Verhaalt een netelig geval.
»Wie is daar?« vroeg Brittles, terwijl hij de deur zoo ver open deed als
de ketting toeliet en naar buiten keek, met zijn hand de kaars
beschermend.
»Doe open,« zei de man buiten, »hier is de politie uit Bow Street, waar
om gestuurd is vandaag.«
Gerustgesteld door deze verzekering, deed Brittles de deur wijd open en
stond tegenover een stoeren man in een manteljas. Zonder iets meer te
zeggen, kwam deze binnen, en veegde zijn voeten op de mat zoo bedaard,
alsof hij hier thuis was.
»Wil je iemand naar buiten sturen om mijn kameraad af te lossen,
jongmensch?« zei de politiebeambte, »hij zit nog in 't rijtuig en houdt
't paard vast. Heb je hier soms een koetshuis, waar 't rijtuig een
minuut of vijf of tien in kan staan?«
Toen Brittles bevestigend antwoordde en naar den stal wees, stapte de
statige man terug naar het tuinhek en hielp zijn metgezel om het rijtuig
te bezorgen, terwijl Brittles hem met groote bewondering bijlichtte.
Hierna keerden zij naar het huis terug; in een kamer binnengelaten,
deden ze hunne overjassen en hoeden af en vertoonden zich zooals zij
waren.
De man, die geklopt had, was krachtig gebouwd, van middelbare lengte
en ongeveer vijftig jaar oud; hij had glanzend zwart haar, zeer kort
geknipt, halve bakkebaarden, een rond gezicht en scherpe oogen. De ander
was een knokige man met een rood hoofd en kaplaarzen; hij had een
ongunstig gezicht en een neus met wijde neusgaten, die hem een norsch
uitzicht gaf.
»Zeg aan je meester, dat Blathers en Duff er zijn.« zei de eerste man,
terwijl hij zijn haar glad streek en een paar handboeien op tafel
legde. »O! Goeienavond, meester; kan ik een paar woorden met u alleen
spreken?«
Dat was gericht tot den heer Losberne, die juist binnenkwam; de dokter
wenkte Brittles heen te gaan, geleidde de beide dames binnen en sloot de
deur.
»Dit is de dame, die hier woont,« zei de dokter, op mevrouw Maylie
duidend.
Mr. Blathers maakte een buiging. Daar hij verlangde te gaan zitten,
legde hij zijn hoed op den grond, nam een stoel en beduidde Duff,
hetzelfde te doen. Dit laatste heerschap, niet zoo gewend naar 't scheen
aan beschaafd gezelschap, of die zich--wat ook mogelijk was--minder
gemakkelijk in gezelschap bewoog, maakte allerlei vreemde bewegingen met
armen en beenen eer hij ging zitten en stak eenigszins verlegen den knop
van zijn stok in zijn mond.
»Nu, wat de inbraak betreft, Mevrouw,« zeide Blathers. »Wat zijn de
bijzonderheden?«
Dokter Losberne, die graag tijd scheen te winnen, vertelde alles zoo
uitvoerig mogelijk en met allerlei uitweidingen.
De heeren Blathers en Duff keken heel slim en gaven elkaar nu en dan een
knikje.
»Ik kan natuurlijk niets met zekerheid zeggen, zoolang ik het werk niet
gezien heb,« zeide Blathers, »maar mijn eerste indruk is--ik verklaar
echter nog niets met stelligheid--dat het niet door een knul gedaan is;
wat zeg jij Duff?«
»Ik geloof 't ook niet,« antwoordde Duff.
»Als ik zoo vrij mag zijn het woord knul voor de dames te verklaren,
maak ik uit uw woorden op, hoe u het er voor houdt, dat de inbraak niet
is gepleegd door een buitenman?« vroeg de heer Losberne met een
glimlach.
»Juist meester,« antwoordde Blathers. »Is dat alles wat over den inbraak
te vertellen valt?«
»Alles,« antwoordde de dokter.
»En wat is dat dan met die jongen, waar de bedienden van spraken?« vroeg
Blathers.
