HOOFDSTUK XXIII.

Bevat den hoofdinhoud van een aangenaam gesprek tusschen Mr. Bumble en

een dame, en toont aan, dat zelfs een gemeentebode op sommige punten

gevoelig kan zijn.

Het was een bitter koude avond. De sneeuw lag op den grond, bevroren

tot een harde krakende korst, zoodat alleen de hoopen, die in hoekjes

en gaten bij elkaar gestoven lagen, door den scherpen huilenden wind

opgewaaid werden; alsof de wind met dubbele woede op deze prooi aanviel,

blies hij hier de sneeuw woest op in vlagen, en deed ze ronddwarrelen

als duizenden nevelkolken, die zich ten slotte in de lucht verspreidden.

Somber, donker en vinnig koud, was het een avond voor hen, die een

goed tehuis hadden en weldoorvoed waren, om bij het vroolijke vuur te

schikken en God te danken, dat ze binnen waren, en voor den ellendigen,

hongerigen zwerver om zich neer te leggen en te sterven. Menige paria,

door honger uitgeput, die buiten in onze straten zijn oogen sluit, kan

ze, welke misdaden hij ook gepleegd moge hebben, moeielijk in een

wreeder wereld dan de onze opendoen.

Zoo zagen de zaken er uit, toen juffrouw Corney, de Moeder van het

armhuis dat onze lezers reeds kennen als de geboorteplaats van Oliver

Twist, voor een vroolijk vuurtje in haar eigen kamertje ging zitten

en met zeer behagelijke gevoelens naar een klein rond tafeltje keek,

waarop een schotel, die niet veel kleiner was, klaar stond, voorzien

van alles wat maar noodig kon zijn voor het lekkerste maal, dat de

Moeder van een armhuis te beurt kan vallen. Juffrouw Corney was van

plan, zich met een kopje thee wat op te monteren. Terwijl zij van de

tafel naar den haard keek, waar het kleinst denkbare keteltje met fijn

stemmetje een fijn liedje zong, groeide het gevoel van behagelijkheid in

haar klaarblijkelijk nog aan--zoozeer, dat juffrouw Corney het tot een

glimlach bracht.

»Ja!« zei de Moeder, terwijl zij met haar elleboog op tafel, peinzend in

het vuur staarde, »we hebben toch allemaal heel veel om dankbaar voor te

zijn! Heel veel, als wij het maar wisten. O!«

Juffrouw Corney schudde droevig het hoofd, als beklaagde zij de armen,

die dit niet wisten, om hun geestelijke blindheid; zij stak een zilveren

lepeltje, (privaat-eigendom) in de diepste schuilhoeken van een twee-ons

theezakje en maakte aanstalten om thee te zetten. Hoe weinig is er soms

noodig om het evenwicht van onze zwakke zielen te verstoren! De zwarte

trekpot, die erg klein was en dus gauw vol, liep over, terwijl juffrouw

Corney aan het moraliseeren was en het water brandde lichtelijk juffrouw

Corney's hand.

»Die verwenschte trekpot!« zeide de waardige matrone, terwijl zij den

pot haastig op de schoorsteenplaat zette, »zoo'n akelig klein ding, waar

maar twee kopjes in gaan! Daar heeft niemand wat aan! Behalve,« zeide

juffrouw Corney en wachtte even--»behalve zoo'n arm verlaten schepsel

als ik ben. Och hemel!«

Met deze woorden liet de Moeder zich in haar stoel vallen en opnieuw met

haar elleboog op tafel geleund, dacht zij na over haar eenzaam lot. De

kleine trekpot en het ééne kopje hadden treurige herinneringen in haar

gewekt aan mijnheer Corney (die nog maar vijf en twintig jaar dood was),

en ze smolt weg in ontroering.

»Nooit krijg ik er meer één!« zei juffrouw Corney neerslachtig. »Nooit

krijg ik er meer één zooals hij.«

Of dit gezegde op haar man sloeg of op den trekpot, is twijfelachtig.

