HOOFDSTUK XXXI.

Verhaalt een netelig geval.

»Wie is daar?« vroeg Brittles, terwijl hij de deur zoo ver open deed als

de ketting toeliet en naar buiten keek, met zijn hand de kaars

beschermend.

»Doe open,« zei de man buiten, »hier is de politie uit Bow Street, waar

om gestuurd is vandaag.«

Gerustgesteld door deze verzekering, deed Brittles de deur wijd open en

stond tegenover een stoeren man in een manteljas. Zonder iets meer te

zeggen, kwam deze binnen, en veegde zijn voeten op de mat zoo bedaard,

alsof hij hier thuis was.

»Wil je iemand naar buiten sturen om mijn kameraad af te lossen,

jongmensch?« zei de politiebeambte, »hij zit nog in 't rijtuig en houdt

't paard vast. Heb je hier soms een koetshuis, waar 't rijtuig een

minuut of vijf of tien in kan staan?«

Toen Brittles bevestigend antwoordde en naar den stal wees, stapte de

statige man terug naar het tuinhek en hielp zijn metgezel om het rijtuig

te bezorgen, terwijl Brittles hem met groote bewondering bijlichtte.

Hierna keerden zij naar het huis terug; in een kamer binnengelaten,

deden ze hunne overjassen en hoeden af en vertoonden zich zooals zij

waren.

De man, die geklopt had, was krachtig gebouwd, van middelbare lengte

en ongeveer vijftig jaar oud; hij had glanzend zwart haar, zeer kort

geknipt, halve bakkebaarden, een rond gezicht en scherpe oogen. De ander

was een knokige man met een rood hoofd en kaplaarzen; hij had een

ongunstig gezicht en een neus met wijde neusgaten, die hem een norsch

uitzicht gaf.

»Zeg aan je meester, dat Blathers en Duff er zijn.« zei de eerste man,

terwijl hij zijn haar glad streek en een paar handboeien op tafel

legde. »O! Goeienavond, meester; kan ik een paar woorden met u alleen

spreken?«

Dat was gericht tot den heer Losberne, die juist binnenkwam; de dokter

wenkte Brittles heen te gaan, geleidde de beide dames binnen en sloot de

deur.

»Dit is de dame, die hier woont,« zei de dokter, op mevrouw Maylie

duidend.

Mr. Blathers maakte een buiging. Daar hij verlangde te gaan zitten,

legde hij zijn hoed op den grond, nam een stoel en beduidde Duff,

hetzelfde te doen. Dit laatste heerschap, niet zoo gewend naar 't scheen

aan beschaafd gezelschap, of die zich--wat ook mogelijk was--minder

gemakkelijk in gezelschap bewoog, maakte allerlei vreemde bewegingen met

armen en beenen eer hij ging zitten en stak eenigszins verlegen den knop

van zijn stok in zijn mond.

»Nu, wat de inbraak betreft, Mevrouw,« zeide Blathers. »Wat zijn de

bijzonderheden?«

Dokter Losberne, die graag tijd scheen te winnen, vertelde alles zoo

uitvoerig mogelijk en met allerlei uitweidingen.

De heeren Blathers en Duff keken heel slim en gaven elkaar nu en dan een

knikje.

»Ik kan natuurlijk niets met zekerheid zeggen, zoolang ik het werk niet

gezien heb,« zeide Blathers, »maar mijn eerste indruk is--ik verklaar

echter nog niets met stelligheid--dat het niet door een knul gedaan is;

wat zeg jij Duff?«

»Ik geloof 't ook niet,« antwoordde Duff.

»Als ik zoo vrij mag zijn het woord knul voor de dames te verklaren,

maak ik uit uw woorden op, hoe u het er voor houdt, dat de inbraak niet

is gepleegd door een buitenman?« vroeg de heer Losberne met een

glimlach.

»Juist meester,« antwoordde Blathers. »Is dat alles wat over den inbraak

te vertellen valt?«

»Alles,« antwoordde de dokter.

»En wat is dat dan met die jongen, waar de bedienden van spraken?« vroeg

Blathers.

