Verhaalt, wat Olivers nieuwe bezoeksters van hem dachten.
Onder allerlei woordenrijke verzekeringen, dat zij aangenaam verrast
zouden zijn bij het zien van den misdadiger, trok de dokter den arm der
jonge dame door den zijne, bood zijn vrije hand aan Mevrouw Maylie en
geleidde haar met veel plichtplegingen naar boven.
»Nu,« fluisterde de dokter, terwijl hij zachtjes de kruk van de
slaapkamerdeur omdraaide, »laat me eens hooren, wat u van hem denkt. Hij
is juist niet pas geschoren, maar hij ziet er toch heelemaal niet woest
uit. Wacht u even! Laat me eerst zien, of hij geschikt is bezoek te
ontvangen.«
Voor hen uitgaande, keek hij de kamer binnen. Na de dames een wenk
gegeven te hebben, nader te komen, sloot hij de deur achter haar en trok
voorzichtig de bedgordijnen open. Op het bed lag, inplaats van de ruwe,
woeste misdadiger, dien zij verwacht hadden te zien, een kind, bleek
door pijn en uitputting en diep in slaap. Zijn gewonde arm, verbonden en
gespalkt, lag op zijn borst; zijn hoofd rustte op den anderen arm, half
verborgen onder het lange haar, dat op het kussen lag gespreid.
De goede dokter hield het gordijn vast en keek een paar minuten zwijgend
toe. Terwijl hij aldus den patient waarnam, liep de jonge dame hem
zachtjes voorbij, ging in een stoel bij het bed zitten en streek
Oliver's haar uit zijn gezicht. Terwijl zij over hem heenboog, druppelde
hare tranen op zijn voorhoofd.
De jongen bewoog zich en glimlachte in zijn slaap, alsof deze teekens
van medelijden en meegevoel een liefelijken droom in hem gewekt hadden
van liefde en teederheid, die hij nooit had ondervonden.
Zoo kan een enkele toon van zachte muziek, of het rimpelen van het water
op een stille plek, of de geur van een bloem, of de klank van een gewoon
woord soms plotseling in ons vage herinneringen oproepen aan tooneelen,
die in dit leven niet voorvielen; die verdwijnen als een ademtocht, die
gewekt schijnen te zijn door de herinnering aan een lang vervlogen,
gelukkiger bestaan en die geen inspanning van den geest willekeurig kan
oproepen.
»Wat zou dit beteekenen?« riep de oude dame uit. »Dit arme kind kan
nooit een dievenjongen zijn geweest!«
»De zonde,« zuchtte de dokter, terwijl hij het gordijn liet vallen,
»kiest haar woning in velerlei tempels en wie durft zeggen, dat ze niet
besloten kan zijn in een schoon uiterlijk?«
»Maar zoo jong nog!« zei Rose.
»Kindlief,« wierp de dokter met een droevig hoofdschudden tegen,
»misdaad, zoo min als dood, is beperkt tot ouden en afgeleefden. Juist
de jongsten en mooisten kiezen zij dikwijls 't eerst als slachtoffers
uit.«
»Maar kunt u dan, o! kunt u werkelijk gelooven, dat die teere jongen
vrijwillig de medeplichtige is geweest van de minste verworpelingen der
maatschappij?« vroeg Rose.
De dokter schudde zijn hoofd op een wijze, die scheen aan te duiden, dat
het heel goed mogelijk was; toen, met de opmerking dat zij misschien den
patient zouden hinderen, bracht hij de dames naar een andere kamer.
»Maar zelfs als hij slecht geweest is,« ging Rose voort, »denkt u eens,
hoe jong hij is; misschien heeft hij nooit moederliefde gekend of een
prettig thuis; misschien is hij door slechte behandeling en door slaag
of door broodsgebrek er toe gekomen, zich aan te sluiten bij menschen,
die hem tot misdaad gedwongen hebben. Tante, lieve tante, denk in
Godsnaam hieraan, eer u dat zieke kind naar de gevangenis laat brengen,
waar hij in elk geval voor goed de kans verliest om zich te verbeteren.
