Handelt over een heel arm schepsel--maar het is kort en kan van belang
zijn in dit verhaal.
Het was een echte boodschapster van den dood, die de rust in de kamer
der armmoeder was komen verstoren. Haar lichaam was gebogen door
ouderdom, haar ledematen beefden tengevolge van een beroerte, haar
gezicht, tot een grijns verwrongen, scheen eer de groteske schepping van
een onbeheerscht schilderspenseel, dan het werk van de hand der Natuur.
Helaas! Hoeveel gezichten, door de Natuur gevormd, blijven onberoerd om
ons met hun schoonheid gelukkig te maken? De zorgen, smarten en nooden
der wereld veranderen de gezichten, zooals zij de harten veranderen;
het is alleen wanneer deze hartstochten slapen en voor altijd hun macht
verloren hebben, dat de donkere wolken wegtrekken en de heldere Hemel te
zien komt. Het gebeurt niet zelden, dat het gelaat van een doode, zelfs
in dien verstijfden toestand, de lang vergeten trekken weer aanneemt van
een slapend kind en er weer uitziet als in het vroegere leven; zoo kalm,
zoo vredig wordt het weer, dat zij, die den gestorvene gekend hebben in
zijn gelukkige kindsheid, in eerbied nederknielen bij de baar, als zagen
zij den engel reeds op aarde.
Het oude bestje strompelde de gangen door en de trappen op, onder het
mompelen van eenige onhoorbare antwoorden op het gescheld van haar
metgezel; toen zij eindelijk genoodzaakt was stil te staan om adem te
scheppen, gaf zij juffrouw Corney de kaars in de hand en volgde zoo goed
en kwaad als het ging op een afstand, terwijl de Moeder, die beter ter
been was, naar de kamer ging waar de zieke vrouw lag.
Het was een kale zolderkamer; in den versten hoek brandde een flauw
lichtje. Bij het bed zat nog een oud vrouwtje, de apothekersleerling
van de Gemeente stond bij het vuur een tandenstoker te snijden uit een
veerenschacht.
»'t Is koud vanavond, juffrouw Corney,« zeide dit jongemensch, toen de
Moeder binnenkwam.
»Ja mijnheer, heel koud,« antwoordde de juffrouw, op haar
vriendelijksten toon en met een buiging.
»U mocht wel betere steenkolen van uw leveranciers hebben«, zei de
apothekers-gezant, terwijl hij een stuk steenkool boven op het vuur met
de roestige pook door midden sloeg, »dit zijn geen kolen voor een kouden
avond.«
»De Regenten hebben ze zoo besteld, mijnheer,« wierp de moeder tegen.
»Het minste wat zij doen konden, is toch wel het ons behoorlijk warm te
geven; onze betrekking is al moeielijk genoeg.«
Hier werd het gesprek afgebroken door een kreunen van de zieke vrouw.
»O!« zei de jonge man, terwijl hij zijn gezicht naar het bed wendde,
alsof hij te voren de patiente geheel had vergeten, »'t is hier u.i.t.
juffrouw Corney.«
»Zou u denken?« vroeg de Moeder.
»Als 't nog twee uur duurt, zal 't mij verwonderen,« zei de
apothekersleerling, heel zijn aandacht bij zijn tandenstoker. »Alles
geeft 't op. Slaapt ze, oudje?«
De waakster boog zich over het bed en knikte bevestigend.
»Dan gaat ze misschien zóó heen, als je geen leven maakt,« zei de jonge
man. »Zet het licht op den grond. Dan ziet ze het niet.«
De waakster deed wat haar gezegd werd, terwijl zij haar hoofd schudde om
aan te duiden, dat de vrouw zoo gemakkelijk niet sterven zou; daarna nam
zij haar plaats weer in naast de oude verpleegster, die nu ook binnen
was gekomen. De Moeder wikkelde zich met een ongeduldig gebaar in haar
shawl en ging aan het voeteneinde van het bed zitten.
De apothekers-leerling, gereed met zijn tandenstoker, plantte zich voor
het vuur en genoot er een minuut of tien van; toen verveelde het hem
blijkbaar, hij wenschte juffrouw Corney veel plezier met haar baantje en
ging op de teenen weg.
Nadat de twee oude vrouwtjes een poos stil bij het bed hadden gezeten,
stonden zij op, slopen naar het vuur en staken hun uitgemergelde handen
uit om de warmte op te vangen. De vlammen wierpen een spookachtig
schijnsel op hun rimpelige gezichten en in dien schijn werd haar
leelijkheid angstwekkend, toen zij in dezelfde houding met zachte stem
begonnen te praten.
»Zei ze nog iets, Anny, terwijl ik weg was?« vroeg de boodschapster.