Waarschijnlijk op de laatste, want juffrouw Corney keek er naar, terwijl

zij sprak en nam hem daarna in haar hand. Ze had juist een slokje uit

haar eerste kopje genomen, toen zij opgeschrikt werd door een zacht

tikje aan haar kamerdeur.

»O, kom maar binnen!« zei juffrouw Corney op scherpen toon. »Er ligt

zeker weer een oudje op sterven, hè? Ze gaan altijd dood, als ik aan 't

eten ben. Blijf daar niet staan; toe--der komt zooveel kou binnen. Wat

is er te doen, nou?«

»Niets juffrouw, niets,« antwoordde een mannestem.

»Hemel!« riep de Moeder op veel zachter toon, »is meneer Bumble daar?«

»Tot uw dienst, juffrouw,« zei Mr. Bumble, die buiten de deur was

blijven staan om zijn voeten te vegen en de sneeuw van zijn jas te

slaan. Hij maakte zijn opwachting met zijn steek in de ééne hand en een

pakje in de andere. »Zal ik de deur dichtdoen, juffrouw?«

De dame draalde zedig met haar antwoord, omdat het misschien niet

betamelijk was, met gesloten deur een gesprek te voeren met Mr. Bumble.

Deze deed zijn voordeel met de aarzeling; daar hij 't zelf erg koud

vond, deed hij zonder toestemming de deur dicht.

»Naar weer, meneer Bumble,« zei de Moeder.

»Dat zegt u wel, juffrouw,« antwoordde de bode. »Nadeelig voor de

Gemeente, zulk weer, juffrouw. We hebben vanmiddag eventjes, we hebben

eventjes de kleinigheid van twintig broodjes en anderhalve kaas

uitgedeeld en nog zijn de armen niet tevreden.«

»Natuurlijk niet. Wanneer zijn die tevreden, meneer Bumble?« zei de

Moeder, haar thee slurpend.

»Zeg u dat wel, juffrouw!« stemde Mr. Bumble in. »Als ik u zeg, dat

er een man hier is, die, ter wille van zijn vrouw en groot gezin een

kwart-ponds-broodje en een heel pond kaas krijgt. Is hij dankbaar,

juffrouw? Is hij dankbaar? Voor geen cent! Hij durft om een beetje

steenkolen te vragen, al is 't maar zooveel als je in je zakdoek kan

knoopen, zegt hij. Steenkolen! Wat zou hij met steenkolen uitvoeren? Z'n

kaas er op roosteren en dan om meer komen vragen. Zoo doen die menschen,

juffrouw; geef ze vandaag een schortvol steenkolen en overmorgen komen

ze er nog een vragen; ze zijn zoo hard als staal en albast!«

De Moeder betuigde haar volkomen instemming met deze goedgekozen

vergelijking en de bode ging voort.

»Ik heb nog nooit,« zei Mr. Bumble, »zoo iets gezien als waartoe de

onbeschaamdheid van de armen nu gekomen is. Eergisteren komt een

man--u bent getrouwd geweest juffrouw, dus ik kan er met u wel over

spreken--een man met een half blooten rug (hier keek juffrouw Corney

naar den grond) aan de deur van onzen opzichter, die juist gasten te

eten had en zegt, dat hij ondersteuning noodig heeft. Omdat hij niet

weg wou gaan en zijn blijven het gezelschap erg hinderde, liet onze

opzichter hem een pond aardappelen en een halve kop havermeel geven.