O! u hebt mij lief en u weet, dat ik door uw goedheid en liefde nooit
het gemis van ouders gevoeld heb, maar 't had toch kunnen zijn en dan
was ik misschien even hulpeloos en alleen als dit arme kind; daarom, heb
medelijden met hem eer het te laat is!«
»Lieveling,« zei de oude dame en drukte het schreiende meisje aan haar
hart, »denk je dan dat ik één haar van zijn hoofd zou willen krenken?«
»O neen!« antwoordde Rose volmondig.
»Neen,« zei de oude dame, »mijn dagen loopen ten einde en moge mij de
genade betoond worden, die ik aan anderen bewijs! Wat kan ik voor hem
doen, dokter?«
»Laat mij er eens over denken,« zei de dokter, »laat mij er eens over
denken.«
Dokter Losberne stak zijn handen in zijn zakken en liep verscheidene
malen de kamer op en neer; hij bleef telkens stilstaan, balanceerde op
zijn teenen en trok zijn wenkbrauwen dreigend samen. Na verschillende
uitroepen van: »nu weet ik 't!« en »nu heb ik 't!« en vele herhalingen
van de wandeling en het wenkbrauwfronsen, bleef hij eindelijk stokstijf
staan en sprak:
»Als u mij volle, onbeperkte volmacht geeft, om Giles en den kleinen
Brittles wat angst aan te jagen, geloof ik, dat 't mij lukken zal. Ik
weet wel.... Giles is een trouwe borst en een oude dienaar, maar u kunt
het op duizend manieren weer goed bij hem maken en hem een belooning
geven voor zijn schutterschap. Heeft u daar niet op tegen?«
»Als er ten minste geen ander middel bestaat om het kind te sparen,«
antwoordde mevrouw Maylie.
»Er is geen ander,« zei de dokter. »Op mijn woord niet.«
»Dan geeft tante u volmacht,« zei Rose, glimlachend door haar tranen
heen, »maar u moet niet harder voor die arme jongens zijn dan noodig
is.«
»Miss Rose, u schijnt te denken, dat iedereen vandaag hardvochtig
is, behalve uzelf,« zei de dokter. »Ik hoop alleen maar voor het
jongere mannelijke geslacht in 't algemeen, dat u even vriendelijk en
zachtzinnig gestemd zult zijn jegens den eersten aannemelijken jonkman,
die een beroep doet op uw gevoelige hart en ik wou, dat ik een jonge
kerel was en dat ik terstond van zoo'n gunstige gelegenheid als deze
profiteeren kon.«
»U bent net zoo'n groot kind als Brittles,« antwoordde Rose met een
blos.
»Nu,« zei de dokter, hartelijk lachend, »dat is zoo heel moeielijk niet.
Maar om op den jongen terug te komen. Het voornaamste punt van onze
overeenkomst moet nog besproken worden. Ik denk, dat hij over een uurtje
wel wakker zal worden en ofschoon ik aan dien dikkoppigen constabel
beneden gezegd heb, dat hij op gevaar voor zijn leven niet vervoerd mag
worden en ook niet ondervraagd, geloof ik wel, dat we zonder gevaar met
hem kunnen praten. Nu maak ik dit beding--ik zal hem ondervragen in uw
bijzijn, en wanneer wij uit wat hij zegt opmaken, dat hij (wat meer dan
mogelijk schijnt) totaal bedorven en slecht is, wanneer ik dat aan kan
toonen, zóó dat uw heele verstand het met mij eens is.... dat wij hem
dan aan zijn lot overlaten, zonder eenige tusschenkomst van mijn kant
ten minste.«
»O nee, tante!« smeekte Rose.
»O ja, tante!« zei de dokter. »Zijn wij 't eens of niet?«
»Hij kan niet verhard zijn in het kwade,« zei Rose, »dat is onmogelijk.«
»Des te beter,« hernam de dokter »en te meer reden om op mijn voorstel
in te gaan!«
Eindelijk werd de voorwaarde aangenomen en daarop zetten beide partijen
zich neer en wachtten met eenig ongeduld tot Oliver wakker zou worden.
Het geduld van de beide dames bleek langer op de proef gesteld te
worden, dan de dokter haar had voorgespiegeld, want het ééne uur na het
andere verliep, en nog lag Oliver in diepen slaap. Het was werkelijk al
avond, eer de goedhartige dokter haar het bericht bracht, dat de jongen
eindelijk genoegzaam tot zichzelf was gekomen om toegesproken te worden.