»Niets hoegenaamd,« antwoordde de dokter. »Eén van de knechts heeft 't
zich in zijn schrik in het hoofd gehaald, dat die jongen iets te maken
heeft met de poging tot inbraak; maar 't is nonsens--louter verzinsel.«
»Dat is gemakkelijk genoeg uit te maken,« merkte Duff op.
»Heel juist gezegd,« viel Blathers in, terwijl hij goedkeurend knikte
en achteloos met de handboeien speelde, alsof 't een paar castagnetten
waren. »Wie is die jongen? Wat vertelt hij van zichzelf? Waar komt hij
vandaan? Hij is toch niet uit de wolken komen vallen, wel meester?«
»Natuurlijk niet,« antwoordde de dokter met een zenuwachtigen blik naar
de dames. »Ik weet zijn heele geschiedenis, maar daar kunnen we straks
over spreken. U wilt zeker eerst de plaats zien, waar de poging tot
inbraak plaats had?«
»Zeker,« antwoordde Mr. Blathers. »'t Is het beste, dat we eerst een
onderzoek ter plaatse instellen en dan de bedienden ondervragen. Zoo
wordt 't gewoonlijk ingericht.«
Er werden lichten gebracht; de heeren Blathers en Duff, vergezeld van
den constabel uit het stadje, Brittles, Giles en al de anderen, gingen
naar de kamer aan het einde van de gang en keken door het raampje;
daarna gingen zij naar buiten op het grasperk en keken door het raampje
naar binnen; vervolgens kregen zij een kaars om het luik te onderzoeken,
een lantaren om de voetsporen na te gaan en eindelijk een hooivork
om mee tusschen de struiken te prikken. Nadat dit onder ademlooze
belangstelling van alle toeschouwers gebeurd was, kwamen zij weer
binnen; Mr. Giles en Brittles werden nu uitgenoodigd een melodramatische
voorstelling te geven van de avonturen van den vorigen nacht, wat zij
zoowat zes maal achter elkaar deden, waarbij zij elkaar de eerste maal
niet meer dan één keer en de laatste maal niet meer dan twaalf keer
tegenspraken.
Toen dit was afgeloopen, verlieten Blathers en Duff de kamer en hielden
samen een langdurige beraadslaging, zoo geheimzinnig en plechtig, dat
daarbij vergeleken, een consult van de beroemdste doktoren over een
ingewikkeld, medisch geval maar kinderspel was.
Intusschen liep de dokter in de aangrenzende kamer onrustig op en neer,
terwijl mevrouw Maylie en Rose hem met bekommerde gezichten aanzagen.
»Werkelijk,« zeide hij en bleef plotseling stilstaan, na een heelen tijd
haastig op en neer te hebben geloopen, »ik weet bijna niet wat ik doen
moet.«
»O jawel,« zei Rose, »als u aan die mannen de heele geschiedenis van het
kind vertelt, zullen ze hem zeker vrij laten.«
»Dat betwijfel ik, meisjelief,« zei de dokter hoofdschuddend. »Ik geloof
niet, dat hij daarop vrijgesproken zou worden, noch door deze mannen,
noch door rechterlijke ambtenaren van hooger functie. Wat is hij ten
slotte, zullen ze zeggen? Een weggeloopen jongen. Alleen beoordeeld
volgens verstandelijke beschouwingen en overwegingen klinkt zijn verhaal
eenigszins verdacht.«
»Maar u gelooft het toch?« viel Rose in.
»_Ik_ geloof 't, al klinkt het nog zoo vreemd, en misschien ben ik
daarom wel een oude gek; maar ik geloof niet dat het een geschikt
verhaal is voor een ervaren politieman.«
»Waarom niet?« vroeg Rose.
