In dat smoel van 'm zit 'n fortuin.«

»Nou ja--al genoeg,« viel Sikes ongeduldig in; hij boog zich over zijn

liggenden vriend heen en fluisterde hem een paar woorden in 't oor,

waarop Mr. Crackit geweldig begon te lachen en Oliver vereerde met een

langen blik van verwondering.

»Nou,« zei Sikes, terwijl hij weer ging zitten »als je ons wat te eten

en te drinken wilt geven, terwijl we wachten, steek je ons een riem

onder 't hart; mij ten minste. Kom bij 't vuur zitten, jongen, en rust

uit, want je moet er van avond weer met ons op uit, al is 't niet ver.«

Oliver keek Sikes in stomme, angstige verbazing aan; hij trok een stoel

bij 't vuur en zat daar met het pijnlijke hoofd in de handen, zich

nauwelijks bewust waar hij was of wat er om hem heen gebeurde.

»Asjeblieft!« zei Toby, terwijl de jonge Jood wat etenskliekjes en een

flesch op tafel zette, »op 't lukken van de zaak!«

Hij stond op ter eere van de toast, borg voorzichtig zijn leege pijp in

een hoek, kwam bij de tafel, vulde een glas met drank en dronk het leeg.

Sikes deed hetzelfde.

»Een druppel voor de jongen,« zei Toby en schonk een wijnglas half vol.

»Drink op, onschuld.«

»Ik,« wierp Oliver tegen met een klagelijken blik op het gezicht van den

man, »gerust, ik--«

»Vooruit!« hield Toby aan. »Denk je, dat ik niet weet wat goed voor je

is? Zeg, dat hij 't drinkt, Bill.«

»'t Zou wel zoo goed zijn!« zei Sikes, met zijn hand op zijn zak

kloppend. »De duivel mag me halen, als hij niet meer last geeft dan een

heele familie Vossen. Drink, leelijke dwerg, drink op!«

Verschrikt door de dreigende gebaren van de beide mannen, dronk Oliver

haastig den inhoud van het glas op en kreeg dadelijk een hevige

hoestbui, waar Toby Crackit en Barney om schaterden en zelfs de norsche

Sikes om glimlachte.

Toen dit voorbij was en Sikes zijn eetlust had voldaan (Oliver kon niets

eten als een klein stukje brood, dat zij hem opdrongen), strekten de

twee mannen zich uit op een paar stoelen om een dutje te doen. Oliver

bleef op zijn stoel bij het vuur en Barney strekte zich, in een wollen

deken gewikkeld, vlak bij den haard op den vloer uit.

Zij sliepen of schenen een poos te slapen; niemand verroerde zich als

Barney, die eens of tweemaal opstond om kolen op het vuur te gooien.

Oliver viel in een zware sluimering, waarin hij zich verbeeldde langs de

sombere wegen te loopen of op het donkere kerkhof, of hij doorleefde een

of ander tooneel van den vorigen dag; plotseling werd hij gewekt,

doordat Toby Crackit opsprong en verklaarde dat het half twee was.

In een oogenblik stonden de andere twee op hun beenen en allen begonnen

ijverig hunne toebereidselen te maken. Sikes en zijn metgezel wikkelden

hals en kin in groote donkere shawls en trokken hun manteljassen aan,

terwijl Barney uit een kast allerlei voorwerpen voor den dag haalde, die

hij haastig in hun zakken stopte.

»Pistolen voor mij, Barney,« zei Toby Crackit.

»Hier zijn ze,« antwoordde Barney, twee pistolen te voorschijn halend.

»Je hebt ze zelf geladen.«

»Goed!« antwoordde Toby, ze wegstoppend. »De nijptang.«

»Die heb ik«, antwoordde Sikes.

»Looper, sleutels, breekijzers, lantarens--niets vergeten?« vroeg Toby,

terwijl hij een klein breekijzer aan een lus binnen in zijn jas

vastmaakte.

»In orde,« voegde zijn makker er bij. »Geef de houten, Barney. 't Is

hoog tijd.«

Met deze woorden nam hij een dikken stok uit Barney's handen, deze

reikte Toby een anderen toe en ging daarna Oliver's cape vastmaken.

»Nou!« zei Sikes en stak zijn hand uit.

Oliver, die als versuft was door de ongewone vermoeienis, de buitenlucht

en den opgedrongen drank, legde werktuigelijk zijn hand in de hand, die

Sikes hem tot dat doel toestak.

»Neem zijn andere hand, Toby,« zei Sikes. »Ga uitkijken Barney.«

De man ging naar de deur en kwam terug met de boodschap, dat alles stil

was. De beide boeven gingen naar buiten, met Oliver tusschen hen in.

Barney sloot alles stevig, rolde zich weer in zijn deken en viel spoedig

in slaap.

Het was stikdonker. De mist was veel dikker dan in den vooravond en de

lucht zóó vochtig, dat Oliver's haar en wenkbrauwen, ofschoon er geen

regen viel, enkele minuten nadat zij uit huis waren gegaan, stijf waren

door den half bevroren damp, die om hen heen golfde. Ze gingen de brug

over en liepen voort in de richting van de lichten, die hij te voren

gezien had. Ze waren niet ver af en daar zij vlug doorstapten, waren ze

spoedig in Chertsey.