»Niets hoegenaamd,« antwoordde de dokter. »Eén van de knechts heeft 't

zich in zijn schrik in het hoofd gehaald, dat die jongen iets te maken

heeft met de poging tot inbraak; maar 't is nonsens--louter verzinsel.«

»Dat is gemakkelijk genoeg uit te maken,« merkte Duff op.

»Heel juist gezegd,« viel Blathers in, terwijl hij goedkeurend knikte

en achteloos met de handboeien speelde, alsof 't een paar castagnetten

waren. »Wie is die jongen? Wat vertelt hij van zichzelf? Waar komt hij

vandaan? Hij is toch niet uit de wolken komen vallen, wel meester?«

»Natuurlijk niet,« antwoordde de dokter met een zenuwachtigen blik naar

de dames. »Ik weet zijn heele geschiedenis, maar daar kunnen we straks

over spreken. U wilt zeker eerst de plaats zien, waar de poging tot

inbraak plaats had?«

»Zeker,« antwoordde Mr. Blathers. »'t Is het beste, dat we eerst een

onderzoek ter plaatse instellen en dan de bedienden ondervragen. Zoo

wordt 't gewoonlijk ingericht.«

Er werden lichten gebracht; de heeren Blathers en Duff, vergezeld van

den constabel uit het stadje, Brittles, Giles en al de anderen, gingen

naar de kamer aan het einde van de gang en keken door het raampje;

daarna gingen zij naar buiten op het grasperk en keken door het raampje

naar binnen; vervolgens kregen zij een kaars om het luik te onderzoeken,

een lantaren om de voetsporen na te gaan en eindelijk een hooivork

om mee tusschen de struiken te prikken. Nadat dit onder ademlooze

belangstelling van alle toeschouwers gebeurd was, kwamen zij weer

binnen; Mr. Giles en Brittles werden nu uitgenoodigd een melodramatische

voorstelling te geven van de avonturen van den vorigen nacht, wat zij

zoowat zes maal achter elkaar deden, waarbij zij elkaar de eerste maal

niet meer dan één keer en de laatste maal niet meer dan twaalf keer

tegenspraken.

Toen dit was afgeloopen, verlieten Blathers en Duff de kamer en hielden

samen een langdurige beraadslaging, zoo geheimzinnig en plechtig, dat

daarbij vergeleken, een consult van de beroemdste doktoren over een

ingewikkeld, medisch geval maar kinderspel was.

Intusschen liep de dokter in de aangrenzende kamer onrustig op en neer,

terwijl mevrouw Maylie en Rose hem met bekommerde gezichten aanzagen.

»Werkelijk,« zeide hij en bleef plotseling stilstaan, na een heelen tijd

haastig op en neer te hebben geloopen, »ik weet bijna niet wat ik doen

moet.«

»O jawel,« zei Rose, »als u aan die mannen de heele geschiedenis van het

kind vertelt, zullen ze hem zeker vrij laten.«

»Dat betwijfel ik, meisjelief,« zei de dokter hoofdschuddend. »Ik geloof

niet, dat hij daarop vrijgesproken zou worden, noch door deze mannen,

noch door rechterlijke ambtenaren van hooger functie. Wat is hij ten

slotte, zullen ze zeggen? Een weggeloopen jongen. Alleen beoordeeld

volgens verstandelijke beschouwingen en overwegingen klinkt zijn verhaal

eenigszins verdacht.«

»Maar u gelooft het toch?« viel Rose in.

»_Ik_ geloof 't, al klinkt het nog zoo vreemd, en misschien ben ik

daarom wel een oude gek; maar ik geloof niet dat het een geschikt

verhaal is voor een ervaren politieman.«

»Waarom niet?« vroeg Rose.