»Omdat, mijn lief ondervraagstertje,« antwoordde de dokter, »omdat er,
als wij de zaak door hun oogen bekijken, heel wat duistere punten in
zijn; de jongen kan alleen bewijzen wat er kwaad uitziet en niets van
het goede. Die duivelsche kerels willen altijd het _hoe_ en _waarom_
van de dingen hebben; zonder dat nemen zij niets aan. Volgens zijn eigen
getuigenis is hij vroeger gedurende eenigen tijd de maat van een
dievenbende geweest; hij is naar een politie-bureau gebracht onder
beschuldiging, een heer zijn zak gerold te hebben; uit het huis van dien
heer is hij met geweld weggehaald en naar een plaats gebracht, die hij
noch aanwijzen, noch beschrijven kan. Hij heeft zelfs niet het flauwste
idee ervan waar die plek ongeveer ligt. Hij is, tegen wil en dank naar
Chertsey gebracht door mannen, die verschrikkelijk op hem gesteld
schijnen te zijn en door een raam gezet om te stelen; en dan, juist
op het oogenblik als hij de bewoners wekken wil en dus het eenige zal
doen, dat hem zou kunnen rechtvaardigen, komt die stommeling van een
huisknecht hem in den weg en schiet hem neer! Alsof 't expres gebeurde
om hem te beletten iets goeds voor zichzelf te doen! Ziet u dit alles
niet in?«
»Ja, natuurlijk,« antwoordde Rose met een glimlach om de drift van den
dokter, »maar ik zie nog niet in, waarom de jongen een misdadiger moet
zijn.«
»Neen,« viel de dokter in, »natuurlijk niet! God zegene den helderen
blik van de vrouw! Zij zien nooit, ten kwade of ten goede, meer dan één
kant van een vraagstuk; en dat is altijd de kant, die het eerst naar
haar toe gekeerd wordt.«
Nadat hij dit resultaat van zijn ondervinding had medegedeeld, stak de
dokter zijn handen in zijn zakken en liep nog sneller dan te voren de
kamer op en neer.
»Hoe meer ik er over denk,« zei de dokter, »hoe meer ik inzie, dat het
oneindig veel last en moeilijkheden zal opleveren, als wij aan deze
mannen de ware geschiedenis van den jongen vertellen. Ik weet zeker, dat
zij 't niet zullen gelooven en zelfs, al kunnen zij hem ten slotte niets
doen, dan zal toch het publiceeren van die geschiedenis, met al den
twijfel, dien ze op zal wekken, een werkelijke hinderpaal worden voor
uw nobel plan, hem uit de ellende te halen.«
»O, wat moeten we doen?« riep Rose. »Och, och! waarom hebben ze die
menschen ook laten komen?«
»Ja, dat zeg ik ook!« riep mevrouw Maylie uit. »Ik zou ze voor geen geld
hier gehaald hebben!«
»Alles wat ik er op weet,« zei de heer Losberne eindelijk, terwijl hij
met een soort wanhopige bedaardheid ging zitten, »al wat ik er op weet,
is, dat we moeten probeeren ons er met een brutaal gezicht doorheen te
slaan. Het doel is goed, dat kan ons excuus zijn. De jongen vertoont
sterke koorts-verschijnselen en is in geen toestand om meer in verhoor
te worden genomen, dat is één geruststelling. We moeten de zaak zoo goed
mogelijk ten einde brengen en als dat goede alleen door slechte middelen
bereikt kan worden, dan is dat onze schuld niet. Binnen!«
»Nou meester!« zei Blathers, terwijl hij, gevolgd door zijn collega,
binnenkwam, en de deur sloot, eer hij verder sprak, »dit was geen
binnenmuursche geschiedenis.«
»Wat is 'n binnenmuursche geschiedenis?« vroeg de dokter ongeduldig.
»Wij noemen het een binnenmuursche diefstal, dames,« zei Blathers, zich
tot haar wendend, alsof hij haar onwetendheid beklaagde, maar die van
den dokter verachtte, »als de bedienden er bij betrokken zijn.«
»Niemand verdacht hen in dit geval,« zeide mevrouw Maylie.
»'t Schijnt zoo, mevrouw,« hernam Blathers, »maar daarom konden ze er
toch wel in betrokken zijn.«
»Juist daarom was het des te waarschijnlijker,« zei Duff.
»Naar onze bevinding is het stadswerk,« zeide Blathers, voortgaande met
zijn verslag, »want 't is werk eerste klas.«
»Ja 't is mooi,« merkte Duff zachter op.
