol onvermengd geluk

geweest zouden zijn, en die in Oliver's leven als een paradijs-periode

waren. Aan den eenen kant de zuiverste en meest innemende gulheid, aan

den anderen kant de meest oprechte, warme, diepgevoelde dankbaarheid;

het is geen wonder dat Oliver Twist na verloop van dien korten tijd door

de oude dame en haar nicht als één der hunnen werd beschouwd en dat zij

van haar kant tegenover de vurige gehechtheid van zijn jong, gevoelig

hart, trotsch op hem waren en van hem hielden.

De avonturen van Oliver Twist · 第 92 / 118 题