»Omdat, mijn lief ondervraagstertje,« antwoordde de dokter, »omdat er,

als wij de zaak door hun oogen bekijken, heel wat duistere punten in

zijn; de jongen kan alleen bewijzen wat er kwaad uitziet en niets van

het goede. Die duivelsche kerels willen altijd het _hoe_ en _waarom_

van de dingen hebben; zonder dat nemen zij niets aan. Volgens zijn eigen

getuigenis is hij vroeger gedurende eenigen tijd de maat van een

dievenbende geweest; hij is naar een politie-bureau gebracht onder

beschuldiging, een heer zijn zak gerold te hebben; uit het huis van dien

heer is hij met geweld weggehaald en naar een plaats gebracht, die hij

noch aanwijzen, noch beschrijven kan. Hij heeft zelfs niet het flauwste

idee ervan waar die plek ongeveer ligt. Hij is, tegen wil en dank naar

Chertsey gebracht door mannen, die verschrikkelijk op hem gesteld

schijnen te zijn en door een raam gezet om te stelen; en dan, juist

op het oogenblik als hij de bewoners wekken wil en dus het eenige zal

doen, dat hem zou kunnen rechtvaardigen, komt die stommeling van een

huisknecht hem in den weg en schiet hem neer! Alsof 't expres gebeurde

om hem te beletten iets goeds voor zichzelf te doen! Ziet u dit alles

niet in?«

»Ja, natuurlijk,« antwoordde Rose met een glimlach om de drift van den

dokter, »maar ik zie nog niet in, waarom de jongen een misdadiger moet

zijn.«

»Neen,« viel de dokter in, »natuurlijk niet! God zegene den helderen

blik van de vrouw! Zij zien nooit, ten kwade of ten goede, meer dan één

kant van een vraagstuk; en dat is altijd de kant, die het eerst naar

haar toe gekeerd wordt.«

Nadat hij dit resultaat van zijn ondervinding had medegedeeld, stak de

dokter zijn handen in zijn zakken en liep nog sneller dan te voren de

kamer op en neer.

»Hoe meer ik er over denk,« zei de dokter, »hoe meer ik inzie, dat het

oneindig veel last en moeilijkheden zal opleveren, als wij aan deze

mannen de ware geschiedenis van den jongen vertellen. Ik weet zeker, dat

zij 't niet zullen gelooven en zelfs, al kunnen zij hem ten slotte niets

doen, dan zal toch het publiceeren van die geschiedenis, met al den

twijfel, dien ze op zal wekken, een werkelijke hinderpaal worden voor

uw nobel plan, hem uit de ellende te halen.«

»O, wat moeten we doen?« riep Rose. »Och, och! waarom hebben ze die

menschen ook laten komen?«

»Ja, dat zeg ik ook!« riep mevrouw Maylie uit. »Ik zou ze voor geen geld

hier gehaald hebben!«

»Alles wat ik er op weet,« zei de heer Losberne eindelijk, terwijl hij

met een soort wanhopige bedaardheid ging zitten, »al wat ik er op weet,

is, dat we moeten probeeren ons er met een brutaal gezicht doorheen te

slaan. Het doel is goed, dat kan ons excuus zijn. De jongen vertoont

sterke koorts-verschijnselen en is in geen toestand om meer in verhoor

te worden genomen, dat is één geruststelling. We moeten de zaak zoo goed

mogelijk ten einde brengen en als dat goede alleen door slechte middelen

bereikt kan worden, dan is dat onze schuld niet. Binnen!«

»Nou meester!« zei Blathers, terwijl hij, gevolgd door zijn collega,

binnenkwam, en de deur sloot, eer hij verder sprak, »dit was geen

binnenmuursche geschiedenis.«

»Wat is 'n binnenmuursche geschiedenis?« vroeg de dokter ongeduldig.

»Wij noemen het een binnenmuursche diefstal, dames,« zei Blathers, zich

tot haar wendend, alsof hij haar onwetendheid beklaagde, maar die van

den dokter verachtte, »als de bedienden er bij betrokken zijn.«

»Niemand verdacht hen in dit geval,« zeide mevrouw Maylie.

»'t Schijnt zoo, mevrouw,« hernam Blathers, »maar daarom konden ze er

toch wel in betrokken zijn.«

»Juist daarom was het des te waarschijnlijker,« zei Duff.

»Naar onze bevinding is het stadswerk,« zeide Blathers, voortgaande met

zijn verslag, »want 't is werk eerste klas.«

»Ja 't is mooi,« merkte Duff zachter op.