»Ze waren met hun beiden,« ging Blathers voort, »en ze hadden een
jongen bij zich; dat blijkt uit de grootte van het raampje. Dat is alles
wat wij er voor het oogenblik van zeggen kunnen. We zouden nu meteen
graag even den jongen willen zien, die u boven hebt.«
»Misschien willen de heeren eerst wel wat drinken, mevrouw Maylie,«
zeide de dokter, terwijl zijn gezicht ophelderde, alsof een nieuwe
gedachte in hem opkwam.
»O ja!« riep Rose ijverig. »Ik zal onmiddellijk wat inschenken, als u
wilt.«
»Nou juffrouw, dat sla ik niet af!« zei Blathers, terwijl hij zijn mond
met zijn mouw afveegde, »je krijgt er 'n drogen mond bij, bij dit werk.
Wat u bij de hand heeft, juffrouw, geef u geen moeite voor ons.«
»Wat zal 't zijn?« vroeg de dokter en ging met de jonge dame mee naar 't
buffet.
»Een klein druppeltje drank meester, als 't u hetzelfde is,« antwoordde
Blathers. »'t Is een koude rit van Londen, mevrouw, en ik vind altijd
dat drank 't best verwarmt van binnen.«
Deze interessante mededeeling was tot mevrouw Maylie gericht, die haar
heel vriendelijk in ontvangst nam. Ondertusschen glipte de dokter de
kamer uit.
»Ja!« zei Mr. Blathers, die zijn wijnglas niet bij den steel van den
voet aanpakte, maar de voet zelf tusschen duim en wijsvinger van zijn
linkerhand vastgreep en 't zoo vóór zijn borst hield, »ik heb in mijn
leven al heel wat zaakjes als dit gezien, dames.«
»Die inbraak in de achterstraat in Edmonton, Blathers,« zei Mr. Duff om
het geheugen van zijn collega op te frisschen.
»Dat was zoo iets als dit hier, is 't niet?« hernam Mr. Blathers, »dat
was 't werk van Conkey Chickweed.«
»Je geeft er altijd hem de schuld van,« antwoordde Duff. »Ik zeg je dat
't de bende van Pett was. Conkey had er net zoo min iets mee te maken
als ik.«
»Loop heen!« viel Mr. Blathers in. »Ik weet er alles van. Weet je nog
van dien dag, toen Conkey's geld gestolen werd? Wat gaf dat 'n opspraak!
Meer dan eenige roman, zoover ik weet.«
»Wat was dat?« vroeg Rose, verlangend elk teeken van welgehumeurdheid
bij de onwelkome bezoekers aan te wakkeren.
»'t Was een boevenstreek juffrouw, waar iemand niet gauw op zou komen,«
zei Blathers. »Die Conkey Chickweed«--
»Conkey beteekent spion, mevrouw,« viel Duff in.
»Dat weet de dame immers wel,« zei Mr. Blathers. »Jij valt me altijd in
de rede, kameraad! Die Conkey Chickweed juffrouw, hield een herberg over
Battle Bridge en hij had een kelder, waar dikwijls jonge lords kwamen
om hanengevechten en dassengevechten en zoo te zien en de spelen waren
op een heel geestige manier ingericht, ik heb ze dikwijls bijgewoond.
Hij behoorde toen nog niet tot de dievenbende; op een nacht werden hem
driehonderd zeven en twintig guineas ontstolen in een linnen zakje, dat
midden in den nacht uit zijn slaapkamer werd gestolen door een man met
een zwarte pleister op zijn oog, die zich onder 't bed had verborgen
en na den diefstal uit het raam sprong; 't was maar één verdieping. 't
Ging alles heel vlug. Maar Conkey was ook vlug; hij werd wakker door
het leven, sprong uit bed en vuurde een musket achter den dief af, wat
de heele buurt in rep en roer bracht. Dadelijk klonken de kreten: »houd
den dief!« en toen zij bij de plek kwamen, zagen ze, dat Conkey den dief
geraakt had, want langs den heelen weg waren bloedsporen een heel eind
ver, tot aan eenige palen; daar hielden ze op. Intusschen was de dief
er vandoor met het geld en dientengevolge verscheen de naam van Mr.