»Geen woord,« antwoordde de ander. »Ze trok en plukte een poosje aan
haar armen, maar ik hield haar handen vast en toen zakte ze gauw weg. Ze
heeft niet veel kracht meer over, dus ik kon haar makkelijk stil houden.
Ik ben nog niet zoo erg zwak voor een oude vrouw, al word ik door de
Gemeente onderhouden, nee, nee!«
»Heeft ze den warmen wijn opgedronken, die de dokter zei dat ze hebben
moest?« vroeg de eerste.
»Ik probeerde 't er in te krijgen,« antwoordde de ander. »Maar ze hield
haar tanden stijf op elkaar en klemde de kroes zoo vast, dat ik hem
haast niet los kon krijgen. Toen heb _ik_ de wijn opgedronken en 't
heeft me goed gedaan.«
Voorzichtig rondspiedend om zeker te zijn niet verstaan te worden,
hurkten de twee oude wijfjes dichter bij het vuur en gichelden vroolijk.
»Ik denk aan den tijd,« zei de eerste spreekster, »toen zij hetzelfde
zou gedaan hebben en er later heel wat grappen over zou hebben gemaakt.«
»Of ze,« viel de ander bij, »ze was een vroolijke ziel. Ze heeft heel
wat mooie lijken afgelegd, zoo netjes en precies alsof 't wassen poppen
waren. Mijn oude oogen hebben ze gezien--en deze oude handen hebben ze
aangeraakt ook, want ik heb haar wel honderdmaal geholpen.«
Het oude menschje stak onder het spreken haar bevende vingers uit en
schudde ze met vroolijk gebaar vóór haar gezicht; toen grabbelde ze
in haar zak en haalde een oude doffe tinnen snuifdoos te voorschijn,
waaruit zij eerst enkele korrels in de uitgestoken hand van haar
gezellin schudde en toen in de hare. Terwijl zij daarmee bezig waren
kwam de Moeder, die ongeduldig had zitten wachten of de stervende vrouw
uit haar verdooving zou ontwaken, bij haar vóór 't vuur en vroeg op
scherpen toon, hoe lang zij nog moest wachten.
»Niet lang, juffrouw,« antwoordde het tweede vrouwtje, terwijl zij naar
haar opkeek. »Wij hoeven geen van allen lang op den Dood te wachten.
Geduld, geduld! Hij zal gauw genoeg hier zijn voor ons allemaal.«
»Houd je mond, suffe idioot!« zei de Moeder bits. »Martha, zeg eens, is
ze al meer zoo geweest?«
»Dikwijls!« antwoordde de eerste vrouw.
»Maar ze zal nooit meer zoo zijn,« voegde de tweede er bij, »dat is te
zeggen, ze zal nog maar één keer bijkomen--en, let op wat ik zeg,
juffrouw, dat zal dan niet lang duren!«
»Lang of kort,« zei de Moeder driftig, »ze zal me hier niet vinden als
ze wakker wordt; pas op, als jullie me weer voor niets lastig valt. Het
hoort niet tot mijn werk, er bij te zijn als de oude vrouwen uit het
Huis sterven, en wat meer zegt, ik heb er geen zin in. Denk daar om,
brutale ouwe sloeries! Als je mij nog eens voor den gek houdt, zal ik 't
je wel afleeren, dat verzeker ik je!«
Ze liep met een vaart weg, toen een schreeuw van de twee vrouwen die
weer naar het bed waren gegaan, haar deed omkijken. De zieke was rechtop
gaan zitten en stak haar armen naar hen uit.
»Wie is dat?« vroeg zij met holle stem.
»St!« zei één van de vrouwen, en boog zich over haar heen. »Ga liggen,
ga liggen!«
»Ik ga niet meer liggen, zoolang ik nog leef!« zei de zieke,
tegenstribbelend. »Ik _moet_ 't haar zeggen! Kom hier! Dichterbij! Laat
mij 't in je oor fluisteren.«
Zij greep de Moeder bij haar arm, trok haar neer op een stoel naast het
bed en stond op het punt te spreken, toen zij, al rondkijkend, de twee
oude vrouwtjes in het oog kreeg, die, voorovergebogen, gretig stonden te
luisteren.
»Stuur die weg,« zei de stervende, mat, »gauw! gauw!«
Als uit één mond begonnen de twee bestjes in allerlei droeve klaagtonen
te betuigen, dat 't arme, goede menschje te ver heen was om zelfs haar
beste vriendinnen te kennen; zij stribbelden tegen en beweerden, dat
ze haar nooit verlaten zouden, maar de Moeder duwde haar de kamer uit,
sloot de deur en keerde naar het bed terug. Nu zij buitengesloten
waren, sloegen de oude dames een anderen toon aan en riepen door
het sleutelgat, dat oude Sally dronken was; wat werkelijk niet
onwaarschijnlijk was, want behalve dat zij, op voorschrift van den
apotheker, een behoorlijke dosis opium had gebruikt, leed zij onder
de werking van een laatste slokje jenever met water, dat de waardige
vriendinnen zelf, in de gulheid van haar hart, heimelijk voor haar
hadden weten te krijgen.