De jongen was heel ziek, zeide hij, en zwak door bloedverlies, maar zijn
geest scheen zoo gekweld te worden door verlangen het een of ander te
openbaren, dat het den dokter beter docht, hem de gelegenheid hiertoe te
geven dan er op aan te dringen, hem tot den volgenden morgen met rust te
laten, wat hij anders zeker gedaan zou hebben.
Het werd een langdurig onderhoud. Oliver vertelde heel zijn eenvoudige
geschiedenis en was dikwijls, door pijn en zwakte, gedwongen af te
breken. Het maakte een plechtigen indruk, in de half donkere kamer de
zwakke stem van het zieke kind een eentonig relaas te hooren doen van
ellende en jammer, door hardvochtige menschen over hem gebracht. O!
wanneer wij, als wij onze medemenschen verdrukken en vernederen, maar
een oogenblik dachten aan de donkere erkenningen van menschelijke
dwaling, die als dichte zware wolken, langzaam, doch daarom niet
minder zeker naar den hemel opstijgen om vroeg of laat vergelding over
onze hoofden te brengen; wanneer wij slechts één oogenblik in onze
verbeelding de sombere getuigenis hoorden der stemmen van gestorvenen,
die geen macht ter wereld, geen trots tot zwijgen kan brengen, waar
zouden dan de beleedigingen en het onrecht, het lijden, de ellende, de
wreedheid en het kwaad blijven, die elke dag met zich brengt!
Oliver's kussen werd dien nacht door zachte handen geschud en teederheid
en deugd waakten over hem, terwijl hij sliep. Hij voelde zich rustig en
gelukkig en zou zonder één klacht gestorven zijn.
Nauwelijks was het verhoor afgeloopen en Oliver opnieuw met rust
gelaten, toen de dokter, na zijn oogen afgeveegd en ze tegelijk om hun
zwakheid verwenscht te hebben, zich naar beneden begaf om Mr. Giles
onder handen te nemen. Toen hij niemand in de kamers vond, kwam het in
hem op, dat hij mogelijk zijn aanval met meer succes in de keuken kon
beginnen; dus ging hij naar de keuken.
In dit Lagerhuis van het bedienden-Parlement zaten Mr. Brittles, Mr.
Giles, de ketellapper (die ter wille van zijn bewezen diensten speciaal
voor den verderen dag was uitgenoodigd) en de constabel bij elkaar. Die
laatste heer had een grooten stok, een grooten hoed, een groot hoofd en
groote half hooge laarzen en hij zag er uit of hij een hoeveelheid ale
naar evenredigheid geslikt had--wat werkelijk het geval was.
De avonturen van den vorigen nacht werden nog altijd besproken en Mr.
Giles weidde juist uit over zijn tegenwoordigheid van geest, toen de
dokter binnenkwam; Mr. Brittles, die met een kruik ale in zijn hand zat,
bevestigde alles, nog eer zijn meerdere het gezegd had.
»Blijf maar zitten!« zei de dokter met zijn hand wuivend.
»Asjeblieft mijnheer,« zei Mr. Giles. »Mevrouw wou, dat ik wat ale zou
schenken, mijnheer, en ik had niets geen zin om in mijn kamertje te
zitten, mijnheer, en wou graag gezelschap hebben; daarom ben ik maar
hier met de anderen.«
Brittles liet een zacht gemompel hooren, waarmee de heeren en dames
in 't algemeen geacht werden hun voldoening uit te drukken over de
minzaamheid van Mr. Giles. Mr. Giles keek met 't air van een beschermer
om zich heen, alsof hij zeggen wilde, dat, zoo lang zij zich fatsoenlijk
gedroegen, hij niet van hen weg zou gaan.
»Hoe is 't vanavond met den patient, dokter?« vroeg Mr. Giles.