»Ze waren met hun beiden,« ging Blathers voort, »en ze hadden een

jongen bij zich; dat blijkt uit de grootte van het raampje. Dat is alles

wat wij er voor het oogenblik van zeggen kunnen. We zouden nu meteen

graag even den jongen willen zien, die u boven hebt.«

»Misschien willen de heeren eerst wel wat drinken, mevrouw Maylie,«

zeide de dokter, terwijl zijn gezicht ophelderde, alsof een nieuwe

gedachte in hem opkwam.

»O ja!« riep Rose ijverig. »Ik zal onmiddellijk wat inschenken, als u

wilt.«

»Nou juffrouw, dat sla ik niet af!« zei Blathers, terwijl hij zijn mond

met zijn mouw afveegde, »je krijgt er 'n drogen mond bij, bij dit werk.

Wat u bij de hand heeft, juffrouw, geef u geen moeite voor ons.«

»Wat zal 't zijn?« vroeg de dokter en ging met de jonge dame mee naar 't

buffet.

»Een klein druppeltje drank meester, als 't u hetzelfde is,« antwoordde

Blathers. »'t Is een koude rit van Londen, mevrouw, en ik vind altijd

dat drank 't best verwarmt van binnen.«

Deze interessante mededeeling was tot mevrouw Maylie gericht, die haar

heel vriendelijk in ontvangst nam. Ondertusschen glipte de dokter de

kamer uit.

»Ja!« zei Mr. Blathers, die zijn wijnglas niet bij den steel van den

voet aanpakte, maar de voet zelf tusschen duim en wijsvinger van zijn

linkerhand vastgreep en 't zoo vóór zijn borst hield, »ik heb in mijn

leven al heel wat zaakjes als dit gezien, dames.«

»Die inbraak in de achterstraat in Edmonton, Blathers,« zei Mr. Duff om

het geheugen van zijn collega op te frisschen.

»Dat was zoo iets als dit hier, is 't niet?« hernam Mr. Blathers, »dat

was 't werk van Conkey Chickweed.«

»Je geeft er altijd hem de schuld van,« antwoordde Duff. »Ik zeg je dat

't de bende van Pett was. Conkey had er net zoo min iets mee te maken

als ik.«

»Loop heen!« viel Mr. Blathers in. »Ik weet er alles van. Weet je nog

van dien dag, toen Conkey's geld gestolen werd? Wat gaf dat 'n opspraak!

Meer dan eenige roman, zoover ik weet.«

»Wat was dat?« vroeg Rose, verlangend elk teeken van welgehumeurdheid

bij de onwelkome bezoekers aan te wakkeren.

»'t Was een boevenstreek juffrouw, waar iemand niet gauw op zou komen,«

zei Blathers. »Die Conkey Chickweed«--

»Conkey beteekent spion, mevrouw,« viel Duff in.

»Dat weet de dame immers wel,« zei Mr. Blathers. »Jij valt me altijd in

de rede, kameraad! Die Conkey Chickweed juffrouw, hield een herberg over

Battle Bridge en hij had een kelder, waar dikwijls jonge lords kwamen

om hanengevechten en dassengevechten en zoo te zien en de spelen waren

op een heel geestige manier ingericht, ik heb ze dikwijls bijgewoond.

Hij behoorde toen nog niet tot de dievenbende; op een nacht werden hem

driehonderd zeven en twintig guineas ontstolen in een linnen zakje, dat

midden in den nacht uit zijn slaapkamer werd gestolen door een man met

een zwarte pleister op zijn oog, die zich onder 't bed had verborgen

en na den diefstal uit het raam sprong; 't was maar één verdieping. 't

Ging alles heel vlug. Maar Conkey was ook vlug; hij werd wakker door

het leven, sprong uit bed en vuurde een musket achter den dief af, wat

de heele buurt in rep en roer bracht. Dadelijk klonken de kreten: »houd

den dief!« en toen zij bij de plek kwamen, zagen ze, dat Conkey den dief

geraakt had, want langs den heelen weg waren bloedsporen een heel eind

ver, tot aan eenige palen; daar hielden ze op. Intusschen was de dief

er vandoor met het geld en dientengevolge verscheen de naam van Mr.