Chickweed, den bekenden grappenmaker, tusschen de andere bankroetiers
in de courant; op alle mogelijke manieren, door inzamelingen en
bedelbrieven en ik weet niet wat al meer, werd geld bij elkaar gebracht
voor den armen man, die half wanhopig was over zijn verlies en drie of
vier dagen lang door de straten liep en zich de haren uit het hoofd trok
op zoo'n wanhopige manier, dat verschillende menschen bang waren, dat
hij zich van kant zou maken. Op een dag kwam hij in groote haast het
bureau binnen en had een onderhoud onder vier oogen met den magistraat;
deze trok na een poosje aan de bel en gaf bevel Jem Spyers te roepen
(Jem Spyers was een dienstdoende agent); Jem Spyers moest met Mr.
Chickweed meegaan en hem helpen, den man te arresteeren, die hem
bestolen had. »Spyers,« zeide Chickweed, »ik heb hem gisterenmorgen
voorbij mijn huis zien komen.«
»Waarom heb je hem dan niet bij zijn kraag gepakt?« vraagt Spyers.
»Ik was zoo geschrokken, dat je een tandenstoker door mijn schedel had
kunnen boren,« zei de arme man, »maar we krijgen hem zeker te pakken,
want gisteravond, tusschen tien en elf uur, kwam hij weer voorbij.« Toen
Spyers dit hoorde, stopte hij wat schoon linnen en een kam in zijn zak,
voor 't geval hij een paar dagen zou moeten blijven; hij ging op weg en
zette zich vóór één van de herbergramen met het roode gordijntje met
zijn hoed op, om bij den minsten wenk naar buiten te kunnen stormen.
Laat in den avond zat hij daar zijn pijp te rooken, toen Chickweed
plotseling begon te brullen: »Daar is hij! Houd den dief! Moord!« Jem
Spyers vliegt naar buiten en daar ziet hij Chickweed, die al schreeuwend
de straat uitholt. Weg holt Spyers; Chickweed gaat voort; het volk loopt
om hen heen; iedereen schreeuwt: »Dieven!« en Chickweed zelf schreeuwt
aldoor als een dolle mee. Spyers verliest hem een oogenblik uit het
oog, als hij een hoek omslaat; vliegt hem na; ziet een troepje menschen
staan; dringt er zich tusschen. »Wie is de man?« »Verd....!« zegt
Chickweed, »ik heb hem weer uit 't oog verloren!« 't Was een wonderlijk
toeval, maar hij was nergens meer te zien, dus gingen ze terug naar de
herberg. Den volgenden morgen nam Spyers zijn plaats weer in en keek van
achter het gordijntje uit naar een langen man met een zwarte pleister
op zijn oog, tot zijn eigen oogen er pijn van deden. Eindelijk kon hij
niet nalaten ze dicht te doen om ze een minuutje rust te gunnen en op
hetzelfde oogenblik hoort hij Chickweed brullen: »Daar is hij!« Weer
vliegt hij weg, met Chickweed halfweg de straat voor hem uit en na
tweemaal zoo ver gehold te hebben als den vorigen keer, was de man
opnieuw verdwenen! Dit gebeurde nog één of twee keer, tot de ééne helft
van de buren tot de conclusie kwam, dat Mr. Chickweed bestolen was door
den duivel, die nu nog zijn spel met hem speelde, en de andere helft,
dat die arme Chickweed gek van verdriet was geworden.«
»En wat zei Jem Spyers?« vroeg de dokter, die kort na het begin van 't
verhaal weer in de kamer was gekomen.