»Zoo-zoo,« antwoordde de dokter. »Ik ben bang, Mr. Giles, dat je er je
leelijk in hebt gewerkt.«
»U meent toch niet,« zei Mr. Giles bevend, »dat hij sterven zal? Als ik
dat moest denken, zou ik nooit meer gelukkig zijn. Ik zou geen jongen
dood willen maken--nee, niet eens Brittles hier--niet voor al 't
tafelzilver in 't heele land.«
»Dat is de kwestie niet,« zei de dokter op geheimzinnigen toon. »Mr.
Giles, ben je protestant?«
»Ja dokter, ik hoop 't ten minste,« stamelde Mr. Giles, die doodsbleek
was geworden.
»En wat ben _jij_, jongen?« vroeg de dokter en wendde zich plotseling
tot Brittles.
»Goeie hemel meneer!« antwoordde Brittles hevig verschrikt. »Ik....
ik ben 't zelfde als Mr. Giles, meneer.«
»Geef me dan hier eens antwoord op?« zei de dokter, »jullie
allebei--allebei! Durven jullie er een eed op doen, dat die jongen
boven dezelfde jongen is, die vannacht door het raampje binnenkwam?
Nu? Vooruit! Ik luister!«
De dokter, die algemeen beschouwd werd als één van de vriendelijkste
menschen ter wereld, deed deze vraag op zulk een verschrikkelijk
woedenden toon, dat Giles en Brittles, die ten gevolge van de ale en
de ontroeringen van den dag toch al eenigszins in de war waren, elkaar
verbluft aanstaarden.
»Neem nota van het antwoord, constabel,« zei de dokter, stak plechtig
zijn wijsvinger in de hoogte en wreef er mee over zijn neus, om den
waardigen gerechtsdienaar te beduiden, dat hij al zijn scherpzinnigheid
te baat moest nemen. »Van dat antwoord zal veel afhangen.«
De constabel zette zijn snuggerste gezicht en nam zijn stok, het teeken
zijner waardigheid, die tot nu toe werkeloos in een hoek van den
schoorsteen had gestaan, in de hand.
»U zult opmerken, dat het een eenvoudige kwestie van identiteit is,« zei
de dokter.
»Net zoo mijnheer,« antwoordde de constabel, onder een hevige hoestbui,
want hij had zijn ale haastig uitgedronken en een deel ervan was in zijn
verkeerde keelgat geschoten.
»Hier is een inbraak gepleegd,« zei de dokter, »en twee mannen zien in
één oogwenk een jongen te midden van kruitdamp en al het bedriegelijke
van schrik en duisternis. Den volgenden morgen komt een jongen aan
datzelfde huis aankloppen en omdat hij toevallig een verbonden arm
heeft, grijpen die mannen hem ruw aan--waarmee zij zijn leven in groot
gevaar brengen--en zweren, dat hij de dief is. Nu is het de vraag, of de
feiten deze mannen in 't gelijk stellen; wanneer dit niet het geval is,
in welk licht komen zij dan te staan?«
De constabel knikte diepzinnig. Hij zei, dat, als dit niet volgens de
wet was, hij wel eens wou weten wat dan wel.
»Ik vraag nog eens,« donderde de dokter, »zijn jullie in staat de
identiteit van dien jongen onder eede vast te stellen?«
Brittles keek in twijfel naar Mr. Giles; Mr. Giles keek in twijfel naar
Brittles; de constabel legde zijn hand achter zijn oor om het antwoord
op te vangen; de twee vrouwen en de ketellapper bogen zich voorover om
te luisteren; de dokter keek met scherpen blik om zich heen; toen de bel
van het hek overging en tegelijk het geluid van wielen gehoord werd.
»Daar zijn ze!« riep Brittles, blijkbaar zeer verlicht.
»Wie?« riep de dokter, op zijn beurt ontsteld.
»De politiebeambten uit Bow Street, mijnheer,« antwoordde Brittles,
terwijl hij de kaars nam, »ik en Mr. Giles hebben vanmorgen om ze
gestuurd.«
»Wat?« riep de dokter.
»Ja,« antwoordde Brittles, »ik stuurde een boodschap met den postiljon
en ik begrijp nog niet, dat ze niet al eer hier waren.«
»Heb jij.... jij dat gedaan? Dat dan de duivel je.... je luie postwagens
hale! wil ik zeggen,« zei de dokter en ging de keuken uit.