»Och God!« zegt die ondankbare schurk, »wat heb _ik_ daaraan? U ken me

net zoo goed een ijzeren kogel geven.« »Heel goed,« zegt onze opzichter

en neemt 't eten weer terug, »je krijgt hier niets anders.«--»Dan sterf

ik op straat,« zegt de vagebond.--»Dat zal je wel laten,« zegt onze

opzichter.«

»Ha! Ha! die was goed! Echt iets voor mijnheer Grannet!« viel de Moeder

in. »En toen, meneer Bumble?«

»Wel juffrouw,« antwoordde de bode, »hij ging weg en hij stierf

werkelijk op straat. Zoo'n koppige schooier!«

»Dat is het ongelooflijkste, wat ik ooit gehoord heb,« merkte de Moeder

met nadruk op. »Maar vindt u niet, dat onderstand aan menschen buiten

het Huis een heel verkeerd ding is, meneer Bumble? U bent een man van

ondervinding en weet er dus alles van. Nou?«

»Juffrouw Corney,« zei de bode, glimlachend als een man, die weet,

dat hij een zaak beter inziet, »onderstand buiten het Huis, goed

aangewend--goed aangewend, zeg ik, juffrouw--is het doelmatigste wat de

Gemeente doen kan. Het hoofdbeginsel van zulken onderstand is, de armen

precies te geven wat zij niet noodig hebben, dan verveelt het hun te

komen vragen.«

»Nee maar!« riep juffrouw Corney uit. »Nee maar, die is ook goed!«

»Ja. Onder ons gezegd, juffrouw,« hernam Mr. Bumble, »dit is het groote

beginsel en dat is de reden waarom, als u op enkele gevallen let,

waarvan die schandelijke couranten bericht geven, u altijd zien zult,

hoe een doodziek gezin bedeeld is met sneedjes kaas. Dat is nu regel,

juffrouw Corney, door het heele land. Maar,« zei de bode, zijn verhaal

afbrekend om zijn pakje uit te gaan pakken, »dit zijn ambtsgeheimen

juffrouw, waar niet over gesproken mag worden, behalve, mag ik wel

zeggen, onder beambten van de Gemeente, zooals u en ik. Hier is de

portwijn juffrouw, die de Regenten voor de ziekenzaal hebben bestemd;

echte, versche, onvervalschte portwijn; vanmorgen pas afgetapt, helder

als kristal, zonder bezinksel!«

Mr. Bumble hield één van de flesschen tegen het licht, schudde ze om te

laten zien hoe helder de wijn bleef, en zette toen beide flesschen op

het kabinet, vouwde den zakdoek, waarin ze geweest waren op, stak hem

zorgvuldig in zijn zak en nam zijn steek op als om heen te gaan.

»U hebt nog een koude wandeling, meneer Bumble,« zei de Moeder.

»De wind is zoo scherp, juffrouw,« antwoordde Mr. Bumble en zette den

kraag van zijn jas op, »dat je ooren bijna afgesneden worden.«

De Moeder keek van het keteltje naar den bode, die naar de deur

toestapte en toen de bode kuchte, als voorteeken dat hij haar

goedenavond ging wenschen, vroeg zij schuchter, of hij niet--of hij niet

»een kopje thee wilde drinken?«

Mr. Bumble sloeg dadelijk zijn jaskraag weer naar beneden; legde steek

en stok op een stoel, en trok een anderen stoel bij de tafel. Terwijl

hij zich langzaam op den stoel neerliet, keek hij naar de dame. Zij

hield haar oogen op den trekpot gericht. Mr. Bumble kuchte opnieuw en

glimlachte even.

Juffrouw Corney stond op om nog een kopje en schoteltje uit de kast te

halen. Terwijl zij ging zitten, ontmoetten haar oogen opnieuw die van

den galanten bode; zij bloosde en wijdde zich aan de taak, zijn thee in

te schenken. Weer kuchte Mr. Bumble--ditmaal luider dan hij nog gekucht

had.

»Houdt u van zoet, Meneer Bumble?« vroeg de Moeder, met het suikerpotje

in de hand.

»Ik houd bijzonder van zoet, juffrouw,« antwoordde Mr. Bumble. Terwijl

hij dit zeide, richtte hij zijn oogen op juffrouw Corney en als ooit een

gemeentebode innig kon kijken, dan was Mr. Bumble op dit oogenblik die

man.

De thee was gereed en werd in stilte toegereikt. Mr. Bumble spreidde

eerst een zakdoek uit over zijn knieën, om te zorgen, dat geen

kruimeltje de reinheid van zijn broek zou bevlekken; toen begon hij te

eten en te drinken en wisselde deze genoegens af door nu en dan een

diepen zucht te slaken; deze zuchten echter hadden geen schadelijken

invloed op zijn eetlust, doch schenen integendeel zijn werkzaamheden ten

opzichte van de thee en het geroosterde brood te vergemakkelijken.