»Jem Spyers,« antwoordde de hoofdagent, »zei een heelen tijd niets en
luisterde naar alles, zonder dat hij 't liet merken, wat aantoonde,
dat hij zijn zaakjes verstond. Maar op een morgen kwam hij de herberg
binnen, haalde zijn snuifdoos te voorschijn en zei: »Chickweed, ik heb
ontdekt wie de diefstal gepleegd heeft.« »O goeie Spyers, laat me mijn
wraak hebben, en ik zal rustig sterven! O, goeie Spyers, waar is de
schurk?« »Kom,« zei Spyers, terwijl hij hem een snuifje presenteerde,
»schei uit met die nonsens! Je hebt 't zelf gedaan.« En dat was zoo,
en hij had er aardig wat geld mee gemaakt erbij en niemand zou 't ooit
uitgevonden hebben, als hij niet zoo mal bezorgd was geweest om den
schijn op te houden; zoo is 't,« zei Mr. Blathers, terwijl hij zijn
wijnglas neerzette en de handboeien tegen elkaar sloeg.
»'t Is een merkwaardige geschiedenis,« merkte de dokter op.
»Nu heeren, als u wilt, kunt u naar boven gaan.«
»Als u wilt, mijnheer,« antwoordde Blathers.
Dicht achter Mr. Losberne aan klommen de twee politie-dienaren naar
Oliver's slaapkamer; Mr. Giles liep vooruit met een brandende kaars.
Oliver had een beetje gedommeld, maar hij zag er slechter uit en had
meer koorts dan te voren. Met behulp van den dokter slaagde hij er in,
een paar minuten rechtop te blijven zitten, en keek de vreemdelingen aan
zonder in 't minst te begrijpen wat er voorviel, ja zonder zich
blijkbaar zelfs te herinneren, waar hij was en wat er was gebeurd.
»Dit,« zei dokter Losberne, zachtjes sprekend, maar toch met drift in
zijn stem, »dit is de jongen, die bij ongeluk gewond is door een schot
uit een musschengeweertje, toen hij op een of ander jongens-avontuur
uit was op het land van Mijnheer-hoe-heet-hij-ook-weer hier achter en
die vanmorgen om hulp hier aanklopte; hij is dadelijk beetgepakt en
mishandeld door dien snuggeren mijnheer met de kaars in zijn hand;
krachtens mijn beroep constateer ik, dat zijn leven door die behandeling
in groot gevaar is gebracht.«
De heeren Blathers en Duff keken naar Mr. Giles, toen hun aandacht zoo
op hem gevestigd werd. De huisknecht keek als verwezen van hen naar
Oliver en van Oliver naar den dokter, met een lachwekkende mengeling van
angst en verslagenheid.
»Je zult dit niet willen ontkennen, denk ik?« zei de dokter, terwijl hij
Oliver zachtjes weer neerlegde.
»'t Was allemaal om.... om bestwil, mijnheer,« stamelde Giles. »Ik dacht
stellig, dat 't de jongen was, anders zou ik me niet met hem ingelaten
hebben. Ik ben heelemaal niet onmenschelijk, mijnheer.«
»Welke jongen dacht je dat het was?« vroeg de oudste politieman.
»De dievenjongen, meneer!« antwoordde Giles. »Ze--ze hadden stellig een
jongen bij zich.«
»En? Denk je dat nu nog?« vroeg Blathers.
»Wat meneer?« antwoordde Giles met een weifelenden blik op den
ondervrager.
»Dat 't diezelfde jongen is, stomkop!« viel Blathers ongeduldig uit.
»Ik weet 't niet, ik weet 't heusch niet,« zei Giles met een berouwvol
gezicht. »Ik zou er niet op durven zweren.«
»Wat denk je dan?« vroeg Mr. Blathers.
»Ik weet niet, wat ik denken moet,« antwoordde de arme Giles. »Ik denk
niet, dat het de jongen is; eigenlijk weet ik haast zeker, dat hij 't
niet is. U weet immers, dat 't niet kan.«
»Heeft die man gedronken, mijnheer?« vroeg Blathers, zich tot den dokter
wendend.
»Wat een prachtige warhoofdige kletskous ben jij!« zei Duff met sublieme
minachting tot Mr. Giles.
Gedurende dit korte gesprek had dokter Losberne den patient den pols
gevoeld; nu stond hij op van den stoel naast het bed en merkte op, dat
de heeren, mochten zij omtrent het geval in twijfel verkeeren, misschien
wel in de naaste kamer wilden gaan en Brittles ondervragen.
