HOOFDSTUK XXIV.

Handelt over een heel arm schepsel--maar het is kort en kan van belang

zijn in dit verhaal.

Het was een echte boodschapster van den dood, die de rust in de kamer

der armmoeder was komen verstoren. Haar lichaam was gebogen door

ouderdom, haar ledematen beefden tengevolge van een beroerte, haar

gezicht, tot een grijns verwrongen, scheen eer de groteske schepping van

een onbeheerscht schilderspenseel, dan het werk van de hand der Natuur.

Helaas! Hoeveel gezichten, door de Natuur gevormd, blijven onberoerd om

ons met hun schoonheid gelukkig te maken? De zorgen, smarten en nooden

der wereld veranderen de gezichten, zooals zij de harten veranderen;

het is alleen wanneer deze hartstochten slapen en voor altijd hun macht

verloren hebben, dat de donkere wolken wegtrekken en de heldere Hemel te

zien komt. Het gebeurt niet zelden, dat het gelaat van een doode, zelfs

in dien verstijfden toestand, de lang vergeten trekken weer aanneemt van

een slapend kind en er weer uitziet als in het vroegere leven; zoo kalm,

zoo vredig wordt het weer, dat zij, die den gestorvene gekend hebben in

zijn gelukkige kindsheid, in eerbied nederknielen bij de baar, als zagen

zij den engel reeds op aarde.

Het oude bestje strompelde de gangen door en de trappen op, onder het

mompelen van eenige onhoorbare antwoorden op het gescheld van haar

metgezel; toen zij eindelijk genoodzaakt was stil te staan om adem te

scheppen, gaf zij juffrouw Corney de kaars in de hand en volgde zoo goed

en kwaad als het ging op een afstand, terwijl de Moeder, die beter ter

been was, naar de kamer ging waar de zieke vrouw lag.

Het was een kale zolderkamer; in den versten hoek brandde een flauw

lichtje. Bij het bed zat nog een oud vrouwtje, de apothekersleerling

van de Gemeente stond bij het vuur een tandenstoker te snijden uit een

veerenschacht.

»'t Is koud vanavond, juffrouw Corney,« zeide dit jongemensch, toen de

Moeder binnenkwam.

»Ja mijnheer, heel koud,« antwoordde de juffrouw, op haar

vriendelijksten toon en met een buiging.

»U mocht wel betere steenkolen van uw leveranciers hebben«, zei de

apothekers-gezant, terwijl hij een stuk steenkool boven op het vuur met

de roestige pook door midden sloeg, »dit zijn geen kolen voor een kouden

avond.«

»De Regenten hebben ze zoo besteld, mijnheer,« wierp de moeder tegen.

»Het minste wat zij doen konden, is toch wel het ons behoorlijk warm te

geven; onze betrekking is al moeielijk genoeg.«

Hier werd het gesprek afgebroken door een kreunen van de zieke vrouw.

»O!« zei de jonge man, terwijl hij zijn gezicht naar het bed wendde,

alsof hij te voren de patiente geheel had vergeten, »'t is hier u.i.t.

juffrouw Corney.«

»Zou u denken?« vroeg de Moeder.

»Als 't nog twee uur duurt, zal 't mij verwonderen,« zei de

apothekersleerling, heel zijn aandacht bij zijn tandenstoker. »Alles

geeft 't op. Slaapt ze, oudje?«

De waakster boog zich over het bed en knikte bevestigend.

»Dan gaat ze misschien zóó heen, als je geen leven maakt,« zei de jonge

man. »Zet het licht op den grond. Dan ziet ze het niet.«

De waakster deed wat haar gezegd werd, terwijl zij haar hoofd schudde om

aan te duiden, dat de vrouw zoo gemakkelijk niet sterven zou; daarna nam

zij haar plaats weer in naast de oude verpleegster, die nu ook binnen

was gekomen. De Moeder wikkelde zich met een ongeduldig gebaar in haar

shawl en ging aan het voeteneinde van het bed zitten.

De apothekers-leerling, gereed met zijn tandenstoker, plantte zich voor

het vuur en genoot er een minuut of tien van; toen verveelde het hem

blijkbaar, hij wenschte juffrouw Corney veel plezier met haar baantje en

ging op de teenen weg.

Nadat de twee oude vrouwtjes een poos stil bij het bed hadden gezeten,

stonden zij op, slopen naar het vuur en staken hun uitgemergelde handen

uit om de warmte op te vangen. De vlammen wierpen een spookachtig

schijnsel op hun rimpelige gezichten en in dien schijn werd haar

leelijkheid angstwekkend, toen zij in dezelfde houding met zachte stem

begonnen te praten.

»Zei ze nog iets, Anny, terwijl ik weg was?« vroeg de boodschapster.