Chickweed, den bekenden grappenmaker, tusschen de andere bankroetiers

in de courant; op alle mogelijke manieren, door inzamelingen en

bedelbrieven en ik weet niet wat al meer, werd geld bij elkaar gebracht

voor den armen man, die half wanhopig was over zijn verlies en drie of

vier dagen lang door de straten liep en zich de haren uit het hoofd trok

op zoo'n wanhopige manier, dat verschillende menschen bang waren, dat

hij zich van kant zou maken. Op een dag kwam hij in groote haast het

bureau binnen en had een onderhoud onder vier oogen met den magistraat;

deze trok na een poosje aan de bel en gaf bevel Jem Spyers te roepen

(Jem Spyers was een dienstdoende agent); Jem Spyers moest met Mr.

Chickweed meegaan en hem helpen, den man te arresteeren, die hem

bestolen had. »Spyers,« zeide Chickweed, »ik heb hem gisterenmorgen

voorbij mijn huis zien komen.«

»Waarom heb je hem dan niet bij zijn kraag gepakt?« vraagt Spyers.

»Ik was zoo geschrokken, dat je een tandenstoker door mijn schedel had

kunnen boren,« zei de arme man, »maar we krijgen hem zeker te pakken,

want gisteravond, tusschen tien en elf uur, kwam hij weer voorbij.« Toen

Spyers dit hoorde, stopte hij wat schoon linnen en een kam in zijn zak,

voor 't geval hij een paar dagen zou moeten blijven; hij ging op weg en

zette zich vóór één van de herbergramen met het roode gordijntje met

zijn hoed op, om bij den minsten wenk naar buiten te kunnen stormen.

Laat in den avond zat hij daar zijn pijp te rooken, toen Chickweed

plotseling begon te brullen: »Daar is hij! Houd den dief! Moord!« Jem

Spyers vliegt naar buiten en daar ziet hij Chickweed, die al schreeuwend

de straat uitholt. Weg holt Spyers; Chickweed gaat voort; het volk loopt

om hen heen; iedereen schreeuwt: »Dieven!« en Chickweed zelf schreeuwt

aldoor als een dolle mee. Spyers verliest hem een oogenblik uit het

oog, als hij een hoek omslaat; vliegt hem na; ziet een troepje menschen

staan; dringt er zich tusschen. »Wie is de man?« »Verd....!« zegt

Chickweed, »ik heb hem weer uit 't oog verloren!« 't Was een wonderlijk

toeval, maar hij was nergens meer te zien, dus gingen ze terug naar de

herberg. Den volgenden morgen nam Spyers zijn plaats weer in en keek van

achter het gordijntje uit naar een langen man met een zwarte pleister

op zijn oog, tot zijn eigen oogen er pijn van deden. Eindelijk kon hij

niet nalaten ze dicht te doen om ze een minuutje rust te gunnen en op

hetzelfde oogenblik hoort hij Chickweed brullen: »Daar is hij!« Weer

vliegt hij weg, met Chickweed halfweg de straat voor hem uit en na

tweemaal zoo ver gehold te hebben als den vorigen keer, was de man

opnieuw verdwenen! Dit gebeurde nog één of twee keer, tot de ééne helft

van de buren tot de conclusie kwam, dat Mr. Chickweed bestolen was door

den duivel, die nu nog zijn spel met hem speelde, en de andere helft,

dat die arme Chickweed gek van verdriet was geworden.«

»En wat zei Jem Spyers?« vroeg de dokter, die kort na het begin van 't

verhaal weer in de kamer was gekomen.

