De inbraak.
»Hallo!« riep een luide, schorre stem, zoodra zij hun voeten in de gang
hadden gezet.
»Maak niet zoo'n kabaal,« zeide Sikes, terwijl hij de deur grendelde.
»Geef 'n lichie, Tom.«
»Aha! m'n kameraad!« riep dezelfde stem. »'n Lichie Barney, 'n lichie!
Laat de heeren binnen, Barney; maar word eerst wakker, als 't je
hetzelfde is.«
De spreker scheen een laarzenknecht of een ander dergelijk artikel naar
den toegesproken persoon te smijten om hem uit zijn sluimering te
wekken, want men hoorde het geluid van een houten voorwerp, dat hard
neerkwam, en dan een onverstaanbaar gemompel, als van iemand tusschen
slapen en waken.
»Hoor je niet?« riep dezelfde stem. »Bill Sikes staat in de gang en er
is niemand om hem te ontvangen, en jij zit te slapen of je bij je eten
laudanum gezopen hebt inplaats van wat sterkers. Ben je nou frisch of
wil je den ijzeren kandelaar naar je kop hebben om heelemaal wakker te
worden?«
Op deze vraag schuifelden een paar voeten in pantoffels haastig over den
naakten vloer van de kamer en uit de deur rechts kwam eerst een zwakke
kaarslichtschijn te voorschijn en toen de gestalte van denzelfden man,
dien wij tevoren hebben leeren kennen als door zijn neus sprekend en die
dienst deed als kellner in de herberg van Saffron Hill.
»Beheer Sikes!« riep Barney met echte of gehuichelde vreugde; »kod
binnen beheer, kod binnen!«
»Hier! jij eerst,« zei Sikes, Oliver vóór zich uitduwend. »Gauw! of ik
trap je op je hielen.«
Met een vloek om zijn aarzelen, stompte Sikes Oliver naar binnen; ze
kwamen in een lage, donkere kamer met een rookend vuur, twee of drie
kapotte stoelen, een tafel en een oud bed; hierop, met zijn beenen veel
hooger dan zijn hoofd, lag een man in zijn volle lengte uitgestrekt, een
lange steenen pijp te rooken. Hij had een goed gemaakte tabakskleurige
jas aan met groote koperen, knoopen, een oranje halsdoek, een grof,
bontkleurig vest en een gele broek. Mr. Crackit (want die was het) had
niet veel haar, noch op zijn hoofd, noch op zijn gezicht, maar wat hij
had, was rossig en in lange kurkentrekkerachtige krullen gedraaid,
waardoor hij nu en dan zijn smerige vingers haalde, aan die vingers
prijkten groote namaakringen. Hij was iets boven de middelmatige lengte
en blijkbaar eenigszins zwak op zijn beenen; doch deze omstandigheid
deed niets af aan zijn eigen bewondering voor zijn kaplaarzen, die hij
van uit de laagte met levendige voldoening bekeek.
»Bill, beste kerel!« zei deze gedaante, terwijl hij zijn hoofd naar de
deur wendde. »Blij je te zien. Ik was al bang, dat je 't opgaf; in dat
geval had ik zelf een kansje gewaagd. Hallo!«
Mr. Toby Crackit deed dezen uitroep in de hoogste verwondering, toen
zijn oog op Oliver viel; hij ging rechtop zitten en vroeg wie 't was.
»De jongen maar!« antwoordde Sikes en trok een stoel bij het vuur.
»Eén van beheer Fagin's jongens,« riep Barney met een grijns.
»Van Fagin, zoo!« riep Toby uit, terwijl hij naar Oliver keek. »Wat 'n
prachtige jongen voor de zakken van de oude dames in de kerk!