»Steek de stad maar door,« fluisterde Sikes; »er zal vannacht wel

niemand op straat zijn, die ons zien kan.«

Toby stemde toe en ze liepen haastig voort door de hoofdstraat van het

stadje, op dit late uur geheel verlaten. Hier en daar scheen een flauw

lichtje uit 't raam van een slaapkamer en nu en dan werd de nachtelijke

stilte verbroken door schor hondengeblaf. Maar er was niemand op straat.

Toen de klok twee uur sloeg, hadden zij de stad achter zich.

Hun stap verhaastend, sloegen zij een weg in, die naar links leidde.

Na ongeveer een kwart mijl geloopen te hebben, bleven zij voor een

alleenstaand huis met een muur er omheen stilstaan; Toby Crackit klom,

bijna zonder tijd te nemen om adem te scheppen, in een oogwenk op dien

muur.

»Nou de jongen,« zei Toby. »Til hem op, dan zal ik hem anpakken.«

Eer Oliver tijd had gehad om zich heen te zien, had Sikes hem onder de

armen gegrepen en drie of vier seconden later lagen hij en Toby aan den

anderen kant op het gras.

En nu, voor 't eerst, begreep Oliver, bijna krankzinnig van verdriet

en angst, dat inbraak en diefstal, misschien wel moord, het doel was

van den tocht. Hij vouwde zijn handen en stootte onwillekeurig een

onderdrukten kreet van afschuw uit. Voor zijn oogen kwam een mist, het

koude zweet parelde op zijn aschgrauw gezicht, zijn beenen weigerden den

dienst en hij zonk op zijn knieën.

»Sta op!« fluisterde Sikes, bevend van woede en 't pistool uit zijn zak

trekkend, »sta op, of ik schiet je door je hersens.«

»O! Om Gods wil, laat me heengaan!« riep Oliver, »laat me wegloopen en

ergens sterven. Ik zal nooit in de buurt van Londen komen, nooit, nooit!

Och toe, heb medelijden met me en laat me niet stelen. Ter wille van al

de goede engelen in den hemel, heb medelijden met me.«

De man, tot wien deze smeekbede was gericht, stootte een

verschrikkelijken vloek uit en haalde den haan van het pistool over,

toen Toby het uit zijn hand sloeg, zijn vinger op Oliver's mond legde en

hem meesleepte naar het huis.

»Stil!« zei Toby, »dat zou hier verkeerd zijn. Zeg nog één woord en ik

doe wat jij wou doen met een mep op zijn kop. Dat maakt geen leven en is

net zoo zeker en menschlievender. Hier Bill, maak 't luik open. Hij

heeft nou z'n vet wel, denk ik. Ik heb wel andere jongens in een kouden

nacht voor een paar minuten zich net zoo zien aanstellen.«

Sikes riep de vreeselijkste verwenschingen op Fagin's hoofd in, omdat

hij Oliver op zoo'n tocht had meegegeven en zwaaide woedend met het

breekijzer, echter zonder er veel leven bij te maken. Na een oogenblik,

toen Toby geholpen had, zwaaide het luik, waaraan hij gewerkt had, open

op zijn hengsels.

Het was van een klein tralievenster, ongeveer vijf en een halve voet

boven den grond, aan den achterkant van het huis; dit leidde naar een

wasch- of bierhok aan het eind van de gang. De opening was zóó klein,

dat de bewoners het waarschijnlijk niet noodig hadden gevonden, dat

raampje beter te verzekeren, maar het was toch wijd genoeg om een jongen

van Oliver's grootte door te laten. Een korte greep van Sikes' hand was

voldoende om de tralies los te wringen, zoodat het raampje spoedig wijd

open stond.

»Luister nou, klein mormel,« fluisterde Sikes, haalde een dievenlantaarn

uit zijn zak en liet het licht op Oliver's gezicht schijnen, »ik zal je

hier doorheen zetten. Neem dit licht, loop zachtjes de trap op, die je

recht voor je ziet en door de kleine hal naar de straatdeur; doe die

open en laat ons binnen.«

»Bovenaan zit er een boom op, daar kan je niet bij,« viel Toby in. »Ga

dan op een van de stoelen uit de hal staan. Er zijn er drie, Bill, met

een mooie blauwe eenhoorn en een gouden hooivork er op, het wapen van de

oude dame.«

»Hou je mond liever,« zei Sikes met een dreigenden blik. »De kamerdeur

staat immers open?«

»Wijd open,« antwoordde Toby, nadat hij naar binnen had gekeken om zich

te overtuigen. »De mop daarvan is, dat zij hem altijd op een kier open

laten; dan kan de hond, die in de kamer slaapt, de gang in loopen als

hij wat hoort. Ha! ha! Barney heeft hem vannacht weg weten te lokken. O

zoo netjes!«

Ofschoon Crackit bijna onhoorbaar fluisterde en geluidloos lachte,

gebood Sikes hem uit de hoogte stil te zijn en aan het werk te gaan.

Toby deed dit, door eerst zijn lantaarn te voorschijn te halen en op den

grond te zetten; vervolgens plantte hij zich stevig neer onder het raam,

met zijn hoofd tegen den muur en zijn handen op zijn knieën, zoodat zijn

rug als opstap kon dienen. Dadelijk klom Sikes op hem en tilde Oliver

zachtjes door het raampje met zijn voeten naar voren; zonder zijn kraag

los te laten, zette hij hem veilig binnen op den grond.

»Neem deze lantaarn,« zei Sikes met een blik in het kamertje. »Zie je de

trap vóór je?«

De avonturen van Oliver Twist · 第 81 / 118 题