»Jem Spyers,« antwoordde de hoofdagent, »zei een heelen tijd niets en

luisterde naar alles, zonder dat hij 't liet merken, wat aantoonde,

dat hij zijn zaakjes verstond. Maar op een morgen kwam hij de herberg

binnen, haalde zijn snuifdoos te voorschijn en zei: »Chickweed, ik heb

ontdekt wie de diefstal gepleegd heeft.« »O goeie Spyers, laat me mijn

wraak hebben, en ik zal rustig sterven! O, goeie Spyers, waar is de

schurk?« »Kom,« zei Spyers, terwijl hij hem een snuifje presenteerde,

»schei uit met die nonsens! Je hebt 't zelf gedaan.« En dat was zoo,

en hij had er aardig wat geld mee gemaakt erbij en niemand zou 't ooit

uitgevonden hebben, als hij niet zoo mal bezorgd was geweest om den

schijn op te houden; zoo is 't,« zei Mr. Blathers, terwijl hij zijn

wijnglas neerzette en de handboeien tegen elkaar sloeg.

»'t Is een merkwaardige geschiedenis,« merkte de dokter op.

»Nu heeren, als u wilt, kunt u naar boven gaan.«

»Als u wilt, mijnheer,« antwoordde Blathers.

Dicht achter Mr. Losberne aan klommen de twee politie-dienaren naar

Oliver's slaapkamer; Mr. Giles liep vooruit met een brandende kaars.

Oliver had een beetje gedommeld, maar hij zag er slechter uit en had

meer koorts dan te voren. Met behulp van den dokter slaagde hij er in,

een paar minuten rechtop te blijven zitten, en keek de vreemdelingen aan

zonder in 't minst te begrijpen wat er voorviel, ja zonder zich

blijkbaar zelfs te herinneren, waar hij was en wat er was gebeurd.

»Dit,« zei dokter Losberne, zachtjes sprekend, maar toch met drift in

zijn stem, »dit is de jongen, die bij ongeluk gewond is door een schot

uit een musschengeweertje, toen hij op een of ander jongens-avontuur

uit was op het land van Mijnheer-hoe-heet-hij-ook-weer hier achter en

die vanmorgen om hulp hier aanklopte; hij is dadelijk beetgepakt en

mishandeld door dien snuggeren mijnheer met de kaars in zijn hand;

krachtens mijn beroep constateer ik, dat zijn leven door die behandeling

in groot gevaar is gebracht.«

De heeren Blathers en Duff keken naar Mr. Giles, toen hun aandacht zoo

op hem gevestigd werd. De huisknecht keek als verwezen van hen naar

Oliver en van Oliver naar den dokter, met een lachwekkende mengeling van

angst en verslagenheid.

»Je zult dit niet willen ontkennen, denk ik?« zei de dokter, terwijl hij

Oliver zachtjes weer neerlegde.

»'t Was allemaal om.... om bestwil, mijnheer,« stamelde Giles. »Ik dacht

stellig, dat 't de jongen was, anders zou ik me niet met hem ingelaten

hebben. Ik ben heelemaal niet onmenschelijk, mijnheer.«

»Welke jongen dacht je dat het was?« vroeg de oudste politieman.

»De dievenjongen, meneer!« antwoordde Giles. »Ze--ze hadden stellig een

jongen bij zich.«

»En? Denk je dat nu nog?« vroeg Blathers.

»Wat meneer?« antwoordde Giles met een weifelenden blik op den

ondervrager.

»Dat 't diezelfde jongen is, stomkop!« viel Blathers ongeduldig uit.

»Ik weet 't niet, ik weet 't heusch niet,« zei Giles met een berouwvol

gezicht. »Ik zou er niet op durven zweren.«

»Wat denk je dan?« vroeg Mr. Blathers.

»Ik weet niet, wat ik denken moet,« antwoordde de arme Giles. »Ik denk

niet, dat het de jongen is; eigenlijk weet ik haast zeker, dat hij 't

niet is. U weet immers, dat 't niet kan.«

»Heeft die man gedronken, mijnheer?« vroeg Blathers, zich tot den dokter

wendend.

»Wat een prachtige warhoofdige kletskous ben jij!« zei Duff met sublieme

minachting tot Mr. Giles.

Gedurende dit korte gesprek had dokter Losberne den patient den pols

gevoeld; nu stond hij op van den stoel naast het bed en merkte op, dat

de heeren, mochten zij omtrent het geval in twijfel verkeeren, misschien

wel in de naaste kamer wilden gaan en Brittles ondervragen.