»Geen woord,« antwoordde de ander. »Ze trok en plukte een poosje aan

haar armen, maar ik hield haar handen vast en toen zakte ze gauw weg. Ze

heeft niet veel kracht meer over, dus ik kon haar makkelijk stil houden.

Ik ben nog niet zoo erg zwak voor een oude vrouw, al word ik door de

Gemeente onderhouden, nee, nee!«

»Heeft ze den warmen wijn opgedronken, die de dokter zei dat ze hebben

moest?« vroeg de eerste.

»Ik probeerde 't er in te krijgen,« antwoordde de ander. »Maar ze hield

haar tanden stijf op elkaar en klemde de kroes zoo vast, dat ik hem

haast niet los kon krijgen. Toen heb _ik_ de wijn opgedronken en 't

heeft me goed gedaan.«

Voorzichtig rondspiedend om zeker te zijn niet verstaan te worden,

hurkten de twee oude wijfjes dichter bij het vuur en gichelden vroolijk.

»Ik denk aan den tijd,« zei de eerste spreekster, »toen zij hetzelfde

zou gedaan hebben en er later heel wat grappen over zou hebben gemaakt.«

»Of ze,« viel de ander bij, »ze was een vroolijke ziel. Ze heeft heel

wat mooie lijken afgelegd, zoo netjes en precies alsof 't wassen poppen

waren. Mijn oude oogen hebben ze gezien--en deze oude handen hebben ze

aangeraakt ook, want ik heb haar wel honderdmaal geholpen.«

Het oude menschje stak onder het spreken haar bevende vingers uit en

schudde ze met vroolijk gebaar vóór haar gezicht; toen grabbelde ze

in haar zak en haalde een oude doffe tinnen snuifdoos te voorschijn,

waaruit zij eerst enkele korrels in de uitgestoken hand van haar

gezellin schudde en toen in de hare. Terwijl zij daarmee bezig waren

kwam de Moeder, die ongeduldig had zitten wachten of de stervende vrouw

uit haar verdooving zou ontwaken, bij haar vóór 't vuur en vroeg op

scherpen toon, hoe lang zij nog moest wachten.

»Niet lang, juffrouw,« antwoordde het tweede vrouwtje, terwijl zij naar

haar opkeek. »Wij hoeven geen van allen lang op den Dood te wachten.

Geduld, geduld! Hij zal gauw genoeg hier zijn voor ons allemaal.«

»Houd je mond, suffe idioot!« zei de Moeder bits. »Martha, zeg eens, is

ze al meer zoo geweest?«

»Dikwijls!« antwoordde de eerste vrouw.

»Maar ze zal nooit meer zoo zijn,« voegde de tweede er bij, »dat is te

zeggen, ze zal nog maar één keer bijkomen--en, let op wat ik zeg,

juffrouw, dat zal dan niet lang duren!«

»Lang of kort,« zei de Moeder driftig, »ze zal me hier niet vinden als

ze wakker wordt; pas op, als jullie me weer voor niets lastig valt. Het

hoort niet tot mijn werk, er bij te zijn als de oude vrouwen uit het

Huis sterven, en wat meer zegt, ik heb er geen zin in. Denk daar om,

brutale ouwe sloeries! Als je mij nog eens voor den gek houdt, zal ik 't

je wel afleeren, dat verzeker ik je!«

Ze liep met een vaart weg, toen een schreeuw van de twee vrouwen die

weer naar het bed waren gegaan, haar deed omkijken. De zieke was rechtop

gaan zitten en stak haar armen naar hen uit.

»Wie is dat?« vroeg zij met holle stem.

»St!« zei één van de vrouwen, en boog zich over haar heen. »Ga liggen,

ga liggen!«

»Ik ga niet meer liggen, zoolang ik nog leef!« zei de zieke,

tegenstribbelend. »Ik _moet_ 't haar zeggen! Kom hier! Dichterbij! Laat

mij 't in je oor fluisteren.«

Zij greep de Moeder bij haar arm, trok haar neer op een stoel naast het

bed en stond op het punt te spreken, toen zij, al rondkijkend, de twee

oude vrouwtjes in het oog kreeg, die, voorovergebogen, gretig stonden te

luisteren.

»Stuur die weg,« zei de stervende, mat, »gauw! gauw!«

Als uit één mond begonnen de twee bestjes in allerlei droeve klaagtonen

te betuigen, dat 't arme, goede menschje te ver heen was om zelfs haar

beste vriendinnen te kennen; zij stribbelden tegen en beweerden, dat

ze haar nooit verlaten zouden, maar de Moeder duwde haar de kamer uit,

sloot de deur en keerde naar het bed terug. Nu zij buitengesloten

waren, sloegen de oude dames een anderen toon aan en riepen door

het sleutelgat, dat oude Sally dronken was; wat werkelijk niet

onwaarschijnlijk was, want behalve dat zij, op voorschrift van den

apotheker, een behoorlijke dosis opium had gebruikt, leed zij onder

de werking van een laatste slokje jenever met water, dat de waardige

vriendinnen zelf, in de gulheid van haar hart, heimelijk voor haar

hadden weten te krijgen.