»U hebt een kat, zie ik, juffrouw,« zei Mr. Bumble, terwijl hij naar

het dier keek, dat zich met haar kleintjes vóór het vuur lag te

koesteren, »en kleine katjes ook!«

»Ik houd zooveel van die beestjes, Mr. Bumble, dat weet u niet,«

antwoordde de Moeder. »Ze zijn zoo gelukkig, zoo koddig en zoo vroolijk,

dat 't mij een heele gezelligheid geeft.«

»Aardige diertjes, juffrouw,« prees Mr. Bumble, »en zoo huiselijk.«

»O ja!« stemde de Moeder enthousiast bij, »ze zijn zoo dol op hun thuis,

dat 't een mensch goed doet, dat verzeker ik u.«

»Juffrouw Corney, juffrouw....« zei Mr. Bumble langzaam, terwijl hij met

zijn theelepeltje de maat sloeg, »ik wou zeggen, juffrouw, dat een kat

of een katje, dat bij u woont en _niet_ dol is op zijn thuis, wel een

ezel moet zijn, juffrouw.«

»O, Meneer Bumble!« weerde juffrouw Corney af.

»'t Dient nergens toe, de waarheid te verzwijgen, juffrouw,« zei Mr.

Bumble, terwijl hij het theelepeltje langzaam streelde met een soort

verliefde waardigheid, die hem dubbel indrukwekkend maakte, »zoo'n beest

zou ik zelf met pleizer verdrinken kunnen.«

»Dan bent u een wreede man,« viel de Moeder levendig in, terwijl zij

haar hand naar het kopje van den bode uitstak, »en een harde man erbij!«

»Hard juffrouw?« zei Mr. Bumble. »Hard?«

Hij reikte haar het kopje, zonder een woord meer te zeggen en drukte

even haar pink, terwijl zij het aannam; met de open hand klopte hij

tweemaal op zijn geborduurde vest, loosde een diepen zucht en schoof

zijn stoel een heel klein eindje verder van het vuur af.

Het was een ronde tafel en daar Mr. Bumble en juffrouw Corney bij het

vuur tegenover elkaar hadden gezeten, op kleinen afstand van elkaar, is

het duidelijk, dat Mr. Bumble, door van het vuur weg te schuiven en bij

de tafel te blijven, den afstand tusschen zichzelf en juffrouw Corney

vergrootte, welke daad enkele voorzichtige lezers ongetwijfeld geneigd

zijn te bewonderen van Mr. Bumble's zijde en als een heldhaftige daad

te beschouwen; op een of andere wijze toch brachten tijd, plaats en

gelegenheid hem in verzoeking, uiting te geven aan enkele teedere,

nietszeggende woorden, die, hoe goed zij mogen klinken van de lippen der

lichtzinnigen en leeghoofden, onmetelijk ver beneden de waardigheid

schijnen van rechters, leden van het parlement, ministers van staat,

burgemeesters en andere grootwaardigheidsbekleeders, maar vooral beneden

den ernst en de waardigheid van een gemeentebode, die (als algemeen

bekend is) de strengste en onbuigzaamste van allen behoort te zijn.

Wat echter Mr. Bumble's bedoelingen ook mochten zijn, (en zij waren

ongetwijfeld van de beste soort), geviel het ongelukkig zoo, zooals

reeds tweemaal werd opgemerkt, dat de tafel rond was; dientengevolge

begon Mr. Bumble, zijn stoel bij kleine beetjes opschuivend, den afstand

tusschen hem en de Moeder te verminderen en bracht, al voortreizend

langs den omtrek van den cirkel, na verloop van eenigen tijd zijn stoel

dicht naast die, waarin de Moeder zat. De twee stoelen raakten elkaar

aan en toen 't zoover was, verschoof Mr. Bumble zijn stoel niet meer.

Als de Moeder haar stoel naar rechts had geschoven, zou zij gevaar

hebben geloopen, door het vuur geschroeid te worden en naar links zou

zij in de armen van Mr. Bumble zijn gevallen; dus (zij was zeer zedig en

voorzag ongetwijfeld terstond deze gevolgen) bleef zij waar zij was en

reikte Mr. Bumble een tweede kop thee.