»Luister,« zei de stervende vrouw hardop, als deed zij een geweldige
poging om de laatste levenskracht, die in haar sluimerde, op te wekken.
»In deze zelfde kamer--in ditzelfde bed--heb ik eens een mooi jong
schepseltje opgepast; ze werd in het huis gebracht met doorgeloopen,
gezwollen voeten en vol slijk en bloed. Zij bracht een jongen ter wereld
en stierf. Laat me eens nagaan--in welk jaar was het ook weer?«
»Dat doet er niet toe,« zei de ongeduldige toehoorster, »wat was er met
haar?«
»Ja,« mompelde de zieke, terugvallend in haar toestand van versuffing,
»wat was er met haar?--wat--ik weet 't!« riep zij en sprong met een
woeste beweging overeind, haar gezicht gloeide en haar oogen sperden
open--»ik heb haar bestolen, ik! Ze was nog niet koud, nog niet koud,
zeg ik, toen ik 't heb gestolen!«
»Wat gestolen, om Gods wil?« riep de Moeder met een gebaar, alsof zij
hulp wilde halen.
»Dàt!« antwoordde de vrouw en legde haar hand op den mond van de Moeder.
»Het eenige wat zij had. Ze had geen kleeren om zich te warmen en geen
eten, maar zij had het veilig bewaard, op haar borst. Het was goud, zeg
ik je! Echt goud, dat haar leven had kunnen redden!«
»Goud!« herhaalde de Moeder en boog zich ijverig over de vrouw heen,
toen deze terugviel. »Vertel verder--verder--ja--toe--wat....? Wie was
die moeder? Wanneer was 't?«
»Zij vroeg me, het te bewaren,« hernam de vrouw kreunend, »en vertrouwde
't mij toe, omdat ik de eenige vrouw om haar heen was. In mijn hart stal
ik het al, toen zij 't mij voor 't eerst liet zien, zooals het om haar
hals hing en misschien is de dood van het kind ook wel mijn schuld! Ze
zouden hem beter behandeld hebben, als ze alles hadden geweten!«
»Wat geweten?« vroeg de ander. »Spreek!«
»De jongen ging zoo op zijn moeder lijken,« zei de vrouw afgetrokken en
zonder op de vraag te letten, »dat ik er altijd aan moest denken, als ik
zijn gezicht zag. Arm meisje! Arm meisje! Ze was nog zoo jong! En zoo'n
zacht lammetje! Wacht, er is nog meer te vertellen. Ik heb u nog niet
alles verteld, is 't wel?«
»Nee, nee,« antwoordde de Moeder, haar hoofd voorover buigend om de
woorden op te vangen, die door de stervende àl zwakker werden
uitgebracht. »Gauw, of 't is te laat!«
»Toen,« zei de vrouw met een nog heftiger poging dan te voren--»toen
haar doodsstrijd begon, fluisterde de moeder mij in 't oor, dat als haar
kindje levend geboren werd en opgroeide, dat er dan een dag zou komen,
waarop het zich niet zou behoeven te schamen als zijn moeders naam
genoemd werd.--En o, barmhartige Hemel!--zei ze, haar magere handen
vouwend,--of het een meisje of een jongen is, geef 't kind een paar
vrienden in deze droeve wereld, en heb medelijden met een arm, verlaten
kind, overgelaten aan de barmhartigheid van die wereld!«
»Hoe heet de jongen?« vroeg de moeder.
»Ze _noemden_ hem Oliver,« antwoordde de vrouw zwak. »Het goud, dat ik
gestolen heb, was....«
»Ja, ja.... wat?« riep de ander.
Ze boog zich haastig over de vrouw, om het antwoord te hooren, maar week
instinctmatig terug, toen de stervende nog eens langzaam en stijf
oprees, met beide handen de deken vastgreep, eenige onverstaanbare
klanken murmelde die in haar keel bleven steken en levenloos terug viel
op het kussen.
* * * * *
»Morsdood!« zei één van de oude vrouwtjes, haastig binnenkomend, zoodra
de deur open ging.
»En niets te zeggen, per slot van rekening,« voegde de Moeder er bij,
terwijl ze onverschillig heenging.
De twee bestjes, klaarblijkelijk te zeer ingenomen door de
toebereidselen voor hun vreeselijk werk om eenig antwoord te geven,
bleven alleen achter, en bogen zich over het lijk.