Ingevolge dezen raad begaven zij zich in een aangrenzend vertrek, waar

Brittles, na binnen geroepen te zijn, zichzelf en zijn vereerden vriend

Giles in een wonderlijk net van nieuwe tegenspraken en onmogelijkheden

wikkelde, die geen van allen iets duidelijk in het licht stelden als de

verwarring in zijn eigen brein: alleen was van waarde zijn verklaring,

dat hij den werkelijken dievenjongen niet zou herkennen, al zag hij hem

dadelijk vóór zich; dat hij er alleen Oliver voor hield, omdat Mr. Giles

gezegd had, dat hij 't was en dat Mr. Giles vijf minuten te voren in de

keuken had bekend, hoe hij vreesde een beetje al te haastig te zijn

geweest.

Tusschen andere vernuftige onderstellingen in werd nu de vraag

opgeworpen, of Mr. Giles wel werkelijk iemand getroffen had; het

zuster-pistool van datgene waarmee hij geschoten had, bleek bij

onderzoek alleen geladen te zijn met kruit en bruin papier--deze

ontdekking maakte een geweldigen indruk op iedereen, behalve op den

dokter, die tien minuten te voren den kogel uit het pistool had gehaald.

Op niemand echter maakte dit feit grooter indruk dan op Mr. Giles zelf;

hij had eenige uren lang geleden onder het bewustzijn, een medemensch

doodelijk gewond te hebben en greep nu dit nieuwe denkbeeld gretig

aan en buitte het zooveel mogelijk uit. Ten slotte lieten de

politie-beambten, zonder zich verder veel om Oliver te bekommeren, den

constabel uit Chertsey in het huis achter en gingen zelf in de stad hun

nachtrust zoeken, met de belofte den volgenden morgen terug te zullen

komen.

Den volgenden morgen ging het gerucht, dat twee mannen en een jongen

dien nacht onder verdachte omstandigheden geknipt waren en opgesloten

in Kingston; dientengevolge trokken de heeren Blathers en Duff naar

Kingston. Toen de verdachte omstandigheden bij navraag echter beperkt

bleken te zijn tot het feit, dat de verdachten slapend in een hooiberg

waren aangetroffen, op welke misdaad, ofschoon groot, alleen

gevangenisstraf staat, daar dit feit in de oogen van de Engelsche wet en

dier bekende liefde voor al des konings onderdanen, bij gebrek aan elk

ander, niet beschouwd wordt als voldoende bewijs, dat de slaper of de

slapers schuldig staan aan inbraak met geweldpleging, waarvoor zij tot

den doodstraf veroordeeld zouden kunnen worden, kwamen de heeren

Blathers en Duff even wijs terug als zij gegaan waren.

Kortom, na nog eenig onderzoek en heel wat heen en weer gepraat, werd

een magistraat uit de buurt bereid gevonden, genoegen te nemen met de

verzekering van mevrouw Maylie en Mr. Losberne, hoe zij op zich namen te

zorgen dat Oliver, mocht hij opgeroepen worden, voor de rechtbank zou

verschijnen; Blathers en Duff, beloond met een paar guineas, keerden

naar de stad terug, vervuld van zeer verschillende opvattingen naar

aanleiding van hun tocht; de laatste helde na nauwkeurige overweging van

al de omstandigheden over tot de opvatting, dat de poging tot inbraak

op touw gezet was door de bende van Pett, en de eerste was evenzeer

geneigd, de geheele verdienste ervan aan den grooten Conkey Chickweed

toe te kennen.

Intusschen ging Oliver, dank zij de vereende zorgen van mevrouw Maylie,

Rose en den goedhartigen dokter Losberne, steeds vooruit.

Als innige gebeden, opwellend uit harten vol dankbaarheid, in den hemel

verhoord worden--en als _zij_ niet verhoord worden, welke gebeden dan

wel? daalde de zegen, die het verweesde kind op hen afsmeekte, neer in

hunne harten en vervulde ze met vrede en geluk.

De avonturen van Oliver Twist · 第 91 / 118 题