Ingevolge dezen raad begaven zij zich in een aangrenzend vertrek, waar
Brittles, na binnen geroepen te zijn, zichzelf en zijn vereerden vriend
Giles in een wonderlijk net van nieuwe tegenspraken en onmogelijkheden
wikkelde, die geen van allen iets duidelijk in het licht stelden als de
verwarring in zijn eigen brein: alleen was van waarde zijn verklaring,
dat hij den werkelijken dievenjongen niet zou herkennen, al zag hij hem
dadelijk vóór zich; dat hij er alleen Oliver voor hield, omdat Mr. Giles
gezegd had, dat hij 't was en dat Mr. Giles vijf minuten te voren in de
keuken had bekend, hoe hij vreesde een beetje al te haastig te zijn
geweest.
Tusschen andere vernuftige onderstellingen in werd nu de vraag
opgeworpen, of Mr. Giles wel werkelijk iemand getroffen had; het
zuster-pistool van datgene waarmee hij geschoten had, bleek bij
onderzoek alleen geladen te zijn met kruit en bruin papier--deze
ontdekking maakte een geweldigen indruk op iedereen, behalve op den
dokter, die tien minuten te voren den kogel uit het pistool had gehaald.
Op niemand echter maakte dit feit grooter indruk dan op Mr. Giles zelf;
hij had eenige uren lang geleden onder het bewustzijn, een medemensch
doodelijk gewond te hebben en greep nu dit nieuwe denkbeeld gretig
aan en buitte het zooveel mogelijk uit. Ten slotte lieten de
politie-beambten, zonder zich verder veel om Oliver te bekommeren, den
constabel uit Chertsey in het huis achter en gingen zelf in de stad hun
nachtrust zoeken, met de belofte den volgenden morgen terug te zullen
komen.
Den volgenden morgen ging het gerucht, dat twee mannen en een jongen
dien nacht onder verdachte omstandigheden geknipt waren en opgesloten
in Kingston; dientengevolge trokken de heeren Blathers en Duff naar
Kingston. Toen de verdachte omstandigheden bij navraag echter beperkt
bleken te zijn tot het feit, dat de verdachten slapend in een hooiberg
waren aangetroffen, op welke misdaad, ofschoon groot, alleen
gevangenisstraf staat, daar dit feit in de oogen van de Engelsche wet en
dier bekende liefde voor al des konings onderdanen, bij gebrek aan elk
ander, niet beschouwd wordt als voldoende bewijs, dat de slaper of de
slapers schuldig staan aan inbraak met geweldpleging, waarvoor zij tot
den doodstraf veroordeeld zouden kunnen worden, kwamen de heeren
Blathers en Duff even wijs terug als zij gegaan waren.
Kortom, na nog eenig onderzoek en heel wat heen en weer gepraat, werd
een magistraat uit de buurt bereid gevonden, genoegen te nemen met de
verzekering van mevrouw Maylie en Mr. Losberne, hoe zij op zich namen te
zorgen dat Oliver, mocht hij opgeroepen worden, voor de rechtbank zou
verschijnen; Blathers en Duff, beloond met een paar guineas, keerden
naar de stad terug, vervuld van zeer verschillende opvattingen naar
aanleiding van hun tocht; de laatste helde na nauwkeurige overweging van
al de omstandigheden over tot de opvatting, dat de poging tot inbraak
op touw gezet was door de bende van Pett, en de eerste was evenzeer
geneigd, de geheele verdienste ervan aan den grooten Conkey Chickweed
toe te kennen.
Intusschen ging Oliver, dank zij de vereende zorgen van mevrouw Maylie,
Rose en den goedhartigen dokter Losberne, steeds vooruit.
Als innige gebeden, opwellend uit harten vol dankbaarheid, in den hemel
verhoord worden--en als _zij_ niet verhoord worden, welke gebeden dan
wel? daalde de zegen, die het verweesde kind op hen afsmeekte, neer in
hunne harten en vervulde ze met vrede en geluk.