»Hard, juffrouw Corney,« zei Mr. Bumble, terwijl hij zijn thee omroerde

en de Moeder in 't gezicht zag, »bent _u_ hard, juffrouw Corney?«

»Goeie hemel!« riep de Moeder, »wat een gekke vraag van een man, die

niet getrouwd is. Waarom wil u dat weten, Mr. Bumble?«

De bode dronk zijn thee tot den laatsten druppel uit, at een stukje

geroosterd brood, sloeg de kruimels van zijn knieën, veegde zijn lippen

af en gaf de Moeder doodbedaard een kus.

»Meneer Bumble!« riep de zedige dame fluisterend, want zij was zóó

ontsteld, dat ze haar stem er door verloren had, »Meneer Bumble, ik ga

schreeuwen!«

Mr. Bumble gaf geen antwoord, maar legde langzaam en waardig zijn arm

om de taille van juffrouw Corney. Als de dame haar voornemen om te

schreeuwen gestand had willen doen, zou zij natuurlijk bij deze nieuwe

brutaliteit geschreeuwd hebben, doch de uitvoering werd onnoodig gemaakt

door een haastigen klop op de deur; nauwelijks werd dit kloppen gehoord

of Mr. Bumble sprong met groote vlugheid naar de wijnflesschen en begon

ze met woedenden ijver af te stoffen, terwijl de Moeder op scherpen

toon vroeg, wie er was. Het is de moeite waard, op te merken, als een

merkwaardig voorbeeld, hoe de werking van een plotselinge verrassing

de werking van hevige vrees op kan heffen, dat haar stem den gewonen

scherpen klank terug had gekregen.

»Och juffrouw,« zei een uitgemergeld, afschuwelijk leelijk oud vrouwtje,

terwijl zij haar hoofd door de deur stak, »ouwe Sally leit op het

uiterste.«

»Nou, wat raakt mij dat?« vroeg de Moeder boos. »Ik kan haar niet in 't

leven houden, zou 'k denken.«

»Nee, nee juffrouw,« hernam het vrouwtje, »dat kan niemand, voor haar

is der geen hulp meer. Ik heb al veel menschen zien sterven, kleine

kindertjes en groote sterke mannen, en ik weet best, wanneer de dood

komt. Maar ze heeft iets op haar hart en als ze geen pijnen lijdt en dat

gebeurt niet dikwijls, want ze heeft een harden doodsstrijd--dan zegt

ze, dat ze iets te vertellen heeft dat u hooren moet. Ze kan niet rustig

sterven, eer u bij haar bent geweest, juffrouw.«

Bij deze mededeeling mompelde de waardige juffrouw Corney een keur van

scheldwoorden aan het adres van oude vrouwen, die zelfs niet konden

sterven zonder hun meerderen last te veroorzaken; ze greep haastig een

dikken shawl, wikkelde zich daarin en vroeg Mr. Bumble, te blijven tot

zij terugkwam, tenzij er iets bijzonders mocht gebeuren; daarna beval

zij de boodschapster, vlug te loopen, anders kon zij er wel den heelen

nacht over doen om boven te komen en volgde haar hevig ontstemd de kamer

uit, den heelen weg over mopperend.

De handelwijze van Mr. Bumble, toen hij alleen achterbleef, was

eenigszins zonderling. Hij deed de kast open, telde de theelepeltjes,

woog de suikertang op zijn hand, onderzocht nauwkeurig een zilveren

melkkan om zich ervan te overtuigen, dat deze echt was en toen hij zijn

nieuwsgierigheid op deze punten bevredigd had, zette hij zijn steek

schuin op zijn hoofd en danste met veel waardigheid vier maal om de

tafel heen. Nadat deze buitengewone vertooning was afgeloopen, zette hij

zijn steek weer af, ging wijdbeens voor het vuur staan, met zijn rug er

naar toe en scheen zich er ernstig in te verdiepen, een nauwkeurige

inventaris van het ameublement op te maken.

De avonturen van Oliver Twist · 第 83 / 118 题