»Luister,« zei de stervende vrouw hardop, als deed zij een geweldige

poging om de laatste levenskracht, die in haar sluimerde, op te wekken.

»In deze zelfde kamer--in ditzelfde bed--heb ik eens een mooi jong

schepseltje opgepast; ze werd in het huis gebracht met doorgeloopen,

gezwollen voeten en vol slijk en bloed. Zij bracht een jongen ter wereld

en stierf. Laat me eens nagaan--in welk jaar was het ook weer?«

»Dat doet er niet toe,« zei de ongeduldige toehoorster, »wat was er met

haar?«

»Ja,« mompelde de zieke, terugvallend in haar toestand van versuffing,

»wat was er met haar?--wat--ik weet 't!« riep zij en sprong met een

woeste beweging overeind, haar gezicht gloeide en haar oogen sperden

open--»ik heb haar bestolen, ik! Ze was nog niet koud, nog niet koud,

zeg ik, toen ik 't heb gestolen!«

»Wat gestolen, om Gods wil?« riep de Moeder met een gebaar, alsof zij

hulp wilde halen.

»Dàt!« antwoordde de vrouw en legde haar hand op den mond van de Moeder.

»Het eenige wat zij had. Ze had geen kleeren om zich te warmen en geen

eten, maar zij had het veilig bewaard, op haar borst. Het was goud, zeg

ik je! Echt goud, dat haar leven had kunnen redden!«

»Goud!« herhaalde de Moeder en boog zich ijverig over de vrouw heen,

toen deze terugviel. »Vertel verder--verder--ja--toe--wat....? Wie was

die moeder? Wanneer was 't?«

»Zij vroeg me, het te bewaren,« hernam de vrouw kreunend, »en vertrouwde

't mij toe, omdat ik de eenige vrouw om haar heen was. In mijn hart stal

ik het al, toen zij 't mij voor 't eerst liet zien, zooals het om haar

hals hing en misschien is de dood van het kind ook wel mijn schuld! Ze

zouden hem beter behandeld hebben, als ze alles hadden geweten!«

»Wat geweten?« vroeg de ander. »Spreek!«

»De jongen ging zoo op zijn moeder lijken,« zei de vrouw afgetrokken en

zonder op de vraag te letten, »dat ik er altijd aan moest denken, als ik

zijn gezicht zag. Arm meisje! Arm meisje! Ze was nog zoo jong! En zoo'n

zacht lammetje! Wacht, er is nog meer te vertellen. Ik heb u nog niet

alles verteld, is 't wel?«

»Nee, nee,« antwoordde de Moeder, haar hoofd voorover buigend om de

woorden op te vangen, die door de stervende àl zwakker werden

uitgebracht. »Gauw, of 't is te laat!«

»Toen,« zei de vrouw met een nog heftiger poging dan te voren--»toen

haar doodsstrijd begon, fluisterde de moeder mij in 't oor, dat als haar

kindje levend geboren werd en opgroeide, dat er dan een dag zou komen,

waarop het zich niet zou behoeven te schamen als zijn moeders naam

genoemd werd.--En o, barmhartige Hemel!--zei ze, haar magere handen

vouwend,--of het een meisje of een jongen is, geef 't kind een paar

vrienden in deze droeve wereld, en heb medelijden met een arm, verlaten

kind, overgelaten aan de barmhartigheid van die wereld!«

»Hoe heet de jongen?« vroeg de moeder.

»Ze _noemden_ hem Oliver,« antwoordde de vrouw zwak. »Het goud, dat ik

gestolen heb, was....«

»Ja, ja.... wat?« riep de ander.

Ze boog zich haastig over de vrouw, om het antwoord te hooren, maar week

instinctmatig terug, toen de stervende nog eens langzaam en stijf

oprees, met beide handen de deken vastgreep, eenige onverstaanbare

klanken murmelde die in haar keel bleven steken en levenloos terug viel

op het kussen.

* * * * *

»Morsdood!« zei één van de oude vrouwtjes, haastig binnenkomend, zoodra

de deur open ging.

»En niets te zeggen, per slot van rekening,« voegde de Moeder er bij,

terwijl ze onverschillig heenging.

De twee bestjes, klaarblijkelijk te zeer ingenomen door de

toebereidselen voor hun vreeselijk werk om eenig antwoord te geven,

bleven alleen achter, en bogen zich over het lijk.

De avonturen van Oliver Twist · 第 